Joods-Christelijke Dialoog

Exodus 32: 7-14

Zondag 11 september 2016
Zondag 15 september 2019


Uit Tenachon Tora, nr 14 p. 219-220

Een Uitgave van de B. Folkertsma Stichting voor Talmudica (PaRDeS)

[bewerking door Henk Scholder & Niek de Wilde]

Het pleidooi van Mozes

Mozes, de trouwe herder
In onze sidra geeft Mozes ons een voorbeeld van waarachtig leiderschap: streng voor zijn volk, maar als een leeuw voor dat volk vechtend wanneer het bedreigd wordt, ook als het dat aan zichzelf heeft te wijten. Hoor hoe de Zohar (Wajera 106a) de grootheid van Mozes beschrijft:

Zei Rabbi Jehoeda: Wie heeft een barmhartige vader gezien als Abraham? Van Noach staat geschreven (Gen.6:13): 'Toen zei God tot Noach, het einde van alle vlees is voor Mij gekomen...Maak je een ark van goferhout. En hij zweeg; hij zei niets en vroeg niet om erbarmen [voor de wereld]. Maar toen de Heilige Hij zij gezegend tot Abraham zei (Gen. 18:20): 'Het schreien uit Sedom en Amora is groot...Laat Ik toch afdalen om te zien' volgt er meteen: 'En Abraham naderde en zei: Zult u de rechtvaardige verdelgen met de goddeloze ?

Zei Rabbi Elazar: Ook Abraham handelde niet volmaakt. Noach deed niets, noch het een noch het ander [hij vroeg niet als Abraham erbarmen over de rechtvaardigen en niet als Mosj over de overtreders, zoals straks volgt]. Abraham vroeg een rechtzitting, zoals het hoort, opdat de rechtvaardige niet omkomt met de booswicht. Hij begon met vijftig recht-vaardigen maar hield op bij tien en maakte zijn werk dus niet af: hij vroeg geen erbarmen ongeacht of het om rechtvaardigen of om goddelozen gaat... En wie handelde wel vanuit ware volmaaktheid? Dat is Mozes. Want toen de Heilige Hij zij gezegend zei (Ex.32:8): 'Ze zijn snel afgeweken van de weg...en hebben zich een gegoten kalf gemaakt en er zich voor neergeworpen', wat volgt dan meteen? 'Toen bad Mozes voor de Eeuwige,' enz., tot (32:32) 'Welnu, wanneer U hun zonden zou vergeven! En wanneer niet, wis mij dan uit Uw boek dat U geschreven hebt.' En hoewel ze allemaal gezondigd hadden, week hij niet van zijn plaats tot Hij hem zei (Num. 14:20): 'Ik vergeef, zoals je gezegd hebt.'

Mozes heet in de Zohar dan ook 'de getrouwe herder'.
Ramban brengt Mozes's pleidooi Wis me uit Uw boek dat Ge geschreven hebt in verband met de visie van Jesjaja (hfdst. 53), over degeen die anderen verlost ten koste van zichzelf: 'Volgens mij zegt Mozes in feite: Wanneer U hun zonden niet in erbarmen draagt, wis in plaats daarvan dan mij uit het boek van het leven, dan draag ik hun straf, zoals er staat in Jesjaja (53:5) Maar hij is doorboord voor onze misdaden, gebroken voor onze overtredingen, tuchtiging terwille van onze vrede was op hem.
En de Eeuwige antwoordt: De overtreders wis Ik uit Mijn boek, jou niet, want jij hebt niet overtreden. Volgens Ramban is Mozes niet alleen de getrouwe herder, maar ook de 'knecht van de Eeuwige' in de visie van Jesjaja.
[Volgens Da'at Mikra heeft Jesjaja met de 'knecht van de Eeuwige' het volk Israel op het oog.]

Gebed van Mozes (Ex. 32:11-13)
In Ex.32:7-10 onthult God aan Mozes dat het volk dat hij (Mozes!) uit Egypte gevoerd heeft is afgeweken van de Tora (die immers het maken van beelden en zich daarvoor neerwerpen verbiedt; vgl. 20:4-5); dat Hij het in Zijn toorn wil vernietigen, om alleen met Mozes verder te gaan. Mozes reageert in zijn gebed aldus: 32:11 Waarom Eeuwige, zal U toorn ontbranden op Uw volk dat Ge gevoerd hebt uit het land Egypte, met grote kracht en sterke hand.
Vgl. dit met 32:7, waar God tot Mozes zegt: verdorven heeft het je volk, dat je gevoerd heb uit Egypte. Volgens de midrasj (Sjemot.R. 43,7) wijst Mozes de Eeuwige heel delicaat op het feit dat het ook Zijn volk is, dat Hij heeft uitgeleid (vgl. 3:7). Maar waarom wijst Mozes in zijn gebed zo nadrukkelijk op 'de grote kracht en sterke hand' waarmee de Eeuwige Zijn volk uit Egypte bevrijdt heeft? Volgens Abravanel wil hij hiermee aangeven dat het volk eigenlijk helemaal niet uit Egypte wílde trekken, en daarom met grote kracht en sterke arm verlost moest worden. Maar dan moet God ook niet kwaad worden wanneer ze terugvallen in de afgodendienst die hun een tweede natuur was geworden. De midrasj (Sjemot.R.43,8) formuleert het nog krasser. Hij vergelijkt de situatie met iemand die voor zijn zoon een parfumeriewinkel opent in een rode lichtjes-buurt en dan kwaad wordt wanneer de jongen het verkeerde pad opgaat.

32:12 Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: met boos opzet heeft Hij ze uitgeleid, om ze in de bergen om het leven te brengen en ze van het aangezicht van de aarde te verdelgen? Keer terug van het ontbranden van Uw toorn en berouw het onheil over Uw volk.
Hier vereenzelvigt Mozes zich met Gods eigen plan. In de woorden van Ramban (op Num. 14:13-16, waar Mozes hetzelfde argument hanteert): 'De Egyptenaren zouden kunnen denken en zeggen dat de afgoden van Kana'an [zoals het kalf ] blijkbaar krachtig genoeg zijn om aan U te ontkomen. Want [zouden ze kunnen redeneren ]U hebt de Egyptenaren en hun goden gericht, tot Ge het volk uit hun midden hebt gevoerd. Maar met Kana'an en hun goden is U dat niet gelukt. En dat zou ontheiliging van de Naam en de afgodendienaars voet aan de grond geven.
En het gaat er toch om dat de Naam van de Eeuwige over de hele wereld wordt erkend?!

32:13 Gedenk Abraham, Jitschak en Ja'akov, uw dienaren, over U bij Uzelf hebt gezworen: Talrijk maken zal Ik jullie nazaten als de sterren aan de hemel; en dit hele land, waarvan Ik heb gesproken, aan hun nazaten zal Ik het geven en ze zullen het voor eeuwig bezitten.
De Talmoed (bBerachot 32a) ziet hierin een reaktie op Gods voorstel het volk te laten voor wat het is, en alleen met Mozes verder te gaan: 'Zei Rabbi Elazar: Mozes zei tegen de Heilige Hij zij gezegend: Heer der wereld, wanneer de verdiensten van de drie aartsvader in het uur van UW toorn al geen stand tegen U houden, hoeveel minder niet de verdiensten van één!'