Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 43: 9-12 - Adri van der Wal

Zondag 9 februari 2020

In het Oude Testament is goed te zien hoe Israël regelmatig worstelde met het geloven in JHWH. Vele malen lijken andere goden aantrekkelijker. Profetische en andere stemmen waarschuwen daartegen. Zij roepen op tot trouw aan Israëls God.

In die oproepen wordt bij herhaling de spot gedreven met de goden van de volken. Een voorbeeld van zo’n godenpolemiek is Ps. 115: tegenover de actieve God van Israël (115:3) staan de goden van de volken die het werk zijn van mensenhanden, die een mond hebben, maar niet kunnen spreken, ogen hebben, maar niet kunnen zien, oren hebben, maar niet kunnen horen, een neus hebben, maar niet kunnen ruiken, handen hebben, maar niet kunnen tasten, voeten hebben, maar niet kunnen lopen en die ook geen geluid kunnen uitbrengen (Ps. 115:4-7). Parallel hieraan is de passage Ps. 135:14-18. Ook in het verhaal van Elia’s confrontatie met de Baälsprofeten in 1 Kon. 18 speelt dit thema. Tegenover de machteloze Baäl die het offer van de profeten niet laat ontvlammen, staat de HEER die Elia’s offer wel in vuur en vlam zet. Tegenover de God van Israël die mensen draagt (Jes. 46:3), staan de goden die rondgedragen moeten worden (Jer. 10:5; Jes. 46:1). Jeremia spot: zij doen geen kwaad, maar ook zij zijn niet in staat om goed te doen (Jer. 10:5).

Binnen de setting van Jes. 40-55 is Jes. 46:1-7 niet het enige voorbeeld van zo’n godenpolemiek. Men vindt dat ook in Jes. 44:9-20 en in de lezing voor deze zondag Jes. 43:9-12. In Jes. 40-55 zingt een ons niet meer bij name bekende profeet de Judeeërs die in de 6e eeuw vdgj in Babel in ballingschap zijn, troostend (Jes. 40:1) toe dat God zijn volk uit de ballingschap gaat bevrijden en het gaat terugbrengen naar het land van herkomst. Deze profeet nodigt zijn hoorders hartstochtelijk uit mee te gaan. Zijn God is schepper (o.a. Jes. 40:12.28; 42:5; 43:1) en bevrijder (o.a. Jes. 41:14; 43:1.3). De uittocht van Juda uit Babel zal een parallel zijn van de uittocht uit Egypte. De daden van deze God zijn aanwijsbaar in de geschiedenis. Van welke van de goden van de volken kan hetzelfde gezegd worden, daagt Jes. 43:9 uit. Dan zullen zij geloofd worden. Zoals de goden ook al in Jes. 41:22-23 waren uitgedaagd:

Kom ermee voor de dag
en vertel ons wat er gebeuren zal.
Vertel ons over wat vroeger is gebeurd,
zodat wij de afloop nu al kennen.
Licht ons in over wat komen gaat,
geef ons aanwijzingen over de toekomst,
dan weten wij dat jullie goden zijn.
Doe het, hetzij goed, hetzij slecht,
zodat wij het met eigen ogen kunnen zien.

De impliciete gedachte is dat zij dat niet zullen kunnen.

Het rechtsgeding van Jes. 41:21-24 wordt in Jes. 43:9vv opgepakt en verder uitgewerkt. Nu wordt van de Judeeërs, Gods verkoren dienaar (als in Jes. 41:9), gezegd dat zij kunnen getuigen van de bevrijdende God (Jes. 43:10.12; 44:8). Zij hebben Gods werken in verleden en heden gezien. Daarin is Hij de unieke (Jes. 43:10; verg. 40:18.25-26; 44:8), de enige God die verlost (Jes. 43:11).

