Joods-Christelijke Dialoog

Deuteronomium 24: 17-22

Zondag 28 augustus 2016
Zondag 1 september 2019 


Recht voor vreemdeling en wees

door Paul Gabriner (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

i. De vreemdeling, een ondergeschoven kindje

Er is vaak op gewezen dat wetten ter bescherming van de weduwe, de wees en de armen ook in andere culturen van de antieke wereld voorkwamen. Een van de klassieke artikelen hierover, F. Charles Fenshams, ‘Widow, Orphan, and the Poor in Ancient Near Eastern Legal and Wisdom Literature,’ (Journal of Near East Studies, XXI, April, 1962, 129-39) legde de basis voor recenter werk van gelijke aard. Zo kan men bijvoorbeeld Richard D. Pattersons ‘The Widow, Orphan, and the Poor in the Old Testament and the Extra-Biblical Literature’ (Bibliotheca Sacra, July 1973, 223-34) op internet lezen. De titel lijkt sterk op die van Fensham en het artikel refereert ook aan hem. Patterson citeert wetten uit het oude Sumerië (die van Urukagina, of Uru-inimgina, koning van Lagasj), uit Babylonië (die van Hammurabi), uit Egypte (die van de koningen Merikare, Amenemhat en Ramses III) en uit Ugarit (het Epos van Aqhat), die stuk voor stuk bescherming bieden aan de weduwe, de wees en de armen. Daarna richt Patterson zich op de Thora en wijst op een zestal passages waarin de weduwe, de wees en de armen een soortgelijke bescherming krijgen: Exodus 22:21-24, Deuteronomium 10:18, 14:28-29, 16:11, 14, 24:17-22. Alle zes getuigen volgens hem van ‘the well-known motif of the widow, the orphan and the poor’ (225).

Maar intussen wordt in deze discussie één groep volledig over het hoofd gezien. Immers, in al deze zes passages maakt de Thora ook melding van de ger (Strong 1616), de vreemdeling, iemand van een ander land en een andere ethniciteit, met een andere taal en andere religie die te midden van de Israëlieten woonde en werkte, een ‘resident alien’ of een ‘verblijfsvergunninghouder’ dus. Zulke personen zouden in Israël rechteloos zijn, ware het niet voor de bescherming die de Thora hen biedt. Zijn afwezigheid bij zowel Fensham als Patterson is tekenend. Hij is net als de jonge herder David, toen zijn vader het niet de moeite waard vond om hem van het veld te halen of hem zelfs te noemen, toen Samuël vroeg naar al zijn zonen! Als de vreemdeling in zulke recente werken al niet gezien wordt, hoe zouden de zaken 4000 jaar geleden dan wel niet gesteld geweest zijn?

Feit is dat de vreemdeling in de oude tijd overal rechteloos was en overal vogelvrij. Hij was nooit zeker van zijn leven, noch van zijn vrijheid, want buiten zijn eigen land was hij altijd zonder verweer. Daarom was Gods vonnis over Kaïn zo hard. Hij moest weg van zijn eigen land en zag meteen in dat hij in andermans land altijd vogelvrij zou zijn. Het beschermende merkteken dat God op zijn voorhoofd zet was weliswaar een antwoord op Kaïns verweer dat hij ‘dolend en dwalend over de aarde [zal moeten] gaan’ en ‘al wie mij tegenkomt, mij zal doden,’ maar zonder dat verweer had God het hem ook moeten geven, anders had Hij net zo goed de doodstraf over hem kunnen uitspreken.

De bovengenoemde landen rondom Israël die de weduwe, wees en arme enige bescherming boden, noemen de vreemdeling ook niet. De vreemdeling was in feite nog kwetsbaarder dan al die andere kwetsbare groepen omdat hij eenvoudigweg niet telde! Wantrouwen en regelrechte haat waren al te vaak zijn deel. Zoals Ibn Gabirol in de Mivchar Pninim (Keus van Parels) terecht observeerde, kwam zulke vijandigheid direct voort uit angst. Het romantische idee van gastvrijheid dat deel uitmaakt van de cultuur van de Bedoeïnen in de woestijn, vergt een belangrijke kanttekening: die gastvrijheid was namelijk bedoeld voor reizigers van andere Bedoeïenen stammen en werd alleen gegeven op basis van reciprociteit. In feite was het een vorm van collectief zelfbehoud in een vijandige omgeving.

In de Griekse wereld had men de metoikos, een vrije burger van een andere polis die b.v. in Athene woonde en werkte, maar geen stemrecht had en over het algemeen een lagere sociale status genoot. Toch was hij geen echte vreemdeling omdat hij nog altijd wel een Griek was. Desalniettemin werd verbanning uit de eigen polis in de oudste tijd als een doodstraf bij leven gezien, een welbekend motief in de tragedies. Erger in die periode was de behandeling van echte vreemdelingen die het Grieks niet of niet goed machtig waren, zoals de Perzen, Meden, Foeniciërs en Egyptenaren. Hun taal klonk voor de Grieken als onzinnig gebrabbel, bar-bar, vandaar hun laatdunkende verzamelnaam voor alle vreemdelingen, barbaroi of barbaren, een woord dat de Romeinen later overnamen als barbarus. Het was niet voor niets dat xenofobie een Griekse woord was! De Griekse prestatie in de filosofie, schone kunsten, politiek en wiskunde is alom bekend, toch is het ‘arguable that this anxiety toward the other which permeated Greek societies can ultimately be regarded as one of their greatest weaknesses,’ aldus één schrijver hierover.

In Rome betekende het woord hostis eerst vreemdeling en in de loop der tijd, vijand. Elke vreemdeling werd kennelijk als een potentiële vijand gezien. De woorden gast en gastheer in het Nederlands komen allebei van dit Latijnse woord voor vreemdeling of vijand. De oorspronkelijke gast was de vijand, de hostis, die op officieel bezoek was gekomen en de oorspronkelijke gastheer was iemand die gedelegeerd was om hem te ontvangen, alleen omdat hij zijn taal kon spreken. De Engelse woorden guest, host, hospitality en zelfs hospital, maar ook de woorden hostile (vijandig) and hostility (vijandigheid) komen ook van hetzelfde Latijnse woord voor vreemdeling/vijand.

Verder was het haat en nijd. Zo konden de Grieken de Perzen en de Egyptenaren niet luchten, net als de Egyptenaren de Israëlieten niet konden luchten (Genesis 43:32). In zijn Wohltätigheit und Armenpflege in vorchristlichen Altertum (1939) merkt Hendrik Bolkestein op dat liefdadigheid voor de Grieken en voor de Romeinen alleen voorbehouden was aan de vrije burgers van de eigen staat. Liefdadigheid voor de vreemdeling zou gezien worden als een contradictio in terminis, min of meer gelijk aan één van de paradoxen van Zeno! Niet dat ze hierin een monopolie hadden. In From Charity to Social Justice: The Emergence of Communal Institutions for the Support of the Poor in Ancient Judaism (2001) poneert Frank M. Loewenberg dat in de westerse verzorgingsstaat ‘the recipients of help are almost always complete strangers to the service providers’ maar dat ‘this was not the case in antiquity when the emphasis generally was on taking care of one’s own rather than of strangers. Excluding the stranger was an approach to charity that was widespread throughout the ancient world’ (173). De eigen armen, weduwen en wezen kregen hulp, maar de vreemdeling was hiervan uitgesloten (zie verder hierover Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity).

ii. De vreemdeling in Israël

In deze wereld van stelselmatige xenofobie was Israël een eenzame Or L’goyim, ‘een Licht voor alle volken,’ want ‘of all ancient peoples only the Jews felt a responsibility for the plight of all poor, both for family members and strangers’ (Loewenberg, 17 Hun taal kende geen equivalent voor ‘xenofobie’. Wat betreft deze ene categorie van hulpbehoevenden was Israël dus uniek. Dit is een markant maar zeker niet het enige geval waarbij de Grieks-Romeinse cultuur en die van Israël lijnrecht tegenover elkaar stonden! Misschien waren de allervroegste wetten van Israël ook beperkt tot alleen hulp aan de armen van het eigen volk, ‘iemand uit uw broeders’ (Deut. 15:7), maar deze grens werd al snel overschreden. In het algemeen weet de Thora dat de ger niet gezien wordt, niet telt en dus de meest kwetsbare van alle kwetsbaren is. Daarom doet ze alles wat in haar macht ligt om dat te compenseren, en dat uit zich in het veel vaker, en bovendien op een opvallender wijze benoemen van de ger, dan van de andere kwetsbare groepen.

Dit was de rabbijnen al vroeg opgevallen. Ze hadden gezien dat bijvoorbeeld het verbod in de Thora op het sudderen van het bokje in de melk van de eigen moeder maar drie keer genoemd wordt, terwijl de wetten die de ger bescherming bieden veel vaker herhaald werden. Rabbi Eliezer zegt in de Talmoed dat ‘de Thora op wel 36 verschillende plaatsen waarschuwt om de ger nooit te onderdrukken, en dat anderen 46 plaatsen noemen’ (Bava Metzia 59b), maar in feite is het zelfs 48 plaatsen! Waarom is dit, vroegen de rabbijnen zich af? Hun antwoord was dat het gehoor geven aan een spijswet die het mengen van melk en vlees verbiedt, niet zo moeilijk is, maar dat een gebod om werkelijk aardig te zijn voor vreemdelingen tegen de aard van de mens in gaat en juist om die reden zo vaak herhaald moet worden. Dit is één van de vele voorbeelden waarin de Thora laat zien dat ze beslist geen vriend is van wat ‘natuurlijk’ is, en dat ze vaak van ons eist dat wij onze menselijke aard moeten overstijgen!

Als we ons huidige hoofdstuk, Deuteronomium 24 nader bekijken, dan zien we in kort bestek hoe de Thora de ger profileert boven de andere kwetsbare groepen. Daar wordt de arme man één keer genoemd (vers 12), de dagloner één keer (vers 14), de wees en de weduwe vier keer (verzen 17, 19, 20, 21) en de ger vijf keer (14, 17, 19, 20, 21). Bovendien, wanneer de ger in dit hoofdstuk genoemd wordt samen met de wees en de weduwe, dan komt hij altijd als eerste in de rij (verzen 17, 19, 20, 21).

In de hele Tenach worden deze drie groepen wel achttien keer in één adem genoemd - zo vaak dat het bijna een mantra wordt - en daarbij prijkt de ger veertien keer als eerste in de rij: Exodus 22:21-22; Deuteronomium 10:18, 14:29, 16:11, 14, 24:17, 19, 20, 21, 26:12, 13, 27:19; Psalm 94:6, Jeremia 7:6, 22:3, Ezechiël 22:7, Zecharia 7:10, Maleachi 3:5.

De Thora schuift over het algemeen haar grootste geschut naar voren om de zaak van de ger te behartigen. Zowel hier, in Deuteronomium 24 in verzen 18 en 22, als zeven keer elders, worden de Israëlieten gemaand om aardig te zijn voor vreemdelingen omdat zij zelf ooit vreemdelingen waren als slaven in Egypte. De aandacht voor de ger wordt zowel negatief geformuleerd - ‘u zult ze niet uitbuiten’ - als positief, ‘u moet hun rechten . . . eerbiedigen.’ Het wetssysteem werd aangepast om de vreemdeling bescherming te bieden. Meermalen wordt Israël verteld dat er één wet voor iedereen is, dus er mogen geen tweederangs burgers in Israël zijn, een bepaling die nog steeds de basis vormt voor alle westerse democratieën: ‘Voor U, gemeente, en voor de vreemdeling die bij u verblijft, geldt één verordening, een eeuwige verordening, al uw generaties door: net zoals u, zo moet ook de vreemdeling voor het aangezicht voor de Eeuwige zijn. Eén wet en één bepaling geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u verblijft.’’ (Numeri 15:15-16, zie ook Exodus 12:49 en Leviticus 8:25-26, 24:22). Rechters moeten strikt onpartijdig zijn wanneer de vreemdeling één van de twee partijen is in een geschil (Deut. 1:16-17). Van de zes vrijplaatsen voor mensen die moeten vluchten voor een ‘bloedwreker’, wordt expliciet gezegd dat ze bedoeld zijn voor ‘zowel de Israëlieten als voor de vreemdelingen die bij [hen] wonen of tijdelijk verblijven’ (Numeri 35:15, Jozua 30:7-9). Dit betekent ook dat op misdrijven die door een vreemdeling gepleegd werden precies dezelfde straf stond als op die van een Israëliet (zie bv. Leviticus 17:15-16, 24:16, Numeri 15:29-30, Ezechiël 14:7). Dit is een wezenlijk verschil met bv de Codex van Hammoerabi, die vaak in twee straffen voorzag voor hetzelfde delict, afhankelijk van sociale status of oorsprong.

De Thora schenkt ook de nodige aandacht aan de psychologische kant van de zaak. De vreemdeling mag nooit het gevoel krijgen dat hij buitengesloten wordt, dus ook hij mag genieten van de Sjabbatrust (Exodus 23:12, Numeri 5:12-15), maar hij mag ook mee kunnen doen met de belangrijke feestdagen, zoals Pesach, waarbij hij niet alleen zijn eigen offer mag brengen maar ook aan de Sedertafel mag komen (Numeri 9:14). Het enige voorbehoud is dat hij besneden moet zijn om van het paaslam te mogen eten (Exodus 12:48). De ger wordt met naam en toenaam uitgenodigd voor de viering van zowel Sjavoeot, het Wekenfeest, als Sukkot, het Loofhuttenfeest (Deut. 16:9-12, Deut. 26:11, Deut. 16:14).

Niet alleen in de Pentateuch maar ook daarbuiten mag de ger er zijn: het is niet voor niets dat de meest innemende mensen in de Tenach altijd de vreemdelingen zijn! Waar Abraham en Mozes neergezet worden als heldhaftige mensen die toch fouten kunnen maken, zijn vreemdelingen zoals Uriah de Hittiet en Ruth de Moabiet altijd perfect, in alles onberispelijk. Dit patroon zet zich ook voort in de mindere figuren, zoals Ithai de Gethiet (II Samuël 15:17-22), die David vergezelt tijdens zijn vlucht uit Jeruzalem, terwijl David dat niet nodig vond. En dan is er nog Ebed-melech, de Ethiopiër, die Jeremia uit een waterput redt, waar hij anders omgekomen zou zijn van de hongersnood (Jeremia 38:7-13). In het boek Ruth is haar Moabietische afkomst geen incidenteel achtergrondfeit, maar het centrale thema van het geheel: als de vrome Boaz de aanmaningen in de Thora omtrent de ger met verve vertaalt in zijn humane behandeling van Ruth, kan zij het niet goed begrijpen: ‘Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat u naar mij omziet, terwijl ik een buitenlandse ben?’ (2:10).

Nergens wordt de vreemdeling over het hoofd gezien. Zo voegt de wijze Salomon, bij de inwijding van de Tempel, aan de vele wensen van zijn smeekbede toe dat God nooit het gebed van de vreemdeling in Zijn heilige huis mag vergeten: ‘Zelfs ook wat de vreemdeling betreft, die niet tot Uw volk Israël behoort, maar uit een ver land komt omwille van Uw Naam . . . . . luistert Ú dan in de hemel . . .’ (I Kon. 8:41, 43, zie ook I Kron. 6:32-33). Deutero-Jesaja gaat nog een stap verder en heet de vreemdeling welkom bij monde van God Zelf: ‘Laat de vreemdeling die zich bij de Eeuwige gevoegd heeft, niet zeggen: De Eeuwige heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden . . Ik zal ze in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan die van zonen en dan die van dochters; een eeuwige naam zal ik ieder van hen geven, een naam die niet uitgewist zal worden . . . . hen zal ik ook brengen naar mijn Heilge Berg . . . Want Mijn Huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken’ (56:3-7).

Men kan in deze laatste twee gevallen het idee opperen dat ze allebei over bekeerlingen gaan, maar een bekeerling was daarmee vanzelf een Israëliet geworden en dus geen vreemdeling meer. In de rabbinale periode werd het zelfs als een zonde gezien als men een bekeerling op zijn afkomst als vreemdeling attent maakte! Toch waren er altijd gerim die de God van Israël accepteerden zonder zich officieel te laten bekeren, want dat vereisde nog altijd de besnijdenis, voor velen even een ‘brug te ver.’

Tijdens de Diaspora, groeide het idee dat er eigenlijk twee soorten vreemdelingen waren, de ger tzaddik, de bekeerling, wiens vreemde afkomst niet meer genoemd mocht worden, en de ger toshav, de vreemdeling die geen bekeerling was maar die zich toch als inwoner onder de Israëlieten bevond. Op die basis besloten de rabbijnen dat de wetten in de Thora omtrent de rechten van de ger uitsluitend bedoeld waren voor de bekeerlingen en niet voor de andere gerim. Dit is nog altijd de opvatting in joods-orthodoxe kringen. Toch doet dit onderscheid tussen twee soorten gerim de barmhartige omhelzing van de ger in de Thora in feite teniet! Was het niet zo dat iedereen onder één wet viel? Waren de drie mannen die plotseling voor Abrahams tent verschenen bekeerlingen? Staat er dat de Israëlieten aardig voor vreemdelingen moeten zijn omdat zij bekeerlingen waren in het land van Egypte? Nee, er staat vreemdelingen! En in de joodse traditie moest Sodom vernietigd worden omdat zij vreemdelingen die op zoek waren naar gastvrijheid slecht behandelde, niet bekeerlingen! Men mag aannemen dat deze stellingname grotendeels een reactie is geweest op vervolgingen in de Diaspora door niet-joden.

De geschreven wet van de Thora echter maakt geen enkel onderscheid tusen verschillende soorten ger. Er is maar één ger, en bepalingen omtrent zijn status en waardigheid zijn voor hun tijd ongelofelijk vooruitstrevend! Zelfs in de aanvankelijke verdeling van het Land, bijvoorbeeld, worden de aanwezige gerim onder de Israëlieten op gelijke voet behandeld met de Israëkitein zelf: ‘Dit land moeten jullie onder elkaar, onder de stammen van Israël, verdelen. Verdeel het door loting onder elkaar en onder de vreemdelingen die bij jullie wonen en kinderen verwekt hebben. Die gelden als geboren Israëlieten, en net als jullie zullen ook zij bij de stammen van Israël bezit krijgen. Een vreemdeling moeten jullie zijn bezit geven bij de stam waar hij woont - spreekt God, de Eeuwige’ (Ezechiël 47:21-23, zie Exodus 12:49). In Leviticus wordt de behandeling van de ger zelfs als maatstaf gebruikt voor hoe men de armen van Israël moet behandelen! ‘Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en zich niet kan handhaven, moet je hem bijstand verlenen, zoals je ook een vreemdeling zou helpen die bij je te gast is; je mag hem niet laten verkommeren’ (25:35).

Als klap op de vuurpijl wordt de vreemdeling als enige van de kwetsbare groepen met naam en toenaam genoemd onder de wet van de Gulden Regel. Hoewel het beroemde vers, ‘u moet uw naaste liefhebben als uzelf’ van Leviticus 19:18 soms uitgelegd werd als alleen betrekking hebbend op de naaste buren, dwz. op medejoden, wordt enkele verzen later de volgende ‘memorie van toelichting’ op een niet mis te verstane wijze toegevoegd: ‘De vreemdeling die in uw land verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem lief hebben als uzelf . . .’ (19:34).

iii. De Oogstwetten

De Oogstwetten in Leviticus 19:9-10, 23:22 en Deuteronomium 24:19-21 bepalen dat men tijdens de oogst de randen (of hoeken) van het veld ongemoeid moet laten en dat vergeten graan achtergelaten moet worden opdat de ‘arme en de vreemdeling’ ervan kunnen eten. Die mochten dan achter de maaiers aan de overgebleven graanhalmen en de gevallen graankorrels bijeen sprokkelen, wat Ruth aan Naomi voorstelde in Ruth 2:2-3. In 2:15-16 verruimt Boaz de letter van deze wet richting de geest ervan. In die tijd waren de Oogstwetten ‘s werelds eerste voedselbank!

Deuteronomium 24:19 voegt twee andere kwetsbare groepen, de weduwe en de wees, toe aan de armen en de vreemdeling, en legt de nadruk op de vergeten schoof. Eén van de 63 tractaten van de Talmoed, Pe’ah (‘Hoeken’), is alleen aan deze Oogstwetten gewijd en gaat verder in op de specifieke begrippen daarvan: Pe’ah zijn de randen of hoeken van het veld, maar welk percentage van het totale areaal moet dat zijn? De tweede misjna (sectie) van dit tractaat legt uit dat dit vrij te bepalen is, maar in geen geval minder dan 1/60 mag zijn. Shikhehah gaat over de vergeten schoof, de enige wet in de hele Thora waarbij onbewust een zegen verdiend kan worden door vergeetachtigheid. De wetten van Liket en Peret gaan respectievelijk over het concept van achtergebleven schoven en trossen druiven die gevallen zijn. Olelot gaat over het verschil tussen rijpe en onrijpe trossen. Naast al dit jargon observeert het tractaat Pe’ah dat ‘de twee deugden van wedadigheid en vriendelijkheid net zo veel waarde hebben als gehoorzaamheid aan alle wetten van de Thora tezamen’! (iv. 19-20).

Soortgelijke wetten in Deuteronomium 14:28-29 bepalen dat de kwetsbaren samen met de Leviet van de Tiende mogen eten, en Exodus 23:10-11 en Leviticus 25:6 bepalen dat de kwetsbaren mogen eten van wat het land opbrengt tijdens de Sjabbatjaren. Buiten de oogsttijd bepaalt Deuteronomium 23:25 dat iedereen in het veld vrijelijk van een ander mag eten, zowel van het koren als van de druiven, als men maar geen sikkel gebruikt. Veel later beperkt de Talmoed deze bepaling tot de werkers in het veld, anders zou de eigenaar gerüineerd kunnen worden! Al deze wetten dienden het zelfde doel, namelijk het vertalen van de mooie, abstracte woorden van de Thora over rechtvaardigheid en delen met elkaar, naar meetbare daden waar kwetsbare mensen werkelijk wat aan hebben.

In zijn commentaar op de Thora noemt Rabbijn Samson Raphael Hirsch de Oogstwetten in de Thora een ferm protest tegen het concept van privé eigendom. Het veld en alles wat erop staat is van God! Zijn benadering is eigenlijk een echo van die van R. Moses Alshikh uit de 16e eeuw, die de wetten als volgt weergeeft bij monde van God: ‘Denk niet dat u aan de armen geeft van wat u eigen is, of dat Ik minachtig voor hen heb getoond omdat Ik u brood heb gegeven en hen niet. Want zij zijn ook mijn kinderen, net als u dat bent, met dit verschil, dat Ik hen brood heb gegeven vanuit uw oogst.’ Om die reden is de eigenaar die weigert de kwetsbaren hun deel van de oogst af te staan in feite een dief, want hij houdt iets achter wat eigenlijk niet van hem is. Dit is een centraal thema in de Thora: ‘Heel de aarde is van mij (Exodus 19:5) en ‘Het land mag niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort aan Mij. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.’ Rabbijn Hirsch wijst erop dat de taal van Deuteronomium 24:19-20, waarin privé eigendom schijnbaar benadrukt wordt (‘uw oogst, uw veld, uw olijfboom, uw wijngaard’), bedoeld is om de eigenaar op zijn plichten te wijzen. Volgens hem is de trots van de landeigenaar op z’n hoogtepunt als het graan of de druiventros volgroeid is en rijp om te oogsten: “Het is juist op dit moment dat de Thora hem vertelt dat hij de opbrengst daarvan met de armen moet delen.’ Israël wordt ook elders gewaarschuwd om nooit zo trots te worden dat zij begint te denken dat alles wat zij produceert louter door eigen kracht is voortgebracht: ‘Dat u dan niet in uw hart zegt: Mijn eigen kracht en de macht van mijn hand heeft dit vermogen voor mij verworven. Maar u moet de Eeuwige, uw God, in gedachten houden, dat Hij het is die u kracht geeft om vermogen te werven, opdat Hij Zijn verbond zou bevestigen, dat Hij onder ede met uw vaderen gesloten heeft, zoals het op deze dag nog is’ (Deuteronomium 8:17-18).

De Oogtswetten vormen een steeds terugkerende herinnering dat het veld en alles wat zij opbrengt, van God is. Als de ware eigenaar heeft Hij alle recht om te bepalen hoe Hij zijn rijkdom gebruikt wil zien! Overigens is het aardig op te merken dat het Hebreeuwse woord voor liefdadigheid, tzedekkah, niets te maken heeft met ’lief zijn voor de armen’, maar direct uit het woord tzedek komt, rechtvaardigheid.
iv. Conclusie: Terug naar de vreemdeling
De grote geleerde Nehama Leibowitz merkte op dat de Oogstwetten in de praktijk nooit genoeg eten zou kunnen opleveren voor al de vreemdelingen, weduwen, wezen en armen die Israël bevolkten. Volgens haar was de werkelijke bedoeling ervan om het karakter van de landeigenaar moreel te vormen. Zoiets staat ook al in het 13e eeuwse Ha Sefer Ha-Chinuch (’Het boek van het onderwijs) uit Spanje, namelijk dat het afstaan van een deel van de oogst aan de armen en de vreemdelingen een heilzame werking heeft op de ziel van de gever, net als elke andere goede daad (Mitzwa 216). Hier komt ook een oude joodse wijsheid om de hoek kijken, namelijk dat het geven ‘altijd beter is voor de gever dan voor de ontvanger.’
Maar al met al kan dit toch niet de reden voor de Oogstwetten zijn. Zoals we zagen waren ze voornamelijk bedoeld voor de kwetsbaren in de samenleving en de ger werd als de meest kwetsbare van allemaal gezien. Niet alleen wordt hij in de Thora veel vaker genoemd als zorgbehoevend dan de andere kwetbare groepen en wordt de slavernij in Egypt meer dan eens van stal gehaald om zijn zaak te behartigen, maar zoals wij zagen, wordt alleen de ger met naam en toenaam genoemd als ‘naaste’ in de Gulden Regel van Leviticus 19:34!
Rest de vraag waarom de Thora zo ontzettend begaan is met het lot van de vreemdeling. Sommigen zeggen dat deze houding een kwestie van eigenbelang was. Israël was immers een kleine natie, omringd door machtige buren. Misschien vroeg ze op deze manier coulantie van haar buren? Maar die machtige buren lazen de Thora niet en erkenden haar Wetgever ook niet! De Thora had alleen invloed binnen de eigen parochie!
Er zijn echter twee betere antwoorden die wij kunnen bedenken. Eén ervan is moreel van aarde. De joodse traditie legt de nadruk niet op het idee van de zondeval van Adam en Eva, maar op het idee dat ze de oerouders waren van alle mensen op aarde. Als je het op die manier bekijkt bestaan er geen vreemdelingen! De mens die wij ‘vreemdeling’ noemen is altijd een familielid, alleen één die wij nooit eerder ontmoet hebben. Dit was trouwens ook Abrahams veronderstelling toen hij opsprong om zijn gastvrijheid aan te bieden aan de drie onbekende reizigers die plotseling voor zijn tent verschenen. Hijzelf was een vreemdeling in Kanaän en gastvrijheid was zijn meest in het oog springende deugd. In de joodse traditie wordt de gastvrije verwelkoming van een medemens gelijk gesteld aan de verwelkoming van de Shekhinah, de Goddelijke Aanwezigheid (Mekilta, 18:12). Gastvrijheid voor de vreemde is een vorm van aanbidding van God. De angst voor de vreemde mens kan en moet overwonnen worden! Gebaseerd op het verhaal van Abraham is er een joods gezegde, dat zegt: ‘wees altijd gastvrij, want de vreemdeling die voor je staat, kan heimelijk een engel zijn,’ een idee dat ook terug te zien is in Hebreeën 13:2. Rabbi Natan in zijn Avot definieert de ware held als ‘de man die in staat is om een vijand tot vriend te maken.’ De Thora wil altijd het goede in de mens en zijn gevoel voor rechtvaardigheid aanspreken. Het goede is een reden op zich en daarom heeft vriendelijkheid voor de ger geen verdere rechtvaardiging nodig!
De tweede reden is puur functioneel. Je kunt de bepalingen hieromtrent vergelijken met de zwaartekracht. Zonder de zwaartekracht is het leven van de mens op Aarde onmogelijk. Isaac Newton zag de Fysieke Wet daarachter en was als eerste bij machte om die te beschrijven. De Thora gelooft dat er ook Morele Wetten in het universum bestaan, en dat het leven van mensen op Aarde zonder die wetten eveneens onmogelijk is. De geïnspireerde schrijvers van de Thora zagen deze wetten en waren als eerste bij machte om die te beschrijven! Het functionele argument is dat liefde voor mensen die wij niet kennen ook essentieel is om op deze Aarde te kunnen overleven. De grote dichter W.H.Auden, heeft het heel simpel verwoord in zijn gedicht “September 1, 1939”: ‘We must love one another or die.’ In Deuteronomium 16:20 zegt de Thora hetzelfde in haar eigen woorden: ‘Tzedek, tzedek tirdof l’ma’an tih-jeh v’yarasta et–ha’aretz.’ ‘Gerechtigheid, gerechtigheid moeten jullie najagen opdat jullie mogen leven in het Land . . .’
Het bewijs dat deze Wet klopt, is overal te zien. Waar de Wet van Liefde voor alle mensen goed verankerd zit, heerst vrede en welvaart. Waar het afweizig is, zien wij alleen vernietigde steden, kapotte landen, talloze burgerslachtoffers en overal vluchtelingen.
Dat ‘ondergeschoven kindje’, de meeste ‘kwetsbare van alle kwetsbaren’, onze ger, de vreemdeling, is nooit verdwenen, maar vandaag de dag meer dan ooit in het middelpunt van de belangstelling staat. De Thora en de joodse traditie kan ons hier goed in steunen, door ons richting te geven, moed in te spreken en door ons steeds er aan te herinneren dat zijn wel en wee God het meest na aan het hart ligt.

Een oude rabbijn vroeg eens aan zijn leerlingen hoe je het moment kunt bepalen waarop de nacht ten einde is en de dag begint. ‘Is dat het moment waarop je een schaap van een hond kunt onderscheiden?’ vroeg een van de leerlingen. ‘Nee,’ zei de rabbi. ‘Is het, als je van verre een dadelboom van een vijgenboom kunt onderscheiden?’ vroeg een ander. ‘Nee,’ zei de rabbi weer. ‘Maar wanneer dan?’ vroegen de leerlingen. Toen antwoordde de rabbi: ‘Wanneer je in het gezicht van een mens kunt kijken en je daarin je broer of je zuster ziet, dan is de nacht echt voorbij.’