Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 32: 23-32

Zondag 16 oktober 2016 

Opmerking vooraf: Deze lezing staat als alternatieve Genesislezing genoteerd voor zondag 9 oktober 2016. Een week later, op zondag 16 oktober, staat deze perikoop op het rooster als "reguliere" lezing van Tenach. In beide gevallen vindt u op deze plek een uitvoerige, rijke verhandeling van Paul Gabriner. Gabriner besluit zijn bijdrage met een aantal discussievragen die de onderstaande tekst geschikt maken voor behandeling in een groep. (Dick Pruiksma) 

Jacob worstelt met een engel


door Paul Gabriner

‘Alleen hij verdient het om een held genoemd te worden die zijn kwade neigingen kan bedwingen’ (Zohar)

i. Worstelen Nieuwe Stijl

Deze episode is wellicht de meest mysterieuze van de hele Bijbel. Jacob strijdt de hele nacht door met een tegenstander die hem verwondt en daarna zegent met een nieuwe naam, Israël, want ‘Lo Jakov y’amer od shmecha, ki im-yisraël, ki sarita im elohim v’im anashim v’tookal’ – ‘U zult van nu af aan geen Jakob meer heten, maar Israël, want U heeft met God gestreden en met mensen en u heeft overwonnen!’ (32:28).

De episode roept talloze vragen op, waaronder:

De tekst gebruikt het woord voor ‘engel’ niet, Jakobs tegenstander wordt een ‘man’ genoemd. Toch bezit deze ‘man’ bovennatuurlijke gaven! Wie is hij eigenlijk? Is hij God zelf, in de gedaante van een mens? Is hij een boodschapper, een engel, door God gestuurd? Of heeft hij een andere identiteit? In deze verhandeling wordt hij een ‘engel’ genoemd alleen omdat de traditie hem zo noemt, maar zijn ware identiteit blijft nog altijd open.
Zijn woorden aan Jakob zeggen dat hij ‘met God en mensen gestreden heeft en overwonnen’ (vers 29). Als de worstelpartij een symbolische betekenis heeft, in welke zin mag Jakob een ‘overwinnaar’ genoemd worden? En hoe kan men God ‘overwinnen’?
Met welke mensen heeft Jakob strijd geleverd en ook overwonnen?
Waarom slaat de tegenpartij Jakob in zijn heup, zodat hij, hoewel de overwinnaar, kreupel weg moest lopen van de confrontatie?
De engel verandert Jakobs naam in ‘Israël,’ maar feit is dat de twee namen, Jakob en Israël, steeds afwisselend voor hem gebruikt worden, ook hierna. Als Jakob tot aan zijn dood vaak nog met zijn oude naam genoemd wordt, wat betekent zijn naamsverandering dan?

Het zal niet verbazen dat de rabbijnen hun best hebben gedaan om antwoorden op deze en andere vragen te vinden. De joodse traditie laat een bonte lapje van meningen zien die elk aspect van het verhaal proberen te dekken. De meest bekende van de commentatoren, Rabbi Shlomo Yitzchaki (1040-1105), de ‘Rasji,’ was van mening dat de engel de beschermengel van Esau moet zijn. Hier ging Jakob tegen strijden. Andere rabbijnen gingen nog verder en zagen de tegenstander als het Kwaad of zelfs als de Engel des Doods (Bava Batra, 16a). Volgens anderen, moest deze engel Jakob aanvallen, want Jakob staat voor de menselijke vooruitgang en het Kwaad, Satan dus, bestaat juist om dat streven te voorkomen. ‘De strijd tussen Jakob en de ‘man’ was de eeuwige strijd tussen Goed en Kwaad” (Stone Torah, 175n.)

Rabbi Obadiah ben Jacob Sforno (1475-1550) de grote Italiaanse commentator, was van mening dat de hele episode allegorisch was voor de toekomstige geschiedenis van Israël: net als Jakob ernstig verwond raakte in zijn strijd met de engel, zo zou Israël in de toekomst vreselijk moeten lijden. Maar net als Jakob als ‘overwinnaar’ uit de bus kwam, zo Israël ten opzichte van haar vele vijanden. Sforno had ook zijn eigen interpretatie van Jakobs verwonding: de engel kon niet winnen omdat Jakob zich op God concentreerde, maar toen de engel al de zondes van Israëls toekomstige leiders aan Jakob vertelde, was hij zo geschrokken dat hij zijn concentratie verloor en op dat moment kon de engel toeslaan. Een andere rabbijn had weer een antwoord op de vraag waarom de worstelpartij de hele nacht duurde en niet korter kon zijn: de engel was inderdaad de Engel van het Kwaad en zou met Jakobs nakomelingen de strijd aanbinden door de hele geschiedenis heen, tot en met de dag van de Verlossing (Lekach Tov).

Verder is er een midrasj (een midrasj is buiten-bijbelse uitweiding, vaak anoniem) die het anders ziet: Jakobs verwonde heup is symbolisch voor de afnemende steun voor Thora-onderwijs, of voor de bloedige moordpartijen die Jakobs nakomelingen zouden ondergaan bij vernietiging van de Tweede Tempel in 70 A.D. door de Romeinen. En dan zijn er rabbijnen die de woorden ‘u heeft elohim (God) overwonnen’ lezen als ‘u heeft een goddelijke wezen overwonnen’ (dwz., de engel). Zowel Rabbi Mozes ben Nahman Girondi (1194-1270), beter bekend als ‘Nachmanides’ of de ‘Ramban,’ als Rabbi Jacob ben Asher (ca. 1269-1343), de ‘Tur’, waren voorts van mening dat de engel zelf geen enkele onafhankelijk macht had, maar Jakob simpelweg moest zegenen op bevel van God.

Een moderne benadering zou uiteraard symbolisch zijn, maar toch veel meer nadruk leggen op de thematisch, contextuele en psychologisch kant van de zaak i.p.v. de profetische en allegorische. Om met het thematische te beginnen, Genesis als geheel is overal bezig met het weerbarstige probleem van menselijk geweld, dat in deze episode ook een opmerkelijke rol speelt. Ter verduidelijking, als wij Jakobs worstelpartij met zijn tegenstander vergelijken met het gevecht tussen David en Goliath, zien wij markante gelijkenissen: allebei zijn belangrijke één op één confrontaties tussen twee zeer ongelijke partijen. Maar deze gelijkenissen maken dat het grote verschil tussen de twee episodes alleen scherper gezien wordt, namelijk dat Davids confrontatie door bloedvergieten wordt gekenmerkt en die van Jakob helemaal niet.

Men moet hier even stil bij staan, want het verschil is niet toevallig: Davids bloedige overwinning op Goliath is ook tekenend voor zijn latere carrière. Tijdens zijn koningschap kleeft uiteindelijk zoveel bloed aan zijn handen dat God tegen hem zegt: ‘Jij hebt ten overstaan van mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zal jij geen huis bouwen voor mijn naam, je hebt te veel bloed vergoten’ (I Kronieken 22:8). De eer om de Eerste Tempel te mogen bouwen gaat daarom aan David voorbij en valt ten deel aan zijn zoon, Shlomo (Solomon).

Maar Jakobs strijd zonder bloedvergieten is even zo tekenend voor zijn carrière! Het argument dat het gebrek aan bloedvergieten bij Jakob des te meer een reden is om zijn strijd louter in geestelijk zin te begrijpen is op zich waar, maar gaat ook voorbij aan het feit dat geweldloosheid kenmerkend is geweest voor zijn hele leven. Jakob heeft namelijk nooit in zijn leven ook maar één keer geweld gebruikt om zijn belangen te verdedigen of om zijn doel te bereiken. Zijn vreedzame instelling is ook de reden dat deze herder van het begin af aan door God gekozen was om de Brit (Verbond) met Abraham voort te zetten in plaats van zijn oudere broer, Esau, die als jager beroepsmatig een bloedvergieter was! (Genesis 25:23, 28:13-15).

Hierbij is de grammaticale volgorde van de zin die de worstelpartij inluidt heel belangrijk: ‘En een man kwam om met hem te worstelen.’ Let op: Jakob is dus niet het onderwerp van de zin, maar het lijdend voorwerp, niet de agressor, maar het onschuldig slachtoffer van agressie. Het was nacht (vers 22), donker, en Jakob was nu alleen. Misschien was hij al bezig om te gaan slapen. Op dat moment werd hij door een vreemde plotseling aangevallen! Zijn optreden is dus puur defensief.

Je kunt zeggen wat je wilt over de infaam bedreiger, Jakob – dat hij zijn broer beroofde van zijn eerstgeboorterecht, dat hij zijn blinde vader oplichtte, dat hij zelfs de meesteroplichter Laban te slim af bleek te zijn, maar, zoals gezegd, alles wat hij deed gebeurt volledig geweldloos en altijd zonder bloedvergieten. Wat dat betreft lijkt hij veel meer op zijn vader dan op zijn vaders lievelingszoon, Esau. Want Izaäks leven was ook gespeend van elke vorm van geweld. Men moet inzien dat de lijn Abraham- Izaäk-Jakob-Jozef gekenmerkt wordt door een ongebroken en zich ontwikkelende traditie over vier generaties van geweldloosheid, rechtvaardigheid, inkeer, nederigheid en vergeving. Jakobs ‘vreedzame’ worstelpartij markeert dus één van veel belangrijk momenten in een revolutionaire traditie: die van één familie die over meerdere generaties haar weg succesvol door het leven vindt zonder maar een greintje geweld te hoeven gebruiken!

Zelfs de duur van Jakobs strijd moest gezien worden door deze lens. Als hij geweld niet bezwaarlijk vond, had hij zijn tegenstander ook kunnen proberen uit te schakelen met een onverwacht stoot tegen zijn heup. Maar Jakob sloeg niet, ook niet voordat hij door had dat zijn tegenstander een bovennatuurlijke wezen moet zijn! Als tegenargument voor de duur van de strijd zou men zich natuurlijk kunnen beroepen juist op de bovennatuurlijke krachten van de engel, die het onmogelijke maakten voor Jakob de strijd sneller te kunnen winnen. Maar het feit dat Jakob ondanks deze krachten zo lang stand kon houden is even goed een sterk signaal dat zijn eigen kracht ook niet louter aards was! Jakob bezat kennelijk een onoverwinnelijke geestelijke kracht die hij zich hoe dan ook eigen had gemaakt. Waar hij deze kracht vandaan haalde is ons niet verteld, maar het zou kunnen zijn dat het een beloning was voor geweldloosheid.

Dit karakter van Jakobs strijden wordt benadrukt door het gemis aan enige fysieke beschrijving ervan. Jakob gebruikt geen speciale greep of worp om zijn tegenstander te vloeren. Het is meer een kwestie van krachtmeting, van discipline, van wilskracht en van onvermoeid doorzettingsvermogen. De worstelpartij is een kwestie van wie de langste geestelijke adem heeft. Vanuit Jakobs perspectief gezien lijkt het wel een vorm van ‘resistance-training’! Tegen zo’n krachtige opponent is Jakobs streven er alleen op gericht om zichzelf staande te houden. Overwinning is voor hem overleving, niet meer!

Deze inzet voor Jakob betekent dus niet dat de engel van hem moet verliezen, maar alleen dat hijzelf niet de verliezer mag zijn. Er is hier een subtiel maar zeer belangrijk verschil met wat meestal verstaan wordt onder een ‘overwinning’! Jakobs geweldloze weerbaarheid is een uniek soort vreedzaam overwinningsmodel dat voortaan tekenend moest zijn voor zijn volk, Israël. Zorgen dat men zelf niet de onderspit delft is heel iets anders dan zorgen voor het verslaan van de opponent! Ziehier de revolutionaire aspect van een geweldloze weerstand model dat de Thora voorstelt als een alternatief voor de gangbare manier waarmee men toen en nog steeds zijn weg in de wereld probeert te vinden!

Alleen om deze reden mocht Jakobs worstelpartij niet gezien worden als een fysiek gebeuren. Joden werden nu eenmaal door God uitverkoren om een koninkrijk van priesters te zijn (Exodus 19:6) en niet om met vreemde tegenstanders ‘s nachts over de vloer te gaan rollen! Het is ook niet voor niets dat joden tot op de dag van vandaag praktisch geen rol spelen in sporten waar zwaar lichamelijk contact of waar agressie een vereiste is. Door hun hele geschiedenis heen kun je het aantal joodse rugbyspelers en kickboksers op de vingers van één hand tellen!

Nee, de worstelpartij heeft geen fysieke betekenis op zich, en Jakobs letterlijke prestatie daarin is ook niet de echte reden voor zijn nieuwe naam, Israël. De worstelpartij lijkt symbool te staan voor iets anders, namelijk voor een geestelijk keerpunt in zijn leven, waarin hij als mens verandert van de slechte broer die Esau’s bechorah, zijn eerstgeboorterecht, afhandig maakte, tot iemand die ook zijn eigen fouten kan erkennen, die teshuvah kan doen, d.w.z. die tot inkeer kan komen, vergiffenis kan vragen en zich op een eerlijke, nederige en rechtvaardige manier kan gedragen. De worstelpartij staat dus puur in het teken van een spirituele strijd. Daarom is het belangrijk te zien dat zijn omkeer ingeluid wordt door zijn beslissing om een verzoening te zoeken met Esau.

ii. Jakobs strijd met God

Wanneer en waar, echter, heeft Jakob ooit met God gestreden? ‘Strijden met God’ betekent dat je Gods wil niet voor zoete koek neemt, maar juist tegengas geeft. Dat doet Abraham met God in de kwestie van Sodom en in zekere zin doet Mozes dat ook als hij God smeekt om vergiffenis aan het volk te verlenen na het incident met het Gouden Kalf.

Maar er is tot nu toe geen enkele episode in Jakobs leven geweest die hiermee vergelijkbaar is. Waar heeft hij ooit een beslissing van God of een van Zijn vermeende intenties bestreden? Nergens! Hoe kan men dan de woorden ‘U heeft met God . . . gestreden’ begrijpen? Om deze vraag te beantwoorden moeten wij eerst inzien dat het grote verschil tussen Jakobs zogenaamd ‘strijd’ met God en die van Abraham en Mozes is dat Jakobs strijd symbolisch is voor wat er in hemzelf gebeurde, iets wat voor ons natuurlijk altijd onzichtbaar blijft. De onderhandelingen van respectievelijk Abraham en Mozes met God hebben echter een uiterlijk, dramatisch en zichtbaar karakter en staan niet symbool voor een innerlijke strijd. Beide mannen spreken met God en krijgen ook een antwoord. Voor ons is dat veel begrijpelijker! Maar Jakobs strijd kan niet gehoord worden. Het gebeurt in stilte. Zijn strijd met God wordt uitgebeeld in mime door middel van een worstelpartij.

Over welke innerlijke strijd gaat het dan? Zoals gezegd, de worstelpartij is geen op zichzelf staande gebeurtenis, maar maakt integraal deel uit van het verhaal van Jakobs verzoening met Esau, dat verteld wordt van Genesis 32:1 tot 33:17. Geen van onze vragen over deze mysterieuze episode kan beantwoord worden zonder ze in deze context te plaatsen. Om dit verder te specificeren, de hele episode bestaat uit 49 verzen waarbij de worstelpartij zelf, van 32:24 tot 32:32 zich bijna precies middenin het hele proces bevindt. Jakobs strijd met de engel zou dus iets te maken moeten hebben met zijn beslissing om verzoening met Esau te zoeken.

Want wat is het geval? In hoofdstuk 28 ging Jakob hals over kop weg op aanraden van zijn moeder omdat zij wist dat Esau van plan was om hem te vermoorden. Zijn twintigjarig verblijf bij oom Laban was één lange periode van loutering. In hoofdstuk 31 gaan Jakob en Laban uiteindelijk vreedzaam uit elkaar, maar het is op dat moment geenszins duidelijk waar Jakob met zijn familie precies heen wil reizen. Dat het terug zal gaan naar zijn geboorteland is zeker (zie 31:3) maar waarheen precies in zijn geboorteland wordt pas duidelijk in het begin van hoofdstuk 32, met de zin: ‘En Jakob zond boden voor zich uit naar zijn broeder Esau, naar het land Seïr, het gebied van Edom.’

Kan het zijn dat God tot Jakobs geweten had gesproken en hem op die manier duidelijk had gemaakt dat de weg naar de toekomst voor altijd geblokkeerd zal blijven als hij geen teshuvah doet? Dit zou de verklaring kunnen zijn voor de twee verzen die zijn verzoeningsbeslissing inleiden: ‘Ook Jakob ging zijn weegs en engelen van God ontmoetten hem. Toen hij hen zag, zei Jakob: “Dit is een leger van God!” Daarom gaf hij die plaats de naam Mahanaim’ (32:1-2). In het volgende vers al stuurt Jakob zijn boden naar Esau, alsof de engelen van God juist deze suggestie meegebracht hadden! De engelen die hij op zijn weg ontmoet had zijn ook uitbeeldingen van zijn eigen geweten, de stem van God die hij van binnen hoort. Het is deze stem die hem vertelt dat hij tot inkeer moet komen door zijn fout jegens Esau te erkennen en door als eerste een stap in zijn richting te zetten om de broederlijke relatie te herstellen. In dat geval is deze gewetensstem ook gelijk aan Jakobs yetzer tov, zijn ingeboren ‘neiging naar het goede’ die iedereen bezit.

Maar elke mens is ook met een yetzer ra opgezadeld, een ‘neiging naar het kwade’, en Jakobs yetzer ra wou helemaal geen eerste stap zetten, helemaal niet zijn fout toegeven of diep in het stof bijten voor Esau’s voeten! De yetzer ra bevat de trots van het ego, dat moeilijk een eigen fout kan toegeven, maar ook angst voor mogelijk tegenslag en wij weten dat Jakob doodsangst uitstond toen hij hoorde dat Esau naderde met een leger van 400 man (32:7). Zijn yetzer ra gooit zowel trots als angst als wapen in de strijd tegen de nederigheid en de moed van Jakobs yetzer tov, die hem zover gebracht heeft.

Deze onwil van Jakobs yetzer ra komt ons zo bekend voor! Het is datgene wat het voor ons allemaal zo ontzettend moeilijk maakt om werkelijk verantwoordelijkheid te nemen voor onze minder mooie daden, wat ons ervan weerhoudt om onze eigen fouten ridderlijk toe te geven, om echt teshuvah te doen, om de eerste stap te zetten, vergiffenis te vragen en om hardop te zeggen wat koning David tegen de profeet Natan zei, Chatati l’Adonai, ‘Ik heb voor God gezondigd.’

Zo gezien, is Jakobs strijd met de engel symbool voor een innerlijk strijd tussen twee machten binnen hemzelf, zijn goede kant, de yetzer tov, en zijn zwakke kant, de yetzer ra.

iii. Strijden met God en overwinnen?

God spreek tot Jakob via zijn yetzer tov, maar zijn yetzer ra kwam daar tegen in opstand. In die zin streed Jakob met God, maar omdat zijn yetzer tov uiteindelijk prevaleerde, kwam hij toch als overwinnaar uit de bus. Dit klinkt raar, want het was juist Jakobs yetzer ra die met zijn yetzer tov gestreden had! Als de yetzer tov won, is Jakob dan niet de verliezer en God de winnaar? Als wij heel zorgvuldig lezen, zei de engel niet dat Jakob van God had gewonnen, noch dat God een nederlaag had geïncasseerd, maar alleen dat Jakob met God en mensen had gestreden en had overwonnen. Zowel de yetzer tov als de yetzer ra waren waren aspecten van Jakob zelf, hij moest tussen de twee een keus maken, maar alleen één ervan was overeenkomstig Gods wil.

Het is nu eenmaal gebruikelijk dat als men in een innerlijke strijd verwikkeld raakt en iemands sterke kant over zijn/haar zwakke kant prevaleert, dat men haar/hem een ‘overwinnaar’ van zichzelf noemt. Anderzijds, als de zwakke kant wint van de ijn sterke kant, wordt men ook als ‘verliezer’ genoemd. Zo moeten wij begrijpen dat Jakob met God gestreden had en overwon!

Jakob zelf beseft heel goed dat zijn innerlijke strijd hem, misschien wel voor de eerste keer, in direct contact gebracht heeft met zijn yetzer tov, en dus met God. Het is alsof hij deze kant van zichzelf altijd onderdrukt heeft en daarom zo verbaasd is dat het in hem was. Zijn reactie is één van een wonderlijke openbaring: ‘Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, mijn leven is gered!’ (32:30).

De klank-harmonieën van de Hebreeuwse worden die de worstelpartij inluiden geven aan dat Jakob heel goed aanvoelde dat dit moment voor hem uiterst beslissend zou zijn. Het werkwoord vertaald als ‘worstelen’, vayye’aveq, klinkt in het Hebreeuws niet alleen als de naam Jakob (ya’aqov) maar ook als de naam van de rivier Jabbok (yaboq). De klank-gelijkenis van de drie woorden brengt het gebeuren (worstelen) en de figuur van Jakob samen met de plaats waar de worstelpartij zich plaats vindt, de Jabbok rivier. Door de rivier over te steken en niet terug te keren zou Jakob voor zijn yetzer tov kiezen, want Esau wacht hem op aan de westkant met zijn leger. Eigenlijk had Jakob hiervoor voor zijn yetzer tov gekozen! Want het is al duidelijk van 32:22-23 dat Jakob al de rivier overgestoken had ‘met zijn twee vrouwen, twee slavinnen en zijn elf kinderen’. Toch geeft de tekst ook aan dat Jakob niet met ze verder mee ging. Dat kleine groepje van 15 kwetsbare mensen moest zelf de weg naar Esau vinden: ‘Jakob bleef alleen achter’ (32:24). De vraag is, waarom?

Duidelijk is dat Jakob de Jabbok fysiek overgestoken had, maar daar nog niet psychisch klaar was voor. Of Jakob vreedzaam of vijandig ontvangen zal worden door Esau weet hij nog niet! Hij heeft alles gedaan in het hoofdstuk hiervoor om zijn nederigheid als jongere broer te tonen en Esau’s wraakgevoelens jegens hem te ontkrachten, maar hij is er verre van zeker van dat deze pogingen het gewenste effect zullen sorteren! Waarom zou hij anders achter blijven, ware het niet omdat hij de moed nog moest verzamelen om nog verder te gaan? Duidelijk is ook dat zijn yetzer ra al in opstand was gekomen tegen zijn beslissing om de Jabbok over te steken, en nu bezig was om hem wijs te maken dat hij de rivier weer over moest, terug naar de ‘veilige’ kant waar hij vandaan kwam, om zodoende het hazenpad te kiezen. Omdat beide yetzers tegelijk bezig waren op hem in te praten, was Jakob verlamd, daarom hij ‘bleef alleen achter.’ En dat is precies de reden dat in hetzelfde vers ‘een man kwam om met hem te worstelen’!

De Jabbok fungeert hier net als de Rubicon voor Caesar. Toen Caesar de Rubicon overstak riep hij de beroemde woorden, alea iacta est, de dobbelsteen is nu geworpen! Suetonius maakt melding van het feit dat ook Caesar zeer onbeslist was toen hij de rivier bereikte. Zou hij het oversteken of niet? Een oversteek zou een onvermijdelijk burgeroorlog betekenen, daarom aarzelde hij zo. Jakob bevond zich in een gelijke situatie! Hij was al de Jabbok overgestoken, dat was juist het probleem! Voor hem was de ‘dobbelsteen’ nu ook geworpen! Dat moest juist de reden zijn voor zijn paniek! Hij kon niet slapen, maar moest met de gevolgen van zijn beslissling de hele nacht worstelen alvorens zijn geweten en zijn moed de overhand konden krijgen over zijn trots en zijn angst! Want moedig was Jakob wel! Belangrijk is te zien dat hij de engel weigerde los te laten ook nadat hij de stoot kreeg die hem mank zou maken. Hij werd aan zijn heup geslagen in vers 25 en toch zegt hij in vers 26, ‘Ik zal u niet laten gaan, tenzij U mij zegent’!

Het is echter alleen in het begin van de volgende hoofdstuk dat het sluitende bewijs van zijn overwinning geleverd wordt. Het eerste vers van hoofdstuk 33, dat op de volgende dag plaatsvindt, laat zien dat Jakob verder ging naar Esau, i.p.v. de tocht afblazen en de rivier weer oversteken naar de ‘veilige’ kant: ‘Toen sloeg Jakob zijn ogen op en zag, en zie, daar kwam Esau, met vierhonderd man bij zich.’

iv. Met welke mensen streed Jakob?

De engel vertelde Jakob niet alleen dat hij gestreden had met God en overwon, maar ook dat hij met mensen gestreden had en overwon. Met welke mensen? Wij hebben net gezien dat Jakob zelf één van ze was, want hij moest, zoals ik hiervoor beargumenteerde, de zwakheid van zijn eigen ego overwinnen om ook de tweede stap door te zetten in Esau’s richting.

Maar het Hebreeuwse woord is ‘mensen’, dus in het meervoud, anashim. Welke andere mensen heeft Jakob overwonnen behalve zichzelf? Één van hen was natuurlijk Laban, zijn oom, die hem nog vast wilde houden maar van wie Jakob zich als een rijk man, met succes, en bovendien ook zonder bloedvergieten, vrij kon maken.

En een derde ’mens’ moet Esau zijn! Jakob weet dat Esau ook een yetzer ra heeft en ook niet zo’n kleine! Esau wilde hem immers zelfs vermoorden! Zou hij, Jakob, ook Esau’s yetzer ra kunnen overmeesteren? Dat zou betekenen dat hij de volgende dag een verzoening tot stand kon brengen zonder bloedvergieten, zoals hij dat eerder deed bij Laban? Elke overwinning op Esau zonder bloedvergieten zou een ongelooflijke prestatie zijn!

Achttien verzen eerder lijkt het immers duidelijk dat Esau van plan was om eindelijk zijn lang gekoesterde wraak tegen Jakob tot uitvoering te brengen toen hij hoorde dat zijn gehate broeder in de buurt was, en dat hij hem finaal in de pan kon hakken! De twintig jaar die gepasseerd waren hadden zijn woede tegen Jakob kennelijk niet doen bekoelen, maar juist doen toenemen. Daarom lezen wij tot twee keer toe het alarmerende bericht dat Esau al op weg was naar Jakob met een leger van 400 man (Genesis 32:6, 33:1)! Misschien verwachte hij dat Jakob ook een leger bij zich zou hebben! Alle mensen hebben er een handje van om hun eigen trekjes op anderen te projecteren! Het is tekenend voor het thema van Jakobs geweldloosheid dat zijn enige ‘leger’ louter uit vrouwen en kinderen bestaat, maar geen gewapende mannen!

Jakob wist zelf heel goed wat die 400 man betekenden – als gezegd, de Thora vertelt ons dat hij, toen hij dit hoorde, hevig schrok en dat het angstzweet hem uitbrak (32:7). Nu pas begrijpt hij dat hij, na zijn strijd met Laban en met zichzelf nu ook een derde strijd moet leveren, namelijk één met Esau’s yetzer ra! Hij zal Esau’s agressieve gevoelens jegens hem volledig moeten ontwapenen voordat hij en zijn broer tot een wederzijdse verzoening kunnen komen, maar hoe zal hij te werk gaan om dit te bewerkstelligen?

Rasji had al gezegd dat de engel met wie Jakob worstelde de boze geest van Esau was, die overwonnen moest worden voordat Jakob ‘Israël’ genoemd kon worden. Teshuvah, tot inkeer komen, is op zich een groot goed, maar het moet wel van twee kanten komen om verzoening tot stand te brengen! Jakob kent Esau heel goed en gaat meteen bijzonder tactisch te werk wanneer hij in 32:7 hoort dat Esau in aantocht is met een grote legermacht. Zijn psychologisch inzicht in Esau is enorm! Hij weet dat het werkelijke probleem bij Esau helemaal niet de diepere betekenis van het eerstgeboorterecht is dat hij van Esau had afgetroggeld – voor de bechorah zelf heeft Esau ‘minachting’ gehad, zo zegt de Thora in 25:34 - maar alleen de hoge eer, de égards, die dat recht met zich meebrengt waardeerde. Esau was per slot van rekening de oudere broer, maar kreeg nooit de eerbied van Jakob die de positie van oudere broer vereist. Jakob wil nu al die eer en alle égards van de bechor, of eerstgeborene, dubbel en dwars aan Esau terugbetalen, met ‘rente,’ als het ware! Door dit te doen zal hij proberen om wat er gebeurd is voor Esau’s gevoel om te keren, hij zal Esau proberen het gevoel te geven dat hij weer het eerstgeboorterecht bezit, een positie waarin de jongere broer de oudere broer hoort te erkennen als zijn meerdere, een persoon tegenover wie men ‘u’ zegt en zich nederig probeert op te stellen.

Hoe doet Jakob dit? De Thoratekst geeft ons een bijzonder inzicht in Jakobs strategie: ‘Jakob dacht: “Ik zal proberen Esau mild te stemmen met het geschenk dat ik vooruit stuur; pas daarna durf ik hem zelf onder ogen te komen, misschien is hij dan bereid mij welwillend te ontvangen”’ (32:21). Om te beginnen, stuurt hij een enorme kudde van allerlei dieren vooruit naar Esau bij wijze van geschenk, maar hij zorgt ervoor dat dit imponerende geschenk verdeeld wordt in zes kleinere kuddes, de eerste met 200 geiten en 20 bokken, de tweede met 200 ooien en 20 rammen, de derde met 30 nog zogende kamelen met hun veulens, de vierde met 40 koeien, de vijfde met 10 stieren en de laatste met 20 ezelinnen en 10 ezelhengsten. Elke kudde stelt hij onder toezicht van een knecht en die stuurt hij met tussenpozen op weg zodat ze niet tegelijkertijd kunnen aankomen. Op deze manier wekt hij bij Esau de indruk dat hij zes verschillende cadeaus krijgt in plaats van maar één.

Jakobs aard om de ander te slim af te zijn is nog duidelijk in hem aanwezig, want hij weet dat hij hierdoor eerder de kans loopt zijn broer gunstig te stemmen en daar maakt hij handig gebruik van. Een groot cadeau opgedeeld in zes kleinere cadeaus lijkt meer te zijn, maar het is wel gezichtsbedrog! Hier zien wij wederom de paradox van het goede doel dat echter alleen bereikt kan worden door een berekenende houding. Om de paradox nog verder op de spits te drijven geeft de Thora ons het idee dat de verzoening tussen de broers op geen enkele andere manier bereikt had kunnen worden!

Maar het is ook meer dan ‘gezichtsbedrog’. De opdeling gaf Jakob ook de kans om dezelfde boodschap aan Esau herhaaldelijk over te brengen, zodat Esau keer op keer weer hetzelfde hoort, namelijk: ‘Ik hoor bij Uw dienaar Jakob, en dit is een geschenk dat bestemd is voor zijn heer, voor Esau.’ Vanaf de tweede knecht voegt Jakob de volgende zin aan deze boodschap toe: ‘Uw dienaar Jakob komt zelf achter ons aan.’ ‘Uw dienaar’ en ‘mijn heer’! Dit is de taal van de jongere broer die door constante herhaling benadrukt dat hij zijn plaats kent als de tweede van de tweeling, en ook de eer erkent die de eerstgeborene altijd toekomt. De kuddes zijn een materieel cadeau voor Esau, maar Jakobs taalgebruik is een geestelijke cadeau, speciaal bedoeld om de égards die bij de eerstgeborene horen aan Esau terug te geven.

Het waren dus niet alleen de zes kuddes die Jakob aan Esau cadeau gaf! Tegen de tijd dat de zesde en laatste knecht met zijn kudde aankwam en Jakobs boodschap doorgaf, had Esau al 12 keer gehoord dat Jakob zijn eved was, zijn ondergeschikte of dienaar, en 8 keer dat hijzelf Jakobs adoni, oftewel zijn meerdere, was. Voordat de knechten gestuurd werden met hun cadeaus had Jacob al boodschappers vooruitgestuurd die het woord eved al één keer in de mond hadden genomen en twee keer het woord adoni (32:4). De eerste knecht die Esau bereikt noemt beide woorden één keer (32:17-18), maar de volgende vijf knechten noemen het woord adoni één keer en het woord eved twee keer.

Daar blijft het niet bij. Als de broers elkaar tenslotte ontmoeten, noemt Jakob zichzelf nóg eens Esau’s eved en noemt hij Esau nog vier keer zijn adoni. In totaal laat Jakob Esau dus 13 keer horen dat hij, Jakob, alleen maar Esau’s dienaar is en 12 keer dat Esau zijn meester is! De jongere broer geeft zijn oudere broer hiermee alle eer die hem toekomt door zijn dominante positie als bechor, de eerstgeborene, meermalen te erkennen.

Het onderverdelen van het grote kudde-cadeau aan Esau in zes aparte kleinere cadeaus was dus een psychologische meesterzet, die Jakob voor elkaar krijgt door zijn zeer zorgvuldige en herhaalde woordkeus bij monde van de verschillende knechten, maar ook bij monde van hemzelf op het moment dat hij uiteindelijk tegenover Esau stond. ‘De stem is de stem van Jakob, maar de armen zijn de armen van Esau’. Jakob is de man van de stem, Esau van de sterke armen die hij gebruikt om wild te doden met zijn pijl en boog. En het past geheel in Jacobs karakter dat hij mede met zijn stem en met zijn zorgvuldige woordkeuze in staat zal blijken de macht van Esau’s yetzer ra volledig te ontwapenen!

Zijn grootste cadeau aan Esau bestond niet zozeer uit de zes kuddes dieren, maar uit zijn barrage van zalvende woorden!

v. Rasji de psycholoog

Jakob stuurde de zes kuddes met de steeds weer herhaalde boodschap in 32:17-20, vóórdat hij de worstelpartij bij de beek Jabbok onderging. De kuddes met de boodschappen zouden bij Esau aankomen vóór Jakob zelf, maar Jakob kon op dat moment niet weten of ze hun doel wel of niet hadden bereikt. Daarom was hij buitengewoon gespannen toen hij op de westelijke oever van de Jabbok in zijn eentje kwam te staan.

Als wij nu, zoals Rasji dacht, de engel gaan zien als de geest niet van Jakobs, maar van Esau’s yetzer ra, die Jakob echter dood wilde hebben, en Jakobs rol in de worstelpartij als die van een broer die alleen maar minzaam zichzelf stand wil houden zonder de tegenpartij te vernederen, krijgt de hele episode een speciale, psychologisch betekenis die geënt is op de verzoeningspoging en Jakobs angsten dienaangaande. Ten eerste, is het van eminent belang, zoals gezegd, dat het de engel is, en niet Jakob, die de rol van agressor vervult. De engel valt Jakob aan, net als Esau lijkt van plan Jakob aan te vallen! De engel geeft Jakob een stoot onder de gordel, net als Esau dat zou willen doen!

Op een bepaalde manier staat de engel dus ook voor de agressieve Esau, net als Rasji dacht. Jakobs uiteindelijke overwinning op de engel is dus een belangrijk voorteken voor hem dat hij Esau’s kwade geest wel overwonnen heeft met zijn cadeaus en nederige boodschappen die vooruit gestuurd waren. De uitkomst van de worstelpartij spreekt hem hierbij de nodige moed in om de verzoening met Esau door te zetten en niet op het laatste moment de hele onderneming af te blazen!

vi. De ontmoeting

De ontmoeting zelf volgt in hoofdstuk 33, waar Esau inderdaad zijn opwachting maakt met een leger van 400 man. Om het zekere voor het onzekere te nemen, zet Jakob nu de vrouwen en kinderen achter zich en loopt zelf vooruit in de richting van Esau. Het is hier ook interessant om nog een keer te benadrukken dat Jakobs gezelschap niet alleen geen wapens bij zich heeft, maar dat het ook voornamelijk uit vrouwen en kinderen bestaat, afgezien van de paar bodes en knechten die door hem vooruit gestuurd waren. Net als bij hun geboorte krijgt de tweeling een symbolische typering waarbij Esau wederom geassocieerd wordt met het mannelijke, en Jakob met het vrouwelijke. En voor de tweede keer wint hier de niet-gewelddadige, vrouwelijke kant!

Om nu zijn gebruik van de woorden eved en adoni kracht bij te zetten, buigt – of moeten wij zeggen bijt - Jakob vervolgens zeven keer diep in het stof voor Esau’s voeten. Zijn bijvrouwen en hun kinderen laat hij ook voor hem buigen, daarna Lea en haar kinderen en daarna Rachel en Jozef. Voor Esau’s gevoel is het eerstgeboorterecht nu terug in zijn bezit, zijn yetzer ra is geheel overmeesterd en zijn eigen yetzer tov bevrijd! Nu neemt Esau het initiatief, deze keer niet als agressor, maar als vredestichter: ‘Esau rende hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem. Beiden lieten hun tranen de vrije loop’ (33:4). Esau kuste hem: de zoen in ‘verzoening’ is nu wederzijds geworden, en de Thora schijnt drie hoofdstukken verderop zowel de verzoening als Esau’s herwonnen eer als bechor te erkennen als het in hoofdstuk 35:29 Esau en niet Jakob als eerste noemt wanneer Izaäk begraven wordt door zijn beide zoons.

vii. ‘Eind goed, al goed!’

Jakobs worstelpartij kan dus ook gezien worden als een strijd tussen Esau’s yetzer ra en Jakobs yetzer tov, waarin Jakob voor de derde keer een overwinning behaalt op een mens. Zijn geestelijke kracht was niet alleen in staat zijn eigen yetzer ra te overwinnen, maar ook die van Esau. Hij was in staat om een verzoening met zijn broer tot stand te brengen en Esau’s wraakgevoelens om te buigen tot liefde. Dit is de werkelijke reden waarom Jakob voortaan Israël mag heten, en het is ook het zaad waaruit enkele hoofdstukken later het grootste verhaal van vergeving uit de Thora, dat van Jozef en zijn broers, nog zal groeien.

Dat verhaal is een spiegelbeeld van ons verhaal. In het onze zet de oorspronkelijke agressor, Jakob, de eerste stap in de richting van zijn slachtoffer, Esau, die hem vergeeft, terwijl in het Jozef-verhaal het slachtoffer Jozef diegene is die de eerste stap zet in de richting van zijn broers, die de agressors waren. Als het de agressor is die de eerste stap zet op weg naar een verzoening, moet hij daarvoor een innerlijke strijd hebben gevoerd dat tot zijn inkeer, zijn teshuva, heeft geleid. Als het slachtoffer is die de eerste stap zet, moet hij evenzeer een innerlijke strijd voeren om zijn wraakgevoelens kwijt te raken en de agressor te kunnen vergeven.

Toch zijn de thema’s van geweldloosheid, inkeer, moed, vergiffenis en verzoening veel belangrijker als verbindende elementen tussen Jakobs worstelpartij en Jozefs vergiffenis van zijn broers, dan de verschillen. Jakob was Jozefs vader en dus ook zijn direct morele voorbeeld. Jozef op zijn beurt was ook de geestelijke ‘vader’ van Jezus. Het is zeker ook geen toeval dat de naam van de echte vader van Jezus ook ‘Jozef’ was! Het dramatisch en zeer emotioneel verhaal van Jozefs vergiffenis van zijn broers, het langste en grootste verhaal van de hele Thora, maakte een diep en onuitwisbaar indruk op Jezus. Toen hij op de kruis zei, ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’ is het alsof hij Jozefs vergevende woorden nog in zijn oren hoorde, ‘Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte verkocht hebben . . .’ Zelfs zijn conceptie van zijn eigen missie lijkt geënt op die van Jozef, die zijn broers uitlegde: ’God heeft mij vooruit gezonden . . . [om] jullie door een grote redding in het leven te houden’ (Genesis 45:4, 7). Zo dacht Jezus dat hij ook door God gestuurd was om ‘te redden’: ‘De zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te grond te richten, maar om ze te redden’ (Lukas 9:56).

Jakob – Jozef – Jezus. De worstelpartij met de engel heeft dus ook, door Jozef als schakelfiguur, een niet te onderschatten invloed op de religie van de Nieuwe Testament gehad. Het is allemaal één lang verhaal!

Voor zowel de Thora als de Nieuwe Testament blijven geweld schuwen, tot inkeer komen, moed vinden, vergiffenis vragen en verzoening tot stand brengen de kernlessen voor alle mensen. Alle vijf van deze idealen komen samen in het verhaal van Jakobs worstelpartij met de engel. Denkend aan Jakob als hij een hele nacht lang worstelt zowel met zijn eigen yetzer ra als met die van Esau, moeten wij de wijze woorden van Rabbi Natan herinneren: ‘Wie is de ware held?’ ‘Diegene die in staat is om van zijn vijand een vriend te maken.’ (Avot de Rabbi Natan, 23).

Discussievragen:

1. Jakob en Esau zijn verzoend, maar in 33:12 en 33:15 gaat Jakob niet in op het aanbod van Esau om hem te vergezellen op zijn verdere tocht, noch op zijn aanbod om hem een aantal van zijn manschappen mee te geven. In vers 17 gaat Jakob alleen met zijn eigen gezelschap helemaal een andere kant op. Hij wil kennelijk niet bij zijn broer blijven! Esau lijkt verzoend te zijn met Jakob, maar is Jakob wel echt verzoend met Esau? Hoe begrijpt U dit?

2. ‘Jakobs’ oude naam had het Hebreeuwse woord voor ‘hiel,’ in zich omdat hij de hiel van zijn broer vasthield tijdens hun geboorte (Gen. 25:26). Dit wordt alom geïnterpreteerd als voorteken dat hij later zijn broer zal ‘terugtrekken’ van zijn positie als eerstgeborene om in zijn plaats te komen. Zijn nieuwe naam, Israël
heeft niets met Esau te maken, maar wel iets met God. ‘El’ aan het einde van een Hebreeuwse naam betekent altijd ‘God’, en ‘Isra’, het eerste deel van zijn nieuwe naam, betekent ‘strijder’. Maar omdat er geen voorzetsel staat tussen ‘Isra’ en ‘el’, kan de naam zowel ‘strijder voor God’ betekenen als ‘strijder met (oftewel tegen) God.’

Hoe relevant is deze ambiguïteit wat betreft Jakob zelf? Is hij een ‘strijder’ geweest zowel met/tegen God als voor hem? Kunt u andere figuren bedenken waar men deze ambiguïteit ook vindt?

Als men probeert om met en voor met elkaar te verbinden, dan moeten wij concluderen dat alleen diegenen die met God gestreden hebben zijn degenen die ook voor Hem zijn!

3. Volgens de interpretatie die hier gegeven is, wat is dan het verschil tussen de engel van de worstelpartij en al de andere engelen in de Thora?

4. Een merkwaardig feit is dat Jakobs naam na Genesis 32:29, nooit consequent veranderd wordt naar ‘Israël,’ ondanks het feit dat de naamsverandering bevestigd wordt door God zelf in 35:19. Integendeel, tot aan zijn dood zullen beide namen door elkaar gebruikt worden! Soms gebeurt dit zelfs in één en hetzelfde vers! Zie bijvoorbeeld Genesis 48:2 – ‘Toen men aan Jakob meegedeeld had: “Zie, uw zoon Jozef komt tot u,” verzamelde Israël al zijn krachten en ging op het bed zitten.’

Wat is volgens u een mogelijke verklaring hiervoor? Zou het kunnen betekenen dat Jakob eigenlijk niet voor 100% een nieuwe mens is, maar alleen gedeeltelijk zo? De ‘oude Jakob’ zit dan nog steeds in hem. Een voorbeeld hiervan is zijn beslissing om Jozef uit te sturen als een soort ‘spion’ naar zijn broers, om daarmee achter te komen of zij verantwoordelijk bezig zijn met zijn kuddes. Zo gezien is de naamsverandering in hoofdstuk 32 half een beloning, half een aanmoediging voor Jakob om de nieuwe naam waardig te worden! Het feit dat zijn oude naam zo vaak hierna gebruikt wordt geeft aan dat er nog veel werk aan de winkel is voor hem!

5. Nadat de engel hem tijdens hun worstelpartij op zijn heup sloeg, loopt Jakob/Israël mank (Genesis 32:31). Welke symbolische betekenis kan dit detail volgens u hebben? Is het alleen een verklaring voor het feit dat Joden de heupzenuw niet mogen eten, de gid hanesha (32:33)? Welke, verder symbolische betekenis zou het kunnen hebben? De joodse spijswetten hieromtrent werden gevonden in de Shulchan Aruch, (Yoreh De’ah par. 65).

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.