Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 01: 18-26

Zondag 6 november 2016
Zondag 10 november 2019 


door Bart Gijsbertsen

Wie bij vers 18 begint te lezen mist de setting van het vlammend protest dat Jesaja namens de Eeuwige tot het volk van Juda richt.
Sjadal (Samuel David Luzzato; joodse geleerde, 1800-1865) ziet vers 18a niet als een rechtsgeding waartoe God oproept, maar hij leest wenivakecha als een nif’al-vorm, die wijst op iets wat achter de rug is: laten we ons conflict achter ons laten en keer je om!
‘Conflict’ is zacht uitgedrukt. Het hele Noordrijk heeft God in woede al van de kaart geveegd en Hij stelt - als een wanhopige opvoeder – de vraag: Waar wil je nog geslagen worden nadat je broeder, Israël, al is ondergegaan en jij zelf, Juda/Sion, bent overgebleven als een hutje in een wijngaard (vers 5-9)? Laat dit conflict voorbij zijn! Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw. Maar zo niet, als je volhardt in je huidige houding, dan zul ook jij vallen door het zwaard.

Wat is de bron van het conflict, eerst met het Noordrijk maar ook met het Zuidrijk? Het wordt verwoord in vers 4: ontrouw en ongerechtigheid. De tirade die daar begint, eindigt vlak voor vers 18 met de ultieme oproep: zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij.

Die oproep wordt in extenso herhaald vanaf vers 21; om te worden zoals door God bedoeld: stad van gerechtigheid, stad van trouw (vers 26). Sion zal verlost worden door recht, en wie zich bekeert door gerechtigheid (vers 27). Ongerechtigheid wordt gekwalificeerd als opstand tegen en verlaten van de Eeuwige (vers 2, 4, 28) en maakt alles waardeloos.

In zijn boek De Profeten laat Abraham Joshua Heschel op indrukwekkende wijze zien hoe de profeten meegenomen worden in het pathos van de Eeuwige: de hang naar gerechtigheid. In bijbelse kontekst betekent dat woord dat ervoor wordt gezorgd dat mensen tot hun recht komen, letterlijk en figuurlijk. Dat betekent dat menige arme moet worden opgericht uit het slijk, maar dat ook menige tiran van zijn troon moet worden gestoten.

Het is voor ons, gewend aan onrecht in de wereld, nauwelijks te bevatten dat de profeten (verbonden met de Eeuwige) zo verschrikkelijk kwaad kunnen worden over onrecht dat een of andere arme in een of andere dwarsstraat wordt aangedaan. Heschel: ‘Voor ons betekent een enkele onrechtvaardige daad – bedrog in zaken, het uitbuiten van de armen – een kleinigheid, voor de profeten een ramp. Voor ons is onrecht niet schadelijk voor het welzijn van het volk, voor de profeten is het de nekslag voor het voortbestaan; voor ons is het een incident, voor hen een catastrofe, een bedreiging voor de wereld’.

Jesaja 1 is exemplarisch voor dit pathos. En de ondergang van Noord- en Zuidrijk is tekenend voor hoe hoog de Eeuwige ongerechtigheid in een land en volk, en zeker bij zijn eigen volk en kinderen, opneemt.