Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 02: 1-5

Zondag 27 november 2016
Zondag 1 december 2019


door Coen Constandse

De boodschap van vrede uit Jesaja 2 klinkt in onze oren bijna als een cliché. Abraham Joshua Heschel stelt echter: ‘no philosopher in Greece, no philosopher anywhere in the world, in India of in China, was capable of dreaming even that there would be a time when war would be abolished and there would be peace. This is the message of the prophets.’ (In het interview met Carl Stern, ook op Youtube te vinden:
)

Jesaja 2:1-4 is een overbekende en geliefde tekst, die o.a. in de vredesbeweging en weerklank heeft gevonden (de zwaarden die ploegscharen worden; het rechtspreken tussen volkeren). In de kerk heeft ze – met de parallel in Micha 4 – een plaats op het leesrooster voor de periode van advent. In de synagoge is Jesaja 2 niet opgenomen in de haftorot, de lezingen verbonden met de wekelijkse lezing van de Tora. Wel wordt Jesaja 2:3 uitgesproken bij het nemen van Tora-rollen uit de ark in de synagoge. Een paar opmerkingen bij deze tekst.

1 De beweging van de volkeren richting Jerusalem/Sion is een terugkerende voorstelling in de Profeten (en de Psalmen). De bedoelingen zijn soms negatief, militair (belegering en bestorming) – en soms, zoals in Jes. 2 – positief, religieus, politiek en ethisch (bedevaart).
Belegeringen en veroveringen van Jerusalem – of de angst daarvoor – zijn historische ervaringen geweest. Tussen de grootmachten in het zuiden en het noorden en oosten zijn Israël en Juda veelvuldig letterlijk omstreden of bestreden gebied geweest.
De al dan niet eschatologische toekomstvisioenen van volkenbelegering of volkenbedevaart van de profeten sluiten aan bij de historische ervaringen en verbinden daar een vermanende of troostende boodschap aan. In Jes. 2:1-5 overweegt de troost, maar is de vermaning impliciet (vs 5, vs 3 en wellicht 4b).

2 Een belangrijk aspect om te onderkennen in de tekst is de onderscheiding van Israël en de volkeren, de gojim, en de betrekking tussen beide. Dit speelt – mede door de grote invloed van de ballingschap op de redactie van de Hebreeuwse bijbel – door heel de Tenach een fundamentele rol. Het volk Israël moet niet opgaan in de gojim, er niet aan gelijk worden, maar heeft door haar verkiezing een bijzondere functie. Die zit enigszins verborgen ook in Jes. 2:1-5: wat de volkeren eens zullen doen, is allereerst aan Israël (vgl. Paulus’ ‘eerst de Jood ...’). Tot het ‘laatste der dagen’ is het aan Israël om naar het huis van JHWH te gaan, om te leren en zijn wegen te gaan.
Opmerkelijk is wel dat Israël eerst (2:1-4) niet duidelijk genoemd wordt; de vreedzame werking speelt zich af tussen de volkeren onderling (al kan met ‘tussen volk en volk’ mogelijk ook het volk Israël bedoeld zijn).
Met dit aspect verbonden is de centrale plaats van Jerusalem/Sion, en (met Sion) de tempel (2:2 beet JHWH; 2:3 beet elohee jaakov). Daar vindt communicatie plaats, dus niet rechtstreeks, maar bemiddeld, via het huis van Jakobs God.

3 De volkeren gaan doen wat Israël doet (of zou moeten doen): horen en doen, hier in deze volgorde. De wegen gewezen krijgen en die vervolgens gaan.
Het ‘leren’ in vs. 4 – jilmedoe, lamad – heeft de connotatie van ‘gewend of gewoon zijn, zich wennen aan, gewoonte’. Het heeft uiteraard betrekking op het onderwijs, de Tora die in Jerusalem onderwezen wordt, kennelijk door de God van Jakob zelf.
Je kunt erover twisten of het onderwijzen en het oordelen (rechtspreken, ‘richten’) twee activiteiten zijn of één en hetzelfde. Hoe dan ook is er gehoorzaamheid bij de volkeren, en het ‘gericht’ leren zijn de oorlog niet meer.
Een spannend punt in de joods-christelijke ontmoeting is: hoe krachtig en effectief is dat ‘leren’ of lernen van de Tora? Hoe ver reikt dat? Kunnen wij geweld en oorlog als uitingen van de kwade aandrift in ons afleren? Dat lijkt toch ook deel van de verkondiging van Jezus en apostelen.

4 Wanneer dit zich zal voltrekken is aangeduid met be-achariet hajamim: in het laatste van de dagen. Is dat simpelweg toekomst of de uiteindelijke (eschatologische) toekomst? Het onwaarschijnlijke gebeuren suggereert dat wel. Maar het is misschien ook voor te stellen als een langdurig gebeuren, in plaats van één gebeurtenis. En dat waar volkeren en delen daarvan zich toewenden, en horen, leren en gaan en doen, dat daar al een wending is, en dat het daar met de dagen van de oorlog gedaan is.
Wat voor Israël als adres allereerst een belofte van troost is, is voor meeluisterende en –lezende gojim toch eigenlijk een opdracht waarmee al veel te lang gewacht is.

5 We zien gemakkelijk over het hoofd hoezeer de hierboven elementen ook uit Jesaja 2 voorondersteld zijn bij de evangelisten en apostelen, en hoezeer de komst van Jezus en de christelijke gemeente van Joden en niet-Joden in het licht hiervan werden begrepen. Het lijdt geen twijfel dat toen de Jezus-beweging zich openstelde voor niet-Joden, ze dit beleefde in verband met de profetische verkondiging over de volkeren. Ook voor Paulus blijft Jerusalem centraal (zijn collecte!). De lofzangen van Zacharias en Simeon in Lukas 1-2 plaatsen de komst van Jezus onmiskenbaar in het kader van de bevrijding van Israël, en vrede voor Israël te midden van de volkeren.