Deze rol voor Israël als getuige van deze unieke God vinden we terug in de layout van het Sjema, Deut. 6:4. In de Hebreeuwse tekst zijn daar twee letters groter geschreven cq. gedrukt: de ayin van het “Hoor” (שמע) en de dalet van het “één / uniek” (אחד). Tezamen vormen deze twee letters het Hebreeuwse woord voor “getuige” (עד). Zo worden mensen opgeroepen om aan de kant van Israëls God JHWH te staan en de goden en de volken te verzekeren dat deze God zich daadwerkelijk heeft gemanifesteerd in de geschiedenis en dat Hij nu (in de context van Jes. 40-55) vol is van heilswil ten opzichte van zijn volk in Babel, Hij de unieke God.

Jullie zijn mijn getuigen: het gaat om een meervoud, anders dan het enkelvoud “getuige” van NBV-2004. Een zaak staat immers pas werkelijk vast op het getuigenis van meerdere getuigen (Num. 35:30; Deut. 17:6; 19:15).

Exodus 02: 1-10 - Lukas de Groote


Zondag 16 februari 2020


Lukas de Groote, gepensioneerd huisarts, is een gepassioneerd lezer van de Hebreeuwse bijbel. Klik hier voor zijn uitleg van Exodus 2.

Deuteronomium 30: 15-20 - Tenachon Tora

Zondag 12  februari 2017

Uit Tenachon Tora, nr 27 p. 434

Een Uitgave van de B. Folkertsma Stichting voor Talmudica (PaRDeS)

Over de vrije wil

Zie, vandaag leg ik je voor het leven en het goede, en dood en kwaad, enz. (Deut.30:15-20)

‘De joodse ethiek is geworteld in de gedachte van de menselijke verantwoordelijkheid, en daarmee in de vrije wil. 'Alles ligt in de hand van God, behalve de vreze Gods' [d.w.z. of we al dan niet kiezen voor Hem] is het onweersproken uitgangspunt van Joods denken. Doel van ons leven op aarde is te gaan in Zijn wegen (Deut.30:16).
Josefus bericht dat de gedachte van de vrije wil door de Farizeeën werd hooggehouden tegen zowel de Sadduceeën als de Essenen. De eersten schreven alles toe aan het toeval, de laatsten aan de Goddelijke Voorzienigheid [en van hen komt wellicht de visie op voorzienigheid als 'van te voren voorzien'; volgens de Fariseese visie gaat het om voorzien in de zin van zorgen voor, begeleiden ].

Rambam zegt het zo:

"De vrije wil is ieder mens gegeven. Kiest hij voor het goede en is hij rechtvaardig, dan ligt het in zijn macht dat te doen. Kiest hij voor het kwade, dan ligt ook dat in zijn macht. Aangezien alle slechte daden die we hebben begaan, begaan zijn met ons volle bewustzijn, past het ons omkeer te doen en afstand te nemen van onze verkeerde daden; de macht daartoe ligt in onze hand. Dit is een zeer belangrijk beginsel. Het is de pijler van de Tora en van de geboden' (Hilchot Tesjoeva, 5; vgl. ook p.119 ev. ).

Dat de sfeer waarin we onze keuzen doen beperkt wordt door erfelijkheid en milieu is duidelijk. Hoe we ons binnen onze wijdere nationale en culturele werkelijkheid als persoon gedragen, is echter aan ons. Alleen van ons hangt het af of we van ons leven een kosmos maken, dan wel een chaos. Op moreel gebied blijven we onze eigen meester. Ook al hebben we ons lot maar gedeeltelijk in eigen hand, heeft God ons de teugels van ons gedrag in onze eigen handen gelegd’ (J.H.Hertz The Pentateuch and Haftorahs: Hebrew Text English Translation and Commentary).

Uit Tenachon Tora, nr 25 p. 399

Een Uitgave van de B. Folkertsma Stichting voor Talmudica (PaRDeS)

Deut. 30:19

Zie: heden leg ik jullie voor...

Zei Rabbi Elazar: van het moment dat de Heilige Hij zij gezegend dit op Sinaï gezegd heeft, geldt: 'Niet van de Allerhoogste gaat het kwade en het goede uit'. (Klaagl. 3:38).
Sindsdien komt het kwaad vanzelf over hen die kwaad bedrijven en komt het goed over hen die goed doen. En Rabbi Chagai zei: En niet alleen heb ik jullie twee wegen gewezen, maar Ik ben jullie nog verder tegemoet gekomen door te zeggen (Deut.30:19): 'Kies dan het leven' (Deuteronomium Raba 4,3).

Het inzicht dat bij Abraham doorbrak, nl. dat de wereld niet onderworpen is aan een blind noodlot, maar aan de vrije keuze van de mens om de Schepper van het al te dienen, krijgt op Sinaï zijn beslag: daar wordt het volk geleerd hoe te kiezen tussen zegen en vloek en dat de keuze voor God de keuze is voor het leven. Sindsdien zijn goed en kwaad geen blind fatum meer maar gevolg van menselijk handelen (naar Akedat Jitschak 93).

Zie ook: ‘Valt er iets te kiezen’, in Tenachon, Tora in westerse cutuur, #25 over ‘Keuzestress’ (juni 2015) p. 6vv

[door Henk Scholder & Niek de Wilde]

Exodus 01-02 - Piet van Midden

Onderstaande tekst werd eerder gepubliceerd in “Van Ver Halen, een verhaal achter de bijbelverhalen”, Meinema 2005.

Dr. Piet van Midden doceert Hebreeuws aan de Tilburg School of Catholic Theology, afdeling Bijbelwetenschappen en Kerkgeschiedenis. Hij is op social media actief met een dagelijkse snelcursus Hebreeuws, is schrijver, uitgever en adviseert de reisorganisatie High Flight International.

OVER LEVEN EN DOOD (Exodus 1-2)
‘Dit zijn de namen van de kinderen van Israël…’ Zo begint het boek Exodus. En dan volgen de namen van de elf zonen van Jakob die naar Egypte kwamen. Ze zijn ‘geïdentificeerd’. Hun namen zijn genoemd, die van de koning van Egypte straks niet. De onderdrukkers blijven anoniem. De onderdrukten kunnen bij hun naam worden geroepen om op weg te gaan uit de volkerenwereld vandaan. Dat is de roeping van Abraham en de roeping van Israël. Abrahams exodus uit de wereld van de volken is een model voor de grote uittochten uit Egypte en Babel straks.
Abraham gaat daarom na zijn losmaking uit Babel en Haran direct uit Egypte ( 12:10-20). We weten dus al hoe het afloopt: in Genesis 12 vinden we dat farao Israël na zware plagen zal laten gaan. De belofte aan Abraham met betrekking tot zijn nakomelingschap wordt hier waar: dat zijn volk vruchtbaar zou zijn en in menigte zou uitbreken. Het lijkt wel of de scheppingsopdracht van Genesis 1:28 hier door Israël wordt vervuld.
Dan komt er een kink in de kabel: de zich vervullende belofte wordt door de volken ingeperkt. Er komt een nieuwe farao en die wordt hier eerst koning genoemd (1:8). Dat is geen opsteker. Buitenlandse koningen zijn dwingelanden in de bijbelse geschiedenis en veroorzaken doorgaans ellende. Hier gebeurt de onderdrukking in drie stappen.
Eerst een koele overweging: de Israëlieten worden onder druk gezet en moeten dwangarbeid verrichten. De voorraadsteden Pitom en Raämses zijn het bewijs. Maar het resultaat is omgekeerd evenredig aan wat de koning beoogt: Israël groeit tegen de klippen op.
Dan wordt Israël tot slaaf gemaakt
‘Toen maakte Egypte de kinderen van Israël tot slaaf, door ‘geweld’(1:13):.
Dat woord ‘geweld’ vinden we in de bijbel alleen nog terug in relatie tot de zwakke broeder (Lev. 25:43.46.53; Ez. 34:4). Wat dat betreft is er van Egypte niets te verwachten.
De derde stap is dat de zonen meteen bij de geboorte moeten worden gedood.
Voor die fase heeft de koning de hulp nodig van vroedvrouwen. Die krijgen prompt een naam, Sifra en Pua, ‘Schoonheid’ en ‘Make Up’, een contrastrijk verschil met de anonimiteit van de farao. Met deze maatregel valt het licht op de dochters, die hier nog eens expliciet worden genoemd: alle dochters, laat ze léven! (1:22). Het klinkt bijna als een bevel. Daarmee doet de farao uiteindelijk zichzelf de das om. Want uitgerekend de vrouwen zijn verantwoordelijk voor de uitbreiding van Israël. Bovendien nemen in Exodus 1-2 vrouwen de rol van redders op zich. Het zijn er twaalf in getal, zullen we straks zien.

Het geboorteverhaal van Mozes is een verhaal over vrouwen. Er verschijnt in 2:1 wel een man op het toneel, maar die is bijna een noodzakelijk kwaad: de man uit het huis van Levi komt om een Levitische vrouw te trouwen. De Levitische afkomst van Mozes moet (straks) onweersproken zijn. Van de man wordt niet eens gezegd dat hij ‘tot haar kwam’. Háár taken komen wel voor het voetlicht: ze wordt zwanger en baart: een zoon. Daarmee is de familie in de gevarenzone. Natuurlijk kan deze zoon niet verborgen blijven! En de moeder neemt een biezen kistje en besmeert het met asfalt en pek. Tevá staat er in het Hebreeuws. Doodskistje. Hetzelfde woord als voor de ark van Noach wordt gebruikt. Dit doodskistje wordt in het riet gezet. Later zal Israël door de Rietzee trekken en daaruit worden gered. We hebben weer te maken met een ‘miniredding’ die een ‘maxiredding’ voorbereidt.
Drie vrouwen spelen een hoofdrol in dit verhaal. Alle drie blijven ze hier naamloos: de moeder en de zuster van het kind en de dochter van de farao, omgeven door dienaressen, waarbij ze gezamenlijk de reddende engel voor het kind zijn. Het cruciale moment is natuurlijk als het kistje opengaat:
‘Ze zag het kind, het was een jongen, hij huilde, zij kreeg medelijden...’ (2:6).
Daarmee wordt de redding mogelijk. In ‘het is een Hebreeuws kind’ staat het verhaal op scherp. Met ‘Hebreeuws’ en ‘Hebreeër’ worden de Israëlieten door de volken (vaak denigrerend) neergezet. Maar het kind krijgt een kans. Farao gaat nota bene zelf de kosten van de redding en daarmee de opvoeding van Mozes betalen, een element dat straks bij de uittocht terugkeert als de Egyptenaren Israël laten gaan en er zelfs voor betalen (13:35-36). Dan wordt het kind door de dochter van farao als zoon geadopteerd (‘hij werd haar tot zoon’ staat er; het kind is de handelende persoon, 2:10). En ze gaf hem de naam Mozes, ‘ja, zei ze: ik heb hem uit het water getrokken’(2:11). Eindelijk valt er een naam in het verhaal! Mozes betekent niet ‘uit het water getrokken’. Als je de zinspeling in de tekst wilt volgen, zou je moeten zeggen ‘uittrekker’ i.p.v. ‘uitgetrokkene’. Dat uittrekken zal hij doen, n.l. Israël uit de Rietzee trekken. Maar er is meer. Mozes is een Egyptische naam en betekent ‘zoon’. Je vindt het in bijvoorbeeld de naam Ra-moses, ofwel Ramses, ‘zoon van Ra’ (zoon van de zonnegod), Tutmoses, enzovoort. Maar van wie is Mozes nu een zoon? Van een Egyptische god of van Israël en daarmee