Joods-Christelijke Dialoog

Jeremia 14: 7-10, 19-22

Zondag 23 oktober 2016
Zondag 27 oktober 2019

door Leo Mock


Dit hoofdstuk past in de traditie van Deuteronomium, maar ook bij Lev. 26. Voorspoed en crisis zijn rechtstreeks te relateren aan de mate waarin Israël zich wel of niet committeert aan haar Verbond met God. Misschien een goed model in een tijd waarin er voor bepaalde tijden van zowel extreme overvloed en vrede als schaarste, droogte, honger of oorlog geen andere verklaring voorhanden was dan de religieuze. Maar ook in de moderne tijd kunnen we niet alles beheersen en voegen we veel nieuwe problemen toe aan oude die we tegenwoordig wel adequaat kunnen oplossen. Toch behandelt dit hoofdstuk 14 van Jeremia een fundamenteel probleem waar wij ook in de 21e eeuw niet een goed antwoord ophebben maar dat ook ons steeds verder uitdaagt: klimaat en milieu. In het hoofdstuk gaat het om een periode van extreme droogte die honger veroorzaakt, en mogelijk andere ellende. Ook wij kunnen het niet laten regenen – hoewel er kunstmatig wolkjes kunnen worden opgewekt die het laten regenen, maar dat is niet op grote schaal bruikbaar anders zou het wel allang gedaan worden. Juist het Midden-Oosten en Afrika zijn regio’s die al duizenden jaren door droogte bedreigd worden. Jeremia spreekt hier dus uit de directe ervaringswereld van de gelovigen – men ondervindt het probleem aan den lijve.

De vraag is wel of een schuldgevoel aan een probleem in de natuur – anders dan de huidige opwarming van de aarde die wetenschappelijk gezien deels aan de mens kan worden toegeschreven – die mens veel verder helpt: Al getuigen onze ongerechtigheden tegen ons, Here, doe het om uws naams wil. Want vele zijn onze afdwalingen, tegen U hebben wij gezondigd. Dan volgt er na deze schuldbekentenis een beroep op Gods macht en kracht, als of God wordt uitgedaagd iets te doen omdat God anders een slap figuur is waaraan je niets hebt – een opmerkelijke paradox: Waarom zoudt Gij zijn als een verbijsterd man, als een strijder die niet kan helpen? Gij zijt toch in ons midden, Here, uw naam is over ons uitgeroepen, laat ons niet aan ons lot over! 

Vervolgens wordt God aangespoord om de crisis op te lossen, niet vanwege onze verdiensten – want die zijn maar klein – maar om Zijn Naam: Verwerp niet om uws naams wil, onteer niet uw heerlijke troon! Gedenk; verbreek niet uw verbond met ons! Men wil zowel een beroep doen op Gods barmhartigheid maar ook op zijn prestige: zijn Naam en Troon (= Tempel of Israël zelf volgens Rasji; Jeruzalem volgens Kimchi). Niet handelen door God in dit geval brengt zijn eigen reputatie in diskrediet. Want iedereen weet toch dat alleen de echte God van Israël het kan laten regenen, en niet de afgoden: Zijn er onder de nietigheden der volken, die het laten regenen? Of kan de hemel regenstromen geven? Zijt Gij dat niet, Here, onze God? Zou dit een impliciet dreigement zijn dat anders sommige Israëlieten wel eens andere Goden om regen zouden kunnen gaan vragen en indien dit succes heeft dan zal dit op het conto van de afgod worden geschreven? God is immers zo met Israël verbonden, dat Gods succes ook Israël’s slagen is en Gods falen ook Israëls falen is.

Juist daarom is er plaats voor hoop: God is de ‘Hope Israëls’ (v. 8) en (v. 22) Zo zullen wij op U hopen, want Gij doet dit alles [= de regen brengen en de natuur besturen]. Een mooi beeld ook in vers 8 dat ‘Hope Israëls’ dat in het Hebreeuws Mikwe Jisraël is. Dit kan je ook lezen als: waterbad van Israël. Een mikwe is een waterbad dat voor een rituele reiniging wordt gebruikt. God zelf is als een reinigend (warm?) bad voor Israël ...