Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 02: 4b-25 - Rudy Van Moere

Zondag 1 april 2018. Paaszondag
Zondag 1 maart 2020

Voor deze paaszondag schreef prof. Rudy Van Moere een uitvoerige bijdrage over de lezing uit Genesis. U vindt zijn bijdrage hier.

Exodus 03: 1-22 - Lukas de Groote

Zondag 1 maart 2020

Lukas de Groote, gepensioneerd huisarts, is een gepassioneerd lezer van de Hebreeuwse bijbel. Klik hier voor zijn uitleg van Exodus 3.

Genesis 02 - Piet van Midden

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

MENSEN HOREN BIJ DE AARDE (Genesis 2)
Het eerste scheppingsverhaal wordt afgesloten in Genesis 2: 4A:
‘Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden.’
Dat is nog helemaal taal van Genesis 1. Het gaat over de hemel en de aarde, de hemel voorop; over scheppen. Maar hierna gaat het over de aarde en de hemel, in de omgekeerde volgorde dus, die worden gemaakt. Het klinkt meteen minder hoogdravend, laag bij de grond. Het tweede verhaal is in alle opzichten anders. Lazen we in Genesis 1 dat er te veel water was, nu is er te weinig. Nog niets lijkt op orde te zijn, maar er wordt al wel een mens gemaakt. ‘Gevormd’ staat er, een term die ook voor de pottenbakker wordt gebruikt. ‘Toen vormde de Heer God de mens, stof uit de aardbodem is hij’. Er staat echt niet: ‘uit stof van de aardbodem.’ Die mens is stof, breekbaar materiaal. Dat hij leeft is een wonder. Dat leven is alleen mogelijk omdat de mens de levensadem van God heeft gekregen. Hij is stof, hoort bij de akkerbodem, in het Hebreeuws de ’adamá. Daarom heet de mens Adam. Akkerman, aardman betekent dat. Daarmee is aan hem zijn plek gewezen: de mens hoort bij de aarde, God hoort bij de hemel. En hij krijgt een tuin om in te leven. Het beeld dat wordt opgeroepen, is dat van een droomwereld, een kijkdoos aan mogelijkheden, zeker voor de mensen in Israël die vaker op een houtje moesten bijten dan wij vaak voor mogelijk houden. Een tuin omringd door rivieren en vol bomen, een luxe. Zelfs de levensboom staat erbij én ‘de boom van kennis van goed en kwaad.’ Daarmee is iets heel fundamenteels gezegd: de Adam kan kiezen. Kiezen voor het leven. De levensboom staat ervoor. Dat is dan wel leven als Adam, als akkerman. Dat formaat heeft de mens nu eenmaal meegekregen. Maar hij kan ook kiezen voor ‘de boom van kennis van goed en kwaad’. Dat is de andere mogelijkheid. Later zal Mozes het Israël nog eens voorhouden: ‘Er zijn twee wegen, de ene loopt dood en de andere is de weg met God. Kies maar.’ Het is nooit anders geweest.
De adam heeft een taak: de tuin ‘bewerken en erover waken’. Voor ‘bewerken’ heeft het Hebreeuws dienen. De mens heeft een dienende functie, een landbouwer dient de aarde en niet andersom! Het is goed dat woord dienen in het achterhoofd te houden voor het volgende hoofdstuk. Maar eerst horen we dat die mens niet compleet is. Nadat we in Genesis 1 steeds gelezen hebben ‘Het was goed, het was goed, het was zeer goed’ vinden we hier het oordeel ‘Het is niet goed’. De Heer God zegt: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is’. Hij zal een hulp maken ‘tegenover hem’. De vertaling ‘een hulp die bij hem past’ doet wat koddig aan, alsof het om een geslaagde relatiebemiddeling gaat. De tekst wil juist zeggen dat de mens zonder een hulp tegenover zichzelf niet kan bestaan, in wat voor relatie dan ook. Hij heeft een ‘tegenover’ nodig, maar hoe vind je die? De mens benoemt zijn omgeving en brengt die daarmee in kaart. Maar de dieren geven geen herkenning, zijn geen ‘tegenover’. Daarom wordt het prachtige verhaal verteld over de schepping van de andere mens, ‘een rib uit zijn lijf’ als de mens slaapt. ‘Hij geeft het zijn beminden in de slaap’ zullen we later zingen in de psalmen. De adam weet er alles van. Als hij wakker wordt uit zijn narcose roept hij meteen uit:
‘Dit is het helemaal,
gebeente van mijn gebeente,
vlees van mijn vlees’ (2:23).
We moeten ons bedenken dat ‘gebeente’ niet zoiets betekent als een kalkverbinding. Het woord betekent in het Hebreeuws ook ‘je identiteit’. Je gebeente is je wezen, zoals je ten diepte bent. ‘Jij bent wie ik ben’, dát is de herkenning van de adam. En die andere mens is vlees, net als hijzelf. Dat duidt niet zozeer op het ‘vlees op zijn botten’. Vlees betekent in de bijbel vaak: kwetsbaar materiaal. De mens en zijn tegenover zijn breekbaar, naakt. Maar met elkaar als tegenover gaan ze ervoor.

Exodus 03-04 - Piet van Midden

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

DE ONUITSPREKELIJKE NAAM (Exodus 3-4)
Mozes is inmiddels schaapherder geworden. In Genesis 46:34 lezen we ‘want al wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel.’ Hij is dus wel erg afgezakt: van Egyptisch opzichter naar schaapherder. Maar juist de aartsvaders waren herders en in die traditie moet Mozes verder. De grote koning David is ook als herder geroepen (1 Sam. 16:11.19). Het herderschap is primair. Mozes’ leven is trouwens op een bijzondere manier ingedeeld. Volgens de joodse traditie is hij veertig jaar als hij de Egyptenaar doodslaat, tachtig jaar als hij geroepen wordt om Israël uit Egypte te bevrijden en honderd en twintig als hij sterft (Hand.7:23.30; Deut 34:7). Hij loopt als het ware veertig jaar stage in de woestijn om straks veertig jaar lang de Israëlieten door de woestijn thuis te brengen.
Als hij helemaal door de woestijn is heengegaan (3:1) komt hij bij de godsberg Horeb, waar de verschijning van de Heilige in de bremstruik plaatsvindt. Brem is senè in het Hebreeuws, je hoort daarin een woordspel met Sinai, de naam die we straks bij de verbondssluiting zullen horen. Het is ‘heilige grond’ waar hij staat, ’adama, de akkerbodem die ook het goede land Kanaän aanduidt. Midden in de woestijn heeft God zijn ‘heilig land’ (zie ook Joz. 5:15). Mozes mag er al even zijn.
De God die hem aanspreekt, stelt zich voor als ‘de God van je vader Abraham, Isaak en Jakob’(3:6). Over Egypte heen wordt teruggrepen naar een deel van de belofte dat nog steeds openstaat: de toezegging van het wonen in een eigen land, in Kanaän. God heeft gezien, gehoord, hij kent de ellende van dichtbij (3:7). En heeft besloten er wat aan te doen: ‘Daarom zend ik jou naar farao om mijn volk, de Israëlieten uit Egypte te voeren’ (3:10).
Gezonden maar door wie? De legitimatie is van belang. Mozes moet toch een naam kunnen noemen.
Dan openbaart de God van Abraham, Isaak en Jakob zijn naam zonder die te openbaren!
‘IK BEN DIE IK BEN... IK BEN heeft mij naar jullie toe gestuurd.’

Exodus 3:14 is een van de meest besproken teksten van dit bijbelboek. Wat betekent die geheimzinnige naam? In het Hebreeuws slaat de uitleg ‘Ik ben die ik ben’ op de godsnaam Jahwe, die je in bijbelliteratuur vaak aangegeven vindt met de letters JHWH. Dat zou je kunnen vertalen met ‘Hij is’ of ‘Hij doet zijn.’ Het is de naam die hooguit één maal per jaar werd uitgesproken door de hogepriester op de Grote Verzoendag en die in de Hebreeuwse bijbel voorzien is van de klinkers van het woord ’Adonaj, waardoor de naam op een andere manier uitspreekbaar wordt. ‘Je zult de naam (van) JHWH, je God niet ijdel gebruiken (letterlijk: ‘niet opheffen tot iets ijdels’), want JHWH zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt,’ lezen we in de Tien Geboden (20:7). Het zijn aardige Hebreïsmen: niet ijdel, niet onschuldig. Dat betekent: met heel veel eerbied ... zeer schuldig. Het gaat daarbij specifiek over deze naam. In de tekst van Exodus 3 hebben we misschien te maken met een woordspel. Een van de theorieën is dat Jahwe een spel is met de godsnaam Jah, een van de namen van God, die we bijvoorbeeld nog terugvinden in de oproep om te loven: Hallelu-jah! Loof de Heer! Dat legt overigens de tekst van Exodus 3:14 niet uit. ‘Ik ben die ik ben’ zou kunnen betekenen: ‘Het doet er helemaal niet toe wie ik ben of hoe ik heet. ‘Ik ben’ en je zult me in de geschiedenis wel tegenkomen als een God die er voor je is.’ Daarmee is de naam in ieder geval eer aan gedaan. De Naam moet in de geschiedenis worden waargemaakt. Mozes staat voor een immense taak maar hij wordt gelegitimeerd en gesteund door ‘Ik ben’. Niet door ‘god’. Van de goden gaan er dertien in een dozijn in de bijbel.

Na de bijzondere ‘onthulling’ van de Naam wordt de opdracht nader ingevuld: Mozes moet naar de farao gaan en het volk Israël opeisen. Dat het om een onmogelijke opdracht gaat, is Mozes zich wel bewust. Na veel tegensputteren mag hij zijn broer Aäron meenemen. Die komt in 4:14 onverwacht voor het eerst het bijbelse toneel op. Ze gaan getweeën. Zoals later de apostelen in tweetallen zullen gaan. Ze zijn elkaar tot een hand en een mond. Zelfs Mozes hoeft niet alles te kunnen. Bovendien staat een zaak vast op het getuigenis van minstens twee mensen.
Zo aanvaardt Mozes de terugreis naar Egypte. Hij neemt Sippora en hun zoon Gersom mee. In een herberg is er een griezelige ervaring. In Exodus 4:24-26 komt de Heer ‘s nachts om hem te doden. Sippora besnijdt gauw de voorhuid van haar zoon met een stenen mes en raakt daarmee zijn voeten aan. Dan is het gevaar geweken. Het is een oud verhaal over een bloedrite: bloed weert boze machten af. We komen dat straks nog een keer tegen. Maar wat betekent het verhaal hier? Waarom probeert de Heer te doden. En wie wil hij doden: hem? Is dat Mozes of zijn zoon? En hij raakt zijn voeten aan. Van Gersom? Van Mozes? Van de Heer? Het verhaal is volstrekt onduidelijk. Eén ding is wel helder: het gaat om de zoon, om zoonschap. Israël is de zoon van de Heer die uit Egypte wordt geroepen. Straks zal het gaan om de zoon van de farao, die zal sterven als zijn vader het volk niet laat gaan. In deze bizarre vertelling wordt ‘een kleine redding’ beschreven. De zoon is gered, ternauwernood. De grote zoon Israël zal net zo worden gered.

Exodus 03: 1-15 - Piet van Midden

Zondag 13 november 2016
Zondag 27 mei 2018
Zondag 17 november 2019
Zondag 1 maart 2020

door Piet van Midden

Zo ben je minister, zo Jan Boezeroen. Zo heb je een plek aan het Egyptische hof en zo ben je schaapherder. Hoe bedenk je het. Alles wat schaapherder is, is voor de Egyptenaren een gruwel (Gen. 46:34). Dieper kun je niet zakken en ook dieper kun je niet de woestijn in, ’achar hammidbar, helemaal achterin. Op een leeftijd waarin velen denken aan een appartement(Ex.7.7), wacht hem de grootste klus van zijn leven. Hoezo pensioenleeftijd! haja ro‘è ’et-tsoon jitro, hij was schaapherder bij Jetro: haja... de werkwoordsvorm suggereert dat hij het al een poosje deed en dat hij eraan gewend was. De lezer weet nog meer: dat Mozes al veertig jaar stage loopt (vgl. Hand. 7:23) als schaapherder om straks de herder van Israël te worden. Veertig jaar hofleven, veertig jaar oefenen, veertig jaar aan het grote werk. Kom je ooit verder dan je rondjes draaien in de woestijn?

Bij de godenberg die al gauw Godsberg wordt, gaat het gebeuren: de mal’ak JHWH laat zich zien: wajjéra, dat heeft iets intiems: JHWH of zijn mal’ak laten zich nooit zien aan een groep. Het is altijd een privé-audiëntie. Hij laat zich zien belabbat-’eesh, in een vuurvlam. Het woordje labba komt in TNK verder niet voor. Des te mee reden om ermee te spelen; labot zou het aanjagen van vuur zijn, maar Rashi en Ibn Esra spelen met het woord en komen uit op lebaab, hart. Met een vrouwelijke uitgang –taw. Mooi is dat: een vlam wordt een kloppend hart. Geen wonder dat die braamstruik niet in de fik vliegt. Die staat al op een andere manier in brand. Die struik, senè, is natuurlijk een knipoog naar Sinai, naam voor de berg die in vuur en vlam zal staan als JHWH er woning houdt. We horen immers senè, senè, senè, alsof we het ingepeperd moeten krijgen. En dat is ook zo. Vuur verteert zichzelf door zijn voedsel te verteren, maar hier staat ’enènnoe ’ukkal, er was van opeten gewoon geen sprake. Dit vuur kan gewoon niet doven. Het beeld heeft harten sneller doen kloppen en pennen in beweging gebracht. Philo ziet in de braamstruik het in Egypte vernederde Israël, dat toch. niet wordt ‘verteerd’. In midrasjiem wordt daarop ook gezinspeeld. Maar we weten het natuurlijk gewoon niet.

Mozes zei, nee: hij dacht. Want lemoor, zeggen is vaak tegen jezelf praten. ‘Laat me toch afwijken’, ’asoeranná, een heuse aansporende wijs. Je stapt niet zomaar van de gebaande wegen af. Het vertrouwde pad biedt je zekerheid. Maar de malak lokt hem weg, vraagt hem een nieuwe stap te zetten. Naar een marè gadol, een ‘groot gezicht’, een verschijnsel waarom die –opnieuw: senè, – niet verteert. Het is een kwestie van zien, we rollen echt over de stam lir’ot, zien, heen. Nu ziet JHWH dat Mozes ‘van het pad af is’: dat moet je zijn om een nieuwe stap met JHWH te zetten. En bijzonder: de malak maakt nu plaats voor JHWH, die ziet, maar ’elohiem roept, midden uit de braamstruik. Nogal wiedes: straks moet die naam JHWH worden uitgelegd. JHWH is even low profile. ‘Hij riep, hij zei’, een gebruikelijke formulering: Mozes, Mozes! In de herhaling, vanwege het gewicht: Mózes! Zoals Genesis 22:11: ‘ Abraham, Abraham! En Psalm 22: ’eelie, ’eelie... Mozes antwoordt hinnénie, net als vader Abraham op de Moria. ‘ Hier ben ik’ ‘Trek je schoenen van je voeten, want de plaats waarop je staat is ’admat qódesh, heilige grond’, gaat de stem verder. De ’adama, de bewoonbaar verklaarde aarde, helemaal achterin de woestijn, op het grondgebied van boze machten, Azazel en noem die engerds maar op. Vreselijk voor die machten op JHWH op je grondgebied te moeten dulden, om de goede aarde in je midden te hebben. En natuurlijk gaat er een bel rinkelen. De zoveelste. Straks zal Jozua het nieuwe land betreden, en de eerste die hij er ontmoet is de aanvoerder van het leger van de Heer, die hem opdraagt: ‘Doe je schoen van je voeten want de plaats waarop je staat is heilig’ (Joz.5:15). En straks zal Sippora (Ex. 4:25) Gersom besnijden met een stenen mes, zoals Jozua zal doen met de Israëlieten (Joz. 5:3) en zullen ze Pesach vieren in Gilgal (5:10) ter herinnering aan het Pesach in Egypte, waartoe Mozes hier wordt geroepen. Blootsvoets hoort Mozes de stem van God aan. Zou een priester daarom blootsvoets zijn werk doen?

God stelt zichzelf voor als de God van Abraham, Isaäk en Jakob, maar sprekend is vooral ’abieka, van jouw vader. In het enkelvoud. Alsof Mozes’ eigen vader Amram er nog in moet doorklinken. Het maakt het visioen niet minder verontrustend. Mozes is nog niet toe aan de visio Dei, al zal hij er later om vragen (Ex. 33:18). Maar hij verbergt zijn gezicht. Wij kunnen niet eens in de zon kijken, laat staan de Overmachtige in de ogen zien. Die laatste vindt het trouwens niet bezwaarlijk van zijn voetstuk te komen. Hij heeft gezien de ellende van zijn volk (3:7); ra’o ra’ietie, staat er. Een paronomasie: ‘zien, ik heb gezien’, ofwel: ‘ik heb heel goed gezien.’ En ‘zien’ is niet waarnemen. ‘ Zien’ is meemaken, tot je laten doordringen. En hun za‘aqa, hun geschreeuw, heeft hij gehoord (shama‘tie); kie jada‘tie... Ja, ik ken... Dat werkwoord ladà‘at, kennen, is geen vluchtige kennis, niet de snelle info van het internet. Hij kent het klappen van de zweep en daarom volgt het vierde woord uit de inleiding tot bevrijding: hij is neergedaald, wa’eereed; larèdet, afdalen, is in de Hebreeuwse Bijbel vaak ‘de verkeerde kant opgaan,’ zoiets als een afgang . Deze God heeft het ervoor over om op het niveau van Israël in Egypte te komen, om Israël in een ‘alieja hogerop te brengen, in een land dat overloopt van melk en honing, ook al wonen er volken waar je niet vrolijk van wordt.

De plannen van de nog steeds uit de brandende braamstruik sprekende God krijgen een onverwachte wending: ‘Welnu, ga, ik stuur je naar de farao en breng jij mijn volk, de kinderen van Israël, Egypte uit.’ Met een dubbele imperatief (2:10): ‘Ga, breng naar buiten’. Dat is het eerste deel van de opdracht. Het tweede deel van het plan, de ‘alieja, is nu even niet aan de orde. Eerst maar eens die uittocht uit Egypte.

Het verweer van Mozes is sprekend: mie ’anokie... wie ben ik helemaal... Niet meer dan een herder, nietwaar. Maar Abraham, Isaäk en Jakob waren herders en David zal het natuurlijk zijn. Mozes en David, beiden geroepen in functie. Prachtig is de kie-zin : kie ’otsee ’et benee jisraeel ... ‘Ja hoor, daar breng ik me even de kinderen van Israël Egypte uit...’(2:11). Alsof het om een practical joke gaat. God laat zich ook niet onbetuigd. Hij zegt wat hij tegen Jakob zei toen die in paniek raakte (Gen. 28:15): kie ’ehjè ‘immak? ‘Ik ben toch zeker bij je?’ Hij heeft immers een belang, dat wordt uitgedrukt als ‘ammie, mijn volk. Nu nog zijn de Israëlieten naamloze slaven, straks zijn ze ‘am JHWH, volk van JHWH, en die naam krijgen ze hier al. Alsof ze al aan Egypte zijn ontsnapt. Alsof het volk al bij de berg Horeb is aangekomen, een moment dat Hij Mozes voorhoudt als teken. De lezer is geneigd te denken dat Mozes aan dit teken niet zoveel heeft. ‘Waren we maar zo ver,’ hoor je Mozes mompelen. Het mag dan een teken zijn, het garandeert niets.

Mozes sputtert nog steeds tegen: hij komt bij de Israëlieten en zegt “de God van jullie vaderen (nu in het meervoud!) heeft mij gestuurd,” nou dan is hij toch de risee? Wat ze als eerste vragen, is ma-shemo? ‘Wat is zijn naam?’, wat dan? Het antwoord is verhullend. De naam van God is ’ehjè ’ashèr ’ehjè, ‘ik ben die ik ben’ . De naam is ‘ik ben’ of ‘hij is’ en talig gezien is dat allereerst vreemd: de zin ‘ik ben’ is niet af, die vraagt om een predicaat. Wat, wie is hij? Dat is allemaal niet zo duidelijk. De verklaring voor de Godsnaam moet dan ook zijn dat het er niet zoveel toe doet hoe die God heet, maar dat Hij zich zal laten kennen in de geschiedenis als de God die ‘er is’ en allereerst ‘ ik ben met jou’. Het is niet nodig te vertalen ‘Ik zal zijn die ik zijn zal.’ JHWH’s belofte gaat niet pas in de toekomst in. In vers 12 zei hij al ’ehjè ‘immak, ‘ik ben met je’ en dat begint daar bij het brandende braambos.

Nu is eindelijk het hoge woord eruit. De godsnaam, het tetragram JHWH, is gemunt. Zo wil hij heten en naar die naam luistert hij als ze tot hem roepen. Al is het wel een naam waarmee je voorzichtig moet zijn. ’adonaj , heel erg letterlijk ‘Mijne Heren’, majesteitsmeervoud of pluralis intensivus, voor Mijnheer, of hoe je Hem maar in eerbied wilt noemen.

De opdracht wordt nu praktisch uitgewerkt: Mozes moet eerst naar de oudsten en die verzamelen en hun vertellen wat JHWH hem heeft gezegd. De uitvoerige beschrijving van de betrokkenheid bij de ellende in Egypte wordt nu beperkt weergegeven. Het perspectief – het land van melk en honing – blijft overeind. Alsof er een cursus bestuurskunde aan ten grondslag ligt, worden de oudsten in het plan betrokken. Niet Mozes alleen heeft JHWH ontmoet, ook de oudsten hadden die ervaring: niqra ‘aleenoe, ‘hij heeft zich laten ontmoeten met betrekking tot ons’, een werkwoordsvorm die uitsluit dat zij de god van de Hebreeën zelf hadden opgezocht. Het initiatief lag geheel en al bij JHWH. Hun wordt ook nog een tip aan de hand gedaan: je zegt dat je een offer wilt brengen in de woestijn, drie dagreizen ver. Farao kan toch geen bezwaar tegen vrijheid van godsdienst hebben...? Maar ook wordt de onmogelijkheid van de opdracht geschetst: farao zal het volk niet laten gaan, ook niet met harde hand gedwongen. Een klein staaltje van alle wonderen (slagen of plagen) die JHWH in petto heeft, wordt alvast verwoord. En ook hier is, in het eerste deel van de opdracht, al een perspectief: ze gaan niet met lege handen Egypte uit. De vertrekpremie is al ver voor onze jaartelling geboren. Ze krijgen goud mee, dat ze straks aan het gouden kalf zullen besteden...

.