Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 50: 22-26

Zondag 20 november 2016

De dood van Jozef als een belofte van de Eeuwige

door Birke Rapp

Genesis 50,22-26 is een soort epiloog van het boek Genesis. Het slaat een brug tussen het grote verhaal van de aartsvaders en –moeders aan de ene kant en de dreigende slavernij in Egypte aan de andere kant. Jozef is de persoon die beide verhalen met elkaar verbindt. Zijn laatste woorden op het sterfbed en zijn overlijden staan vooral in het teken van een vooruitgrijpen op waar het volk in het vooruitzicht van slavernij en onderdrukking mag blijven hopen. Jozef stelt zich als het ware met zijn lichaam garant voor die belofte.

Dat het einde van Jozef in een andere context wordt gezien dan het einde van zijn voorouders wordt ook nog op een andere manier duidelijk. Genesis 50 vertelt niet alleen maar over het einde van Jozef. Het hoofdstuk begint met het verhaal van de dood en de begrafenis van Jacob. En dat wordt breed uitgemeten. In groot detail wordt verteld hoe Jozef de laatste wens van zijn vader vervult: Jacob wordt gebalsemd, in een grote rouwstoet door al zijn zonen (en Egyptenaren) naar Kanaän gebracht en in de grot van Machpéla bijgezet. Daarentegen vormt het korte verhaal van Jozefs laatste wensen en zijn dood een duidelijk contrast. De rabbijnen gaan op sommige van de verschillen en parallellen in.

V.22.23: Er wordt verteld dat Jozef met zijn broers (= het huis van zijn vader) in Egypte blijft wonen en dat hij daar 110 jaar oud wordt. Hij ziet meerder generaties van zijn nakomelingen.

Na de begrafenis van Jacob wordt in vers 14 en daarna nog een keer in vers 22 verteld, dat Jozef en zijn broers weer terugkeren naar Egypte. Natuurlijk heeft dat met de opmerking in Gen 50,8 te maken, dat de rouwstoet op hun weg naar Kanaän hun kinderen en hun vee in Egypte achter moesten laten. Volgens Isaac Arama (15e eeuw, Spanje) wijst dat erop dat de kinderen van Jakob na diens dood van plan waren naar Kanaän terug te keren, maar dat de Egyptenaren al niet meer bereid waren het volk te laten gaan. Jozef kreeg ook alleen maar toestemming om naar Kanaän te gaan op de belofte dat hij terug zal keren. (Akedat Jitschak op Gen 50,5.8). De tijden zijn veranderd. En dat wordt met en na de dood van Jozef alleen maar erger.

Jozef wordt met zijn 110 jaar niet echt oud. En hij sterft zelfs nog vóór zijn broers. En toch wordt zijn leeftijd als een vervuld leven gezien. Benno Jacob merkt in zijn commentaar op Genesis 50 op dat Jozef met 40 jaar - na de aankomst van zijn vader in Egypte - nog een heel mensenleven van 70 jaar verder leefde. Volgens Job 42,16v een verzadigd leven.
Maar Benno Jacob laat ook zien dat de verzen 22 en 23 vooral als een verwijzing naar de verlossing uit Egypte moeten worden gelezen. Zo wordt in v. 23 verteld dat Jozef met zijn leeftijd van 110 jaar nog meerdere toekomstige generaties heeft gezien. De laatste van deze nakomelingen zijn tijdgenoten van Mozes. Dat wil zeggen dat Jozef al kinderen op schoot heeft gehad, die in de toekomst de verlossing uit de ballingschap zullen meemaken. (B. Jacob, Das Buch Genesis, p. 942vv) En de rabbijnen leggen een link met Jozua, waarvan in Jozua 24,29 ook expliciet vermeld wordt dat hij 110 jaar werd (Genesis Rabba 100,10). Jozua is een afstammeling van de oudste zoon van Jozef, en hij zal het volk uiteindelijk weer terug leiden naar het beloofde land opdat de beenderen van Jozef daar zullen worden begraven (Jozua 24,32). Het einde van Jozef’s leven staat geheel in het teken van de belofte aan het volk die nu volgt

V.24.25: Jozef kondigt aan dat hij zal sterven, maar dat God hen naar het land van hun voorouders zal terugbrengen. Hij wil dat zijn lichaam omhoog gedragen wordt uit Egypte.

Anders dan bij de aartsvaders, waar altijd de uitdrukking gebruikt wordt dat zij hun “adem uitbliezen en verenigd werden met hun voorouders (in het land Kanaän),” kondigt Jozef alleen maar aan dat hij sterft. Hij verbindt zijn dood met de toekomst van het volk door de belofte dat God het volk in Egypte zal opzoeken / gedenken (van de wortel P-K-D) om het te verlossen en naar het beloofde land van Abraham, Isaak en Jacob terug te brengen. Ook zonder hem als leider zal er op een gegeven moment een verlosser optreden: Mozes (samen met Aaron) of zelfs de Messias (Midrash haGadol, Genesis, p.770). Jacob heeft dezelfde belofte aan het eind van zijn leven aan Jozef gegeven (Gen 48,21). En in de toekomst zal Mozes zich met deze belofte als verlosser te herkennen geven (Exodus 3,16 en 4,31). Ook hier verbindt Jozef weer het verhaal van de vaderen met dat van Mozes en Israël in Egypte.
Aansluitend aan deze belofte geeft Jozef ook instructies over zijn begrafenis (V.25). Zolang zijn volk in Egypte is wil hij dat zijn dode lichaam in Egypte blijft. Pas als zij naar het land teruggaan, wil hij dat ze hem meenemen.

Dat roept natuurlijk de vraag op, waarom Jozef zich niet net zoals zijn vader in het land van zijn voorouders laat begraven. In de traditie worden er verschillende antwoorden op gegeven. Voor sommigen had hij deze keuze niet. Niemand van zijn broers had voldoende aanzien en status om deze wens van Jozef onder het bewind van de farao te vervullen.
Maar er wordt ook een ander argument aangevoerd. Het patriarchenverhaal is ten einde. Afgezien van het feit dat er in de grot van Machpéla geen plek meer is voor Jozef, wordt zijn dood door een brede traditie vooral met de toekomst van Israël verbonden. Hij wil met hen samen terugkeren (Genesis Rabba 100,11 en Exodus 13,19). Jozef blijft met zijn lichaam als een herinnering onder het volk aanwezig. Zo kan hij laten zien, dat wat hij over God heeft ervaren, namelijk dat alles tot het goede wordt verkeerd ook in de toekomst uit zal komen. Jozef zal voor hen als een licht zijn in donkere tijden en dat geldt vooral als ze hem meenemen naar het beloofde land. Als ze hem mee terugnemen, dan zal God met hen zijn in het licht (Testament van de 12 Patriarchen, Jozef, 1,1-20)

V.26 Jozef sterft op de leeftijd van 110, wordt gebalsemd en blijft in een kist in Egypte

Noch het balsemen (van Jozef en ook Jacob), noch het feit dat Jozef in een kist wordt gelegd en niet wordt begraven, horen bij de joodse begrafenisrituelen. Integendeel: ze zijn alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan. En toch gaan de rabbijnen er niet tegenin. Zij zitten met een ander probleem. Hoe kwam het lichaam van Jozef naar het beloofde land? Het feit dat er sprake is van een kist waarin zijn lichaam wordt gelegd is de aanleiding tot een interessante midrash:
Volgens de laatste woorden van Genesis wacht Jozef dus in een kist (Hebreeuwse woord voor ark) op de verlossing en terugkeer naar het beloofde land. Dit is dus het begin van het verhaal van de volgende boeken van de Tora. En in deze boeken staat een andere ark in het middelpunt. De ark waarin de 10 woorden worden bewaard. Er is een brede rabbijnse traditie waarin verteld wordt dat 40 jaar lang beide arken (die van een dode en die van de Schechina) naast elkaar werden meegevoerd. Eigenlijk kan dat niet. Doden verontreinigen het heilige. En tegelijkertijd wordt hier gezegd dat Jozef alle geboden heeft gehouden en de personificatie / vervulling van het woord is, van het heilige. (Mechilta debe R. Ismael bij Exodus 13,19; bSota 13a en par.)

Uiteindelijk wordt Jozef door de kinderen van Israël in Sichem begraven, van waaruit hij ook gestolen is en waar het verhaal van de ballingschap uiteindelijk zijn einde vindt. (Genesis Rabba 85,3 en Exodus Rabba 20,19).

Ondanks alle verrassende elementen over de dood van Jozef, die met de wereld in Egypte te maken hebben blijft Jozef vasthouden aan de spirituele erfenis van zijn voorouders. Hij stelt zijn sterfelijke overblijfselen ter beschikking als constante herinnering aan de beloofde verlossing en het terugvoeren van het volk naar hun land. Daarmee heeft hij over zijn dood heen de wereld in een donkere tijd met hoop vervuld. En dat is de grote verdienste die de bijbel met de dood van Jozef verbindt en die de rabbijnen bevestigen.