Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 35: 1-10

Zondag 19 augustus 2018

De gebaande weg

Door Dineke Houtman

De lezing van deze week is een van de juweeltjes uit de Hebreeuwse literatuur door de combinatie van prachtige taal en een lokkend visioen. Ik wil de aandacht vestigen op de verzen 8 en 9. In de Statenvertaling met kanttekeningen is dit als volgt verklaard:

8 En (18) aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; (19) de onreine zal daar niet doorgaan, maar (20) hij zal (21) voor dezen zijn; die dezen weg (22) wandelt, zelfs (23) de dwazen (24) zullen niet dwalen.

18 De zin is: De christelijke kerk zal geen wilde onvruchtbare woestijn zijn, maar in dezelve zal de rechte weg der zaligheid gewezen worden, door het geloof aan Jezus Christus, Die ons reinigt van al onze zonden, en Hij geeft ons den Heiligen Geest, Die ons vernieuwt en herbaart tot een nieuw godzalig leven.
19 Te weten die nog in zijn zonden ligt. Zie Openb. 22:15.
20 Te weten dien weg.
21 Te weten voor degenen die heilig zijn, gelijk de weg heilig is, dat is, voor de ware lidmaten der christelijke kerk, die van den Heere vrijgekocht zijn, vers 10.
22 Reist, gaat, of gaan zal, te weten op dezen heiligen weg.
23 Dat is, degenen die in Goddelijke zaken niets verstaan, of: de eenvoudige Christenen.
24 Dewijl zij een vaste en effen baan zullen hebben, op dewelke hen de Heere zal voeren en leiden.

9 (25) Er zal geen leeuw zijn, en (26) geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen.

25 Dat is, geen duivel zal de gelovigen van den weg der zaligheid trekken noch afleiden, hoewel hij altoos rondom ons gaat als een briesende leeuw, zoekende ons te verslinden. Zie Joh. 10:28. 1 Petr. 5:8.
26 Eigenlijk: geen inbreker of doorbreker der gedierten.

In de kerk wordt de rechte weg naar de zaligheid gewezen door het geloof in Jezus. Deze weg wordt niet begaan door zondaren. Voor de ware christenen echter, zelf voor de zeer eenvoudigen, is het een gebaand pad. De duivel zal geen vat op ze hebben.
Deze oude christelijke interpretatie heeft waarschijnlijk te maken met Jesaja 40:3 waar een stem oproep om een weg te banen voor de Heer, en met Johannes 1:23 waar Johannes de Doper over zichzelf zegt dat hij die stem is die de weg baant voor de Messias.

Het zal u niet verbazen dat deze verzen in het jodendom anders geïnterpreteerd worden. We bekijken Targoem Jonathan, de Aramese Bijbelvertaling op de Profeten uit de eerste eeuwen van de gangbare jaartelling en Rasji de grote Franse exegeet uit de elfde eeuw.

Targoem Jonathan:
8 Er zal daar een gebaande rechte weg lopen die ‘de voorbereiding van de weg van Heiligheid’ genoemd wordt. Geen onreine zal die betreden, reizigers zullen niet afgesneden worden, en zij die niet gestudeerd hebben zullen niet dwalen.
9 Geen koning die kwaad doet zal daar zijn, geen benauwende heerschappij zal hem betreden, die zullen daar niet gevonden worden. Alleen zij die verlost zijn zullen daar gaan.

De vertaling ‘de voorbereiding van de weg van Heiligheid’ is opvallend. Dit doet opnieuw denken aan Jesaja 40:3 waar de stem roep ‘baan voor de Heer een weg’. De roofdieren uit vers 9 worden metaforisch geïnterpreteerd als onderdrukkende machten.

Rasji
‘Daar zal een gebaande weg lopen’ dat wil zeggen voor de [rechtmatige] reizigers
‘geen onreine zal die betreden’ dat wil zeggen dat hij niet langer aan de heidenen toebehoort
‘over die weg zullen zij gaan’ dat slaat op de blinden, doven, lammen en stommen uit de verzen 5 en 6. Zij zullen gaan over die weg. Zelfs als ze dwaas of ongeletterd zijn zullen ze niet dwalen, want de Heer zal de weg voor ze uitleggen.
‘geen enkel wild dier’ dat zijn de wilde zwijnen (Psalm 80:13-14), of de leeuwen uit het struikgewas (Jeremia 4:7), wat wil zeggen Nebukadnessar.

Rasji leefde in een tijd en omgeving waar het christendom dominant was. Hij claimt met zijn uitleg de ‘Heilige weg’ terug van de heidenen die hem zich hadden toegeëigend. Hij legt in lijn met Targoem Jonathan de wilde dieren uit als boze machthebbers met verwijzing naar de aanvallers op Israël uit Psalm 80 en de Baylonische overheerser Nebukadnessar uit Jeremia.

En zo, met de ‘Heilige weg’ weer bij de rechtmatige reizigers en de boze vijanden op veilige afstand, loopt het uit op de jubelzang in vers 10:

Zie die de Heer heeft bevrijd, keren terug.
Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde.
Gejuich en vrede trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg!