Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 25: 19-34

Zondag 18 september 2016 

Esau en Jacob


door Dodo van Uden

Vers 27
In het algemeen geeft de Bijbel geen beschrijving van wat voor mens iemand is. Dat blijkt uit zijn of haar daden. Esau en Jacob vormen een uitzondering:

“Esau was een man,
kennende de jacht,
een man van het veld”

‘Kennen’ (jada) heeft een sterke ondertoon van ‘liefhebben’, ‘zich verbonden voelen met’ (vgl. Hosea 6:6; Gen. 4:1; Ex. 2:25).

“en Jacob was een man,
gaaf (tam),
zittend in tenten”

Het woord tam wordt heel verschillend vertaald. Een kleine greep: oprecht (Statenvertaling), huiselijk (NBG), hield van een geregeld leven (Groot Nieuws), rustig (Willibrord, NBV), braaf (Onderwijzer), vroom (Vredenburg), ingetogen (Dasberg).
De basisbetekenis van tam vinden we bij het offerdier. Dat hoort tamiem (een nevenvorm van tam) te zijn, gaaf, zonder gebreken (zie bijv. Ex. 12:5; Lev. 1:3). Volgens de 19e eeuwse commentor S.R. Hirsch (The Pentateuch. Vol I Genesis, p.426v) betekent tam toegepast op een mens 'gaaf' in de zin van 'uit één stuk', 'rechtlijnig', 'op één doel gericht'.
Volgens de midrasj en vele middeleeuwse Joodse commentaren blijkt het doel waar Jacob op gericht was, uit de woorden 'zittend in tenten'. Want een tent dient niet alleen om in te wonen. In Ex. 33:11 lezen we dat Jozua 'niet week uit de tent [van Mozes].' Waarom niet? Volgens de Talmoed (Menachot 99b) omdat hij zich niet kon losrukken van de woorden van de Tora. Een tent dient ook om in te leren.
En dat zou ook verklaren waarom er 'tenten' staat en niet 'tent'. Jacob zat in verschillende tenten. In zijn woontent en in zijn studeertent (Sforno, 16e eeuw, Italië). Of hij leerde bij zoveel mogelijk verschillende wijzen (Radak, 12e-13e eeuw, Frankrijk). Of hij bracht zoveel mogelijk tijd door in de tenten van Abraham en Izak om van hen te horen over de opdracht die zij ontvangen hadden (zie ArtScroll Tanach Series, Bereishis p.1064).

Volgens deze benadering is Esau een hartstochtelijk jager die een groot deel van zijn tijd doorbrengt in het vrije veld, terwijl Jacob gefascineerd is door de opdracht aan zijn grootvader en vader en een groot deel van zijn tijd daarmee bezig is.

Vers 29-34
Deze verzen vertellen het bekende verhaal waarin Esau zijn eerstgeboorterecht aan Jacob 'verkoopt' voor een portie linzensoep. Volgens de Talmoed (Bava Batra 16b) speelt dit verhaal zich af op de dag dat Abraham sterft. Dat betekent dat Esau en Jacob op dat moment 15 jaar oud zijn (vgl. Gen. 25:7; 21:5 en 25:26). De 'verkoop' is dus niet een serieuze wettelijke transactie, maar een spel dat een scherp beeld geeft van wat de twee jongens belangrijk vinden. De inzet van dit spel is het eerstgeboorterecht.
Aan het eerstegeboorterecht zitten twee kanten. Ten eerste een materiële kant: de drager van het eerstgeboorterecht (in principe de oudste zoon, maar de vader kan het recht ook aan een van zijn andere zonen geven) krijgt een dubbel deel van de erfenis. En ten tweede een geestelijke kant: de drager van het eerstgeboorterecht wordt de opvolger van zijn vader als geestelijk leider van de clan. Het spel tussen Esau en Jacob gaat over de vraag: wie wordt degene die de weg van Abraham en Izak zal voortzetten, wie wordt de volgende drager van de goddelijke opdracht aan Abraham en Izak?
Hirsch geeft de volgende verhelderende parafrase van het verhaal:

Esau komt 's avonds hongerig thuis en Jacob is juist soep voor zich¬zelf aan het koken. 'Gauw', zegt Esau, 'geef me wat van die lekkere rode prut, het water staat me in de mond'. Jacob geeft hem van de soep en zegt: 'Zoals jij hunkert naar deze soep, zo hunker ik naar het eerstgeboorterecht. Jij zwerft de hele dag in de bossen rond, en ik vraag me ineens af hoe het zou gaan als vader vandaag of morgen sterft en Abrahams huis in een jachtpavil¬joen zou veranderen. Daarom hunker ik naar het eerstgeboorterecht zoals jij naar de soep'. Hieraan kunnen we nog toevoegen dat dit, volgens de Talmoed, gebeurde op de dag van Abrahams dood; bij Jacob kan dan heel goed de gedachte opgekomen zijn: Hoe zou het geweest zijn wanneer niet mijn vader Izak, maar Ismael Abraham was opgevolgd? En in het verlengde daarvan: Nu is grootvader dood, en de kleinzoon die uiteindelijk zijn plaats moet innemen en zijn geestelijke taak moet voortzetten, brengt de hele dag door met rondzwerven in de velden om te jagen. Zo gezien wordt het hele verhaal van de twee jongens even begrijpelijk als hun gedrag karakteristiek is. [S.R. Hirsch, The Pentateuch. Vol I Genesis, p.428v]

Een fascinerende analyse van de relatie tussen Esau en Jacob is te vinden in: Arthur I. Waskow, Godwrestling (New York 1978)

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.