Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 34: 27-35

Zondag 17 maart 2019

Ds. G.A. Trouwborst, Nieuwleusen

Dit gedeelte uit Exodus is niet eenvoudig uit te leggen.

Het vindt plaats ná de zonde met het gouden kalf. Mozes krijgt de opdracht om opnieuw de geboden op te schrijven. Letterlijk staat er:

Schrijf voor jezelf deze woorden op (34:27)

Een vraag is: wat betekent deze uitdrukking ‘voor jezelf’? Het is een uitdrukking die doet denken aan de opdracht aan Abram om op reis te gaan (Ga voor jezelf, weg uit je land, etc. Gen.12:1 vv). Abram moet zich losmaken van zijn vaderhuis en volk, en ‘voor zichzelf’ op reis gaan. Zijn daarom nu ook de geboden die Mozes op moet schrijven meer voor Mozes dan voor het volk bedoeld? Of mogen we deze woorden ‘voor jezelf’ opvatten als een algemene zegswijze die ‘gewoon’ aanduidt dat het Mózes is, die ze moet opschrijven?

We laten deze vraag even rusten, en lezen vers 28:

Hij (uit de grammaticale context lijkt het logisch dat Mozes bedoeld is, hoewel God uiteraard niet geheel valt uit te sluiten) schrijft op de platen de woorden van het verbond, de tien woorden. (34:28)

Er vanuit gaande dat het Mozes is die de woorden opschreef (mede afgaande op de opdracht van God aan Mozes om dit te doen) ontstaat er een moeilijkheid met Exodus 34:1, waar we immers lezen dat God aankondigt om zélf de stenen tafelen te beschrijven:

De ENE zegt tot Mozes: hak je twee stenen platen uit, als de eerste; schrijven zal ik op die platen de woorden die geweest zijn op de eerste platen, die je hebt verbrijzeld. (34:1)

En om de problematiek nog eens extra ingewikkeld te maken wijken de woorden uit Exodus 34 sterk af van die uit Exodus 20 (de eerste versie van de Tien Woorden).

Door Joodse uitleggers wordt daarom traditioneel wel een onderscheid gemaakt. De versie uit Exodus 20 wordt wel aanduid met de ‘ethische tien woorden’ (aangezien deze voor een belangrijk gedeelte betrekking hebben op de intermenselijke ethiek) terwijl de versie uit Exodus 34 de ‘cultische tien worden’ wordt genoemd, aangezien deze geboden vooral betrekking hebben op de (cultische) relatie tot God. De cultische tien woorden worden wel als volgt ingedeeld:
1. Verbod op het buigen voor andere goden (34:14)
2. Verbod op het maken van gegoten godenbeelden (34:17)
3. Gebod om het feest van de matses (Pesach) te vieren (34:18)
4. Gebod om eerstgeboren dieren en zonen aan God toe te wijden (34:19)
5. Gebod tot het houden van de Sabbat (34:21)
6. Gebod tot het vieren van het Wekenfeest (34:22)
7. Verbod om bloed van een offerdier over iets gegists te brengen (34:25)
8. Verbod om een pesachoffer tot de volgende morgen te bewaren (34:25)
9. Gebod om eerstelingen van de oogst in Gods huis te brengen (34:26)
10. Verbod om een bokje te koken in de melk van de moeder (34:26)

Hiermee zijn we er echter nog niet.

Uit Deuteronomium 10:1-4 valt immers af te leiden dat God zowel de eerste als de tweede versie van de Tien Woorden eigenhandig schreef (beide volgens de tekst van Ex.20, de ‘klassieke Tien Geboden’ zogezegd). Mozes vertelt daar:

Toen schreef hij (God, red.) op de platen in hetzelfde schrift als het eerste de tien woorden, welke de ENE tot u heeft gesproken op de berg, vanuit het vuur, ten dage van de vergadering. Toen gaf de ENE ze aan mij. (Deut.10:4)

Door rabbijnen is dan ook de conclusie getrokken dat Mozes de tweede ‘tien woorden’ (de cultische dus, waarvan hier, in Ex.34, sprake is) ‘voor zichzelf’, dat wil zeggen: ‘zelf’ opschreef, hetzij op de achterzijde van de door God beschreven tweede set stenen tafelen, hetzij op nog weer andere stenen tafelen. Deze tien woorden worden in deze visie als complementair beschouwd aan de versie die God schreef (Zie hiervoor bijv. R.E. Friedman, Commentary on the Torah, p.294).

Maar hoe dit alles ook zij, in ieder geval was er bij dit schrijven van de heilige woorden en in Gods aanwezigheid zoveel goddelijk licht aanwezig, dat Mozes’ aangezicht er spontaan van oplichtte; zo sterk zelfs dat er een sluier aan te pas moest komen om de straling te temperen naar het volk toe. Daarmee lijkt Mozes zélf wel een soort ‘heiligdom’ te zijn geworden: evenals in de tabernakel het voorhangsel nodig was om Gods heerlijkheid af te schermen van het volk, moest ook Mozes zijn eigen aangezicht, waar Gods heerlijkheid afstraalde, bedekken.

Relatie met het Nieuwe Testament
Wanneer we nu deze lezing leggen naast de evangelielezing voor deze zondag (over de verheerlijking van Jezus op de berg, waar Gods heerlijke licht ook straalde, en ook Mozes in Gods luister bij Hem is) valt deze lezing wellicht te verdiepen, als we denken aan de hierboven genoemde cultische tien woorden. Immers: deze tien woorden gingen gepaard met een lichtglans die op Mozes afstraalde. Nu het hemelse licht op Jezus afstraalt: moeten we dan niet denken aan het verhaal van Mozes en de cultische tien woorden?
Bij nadere beschouwing – en bedenkend dat Jezus’ verheerlijking in verband staat met zijn komende dood en opstanding- is het verrassend hoezeer er lijnen lopen:
- Meerdere malen is er in de cultische tien woorden immers sprake van Pesach (het feest waarbij Jezus zou sterven en opstaan).
- Het gaat over de toewijding van eerstgeboren zonen aan God (Jezus als Gods Zoon die het offer van zijn leven aan Hem toewijdt)
- Het gaat over de Sabbat (die een belangrijke rol speelt bij Jezus’ kruisiging, graflegging en opstanding)
- Het gaat over het wekenfeest (dat voortvloeit uit Pesach – zo ook het Wekenfeest uit Hand.2, dat voortvloeit uit Jezus’ dood, opstanding en hemelvaart).
Het zijn maar enkele vermoedens, waar wellicht verder op doorgeborduurd kan worden. In ieder geval lijken de cultische tien woorden mee in herinnering geroepen te worden bij het verhaal van Jezus’ verheerlijking op de berg, en kunnen zij wellicht in relatie worden gebracht tot Jezus.
Maar ook op zichzelf genomen, puur binnen de context van Exodus blijvend, is de tekst reeds zeer veelzeggend, wanneer bedacht wordt dat, ondanks de zonde met het gouden kalf, God nota bene éxtra geboden/woorden meegeeft waarmee de relatie met Hem onderhouden en gevierd kan worden. En wat met Mozes de berg weer afdaalt is geen duisternis, maar vrolijk en genadig licht van Godswege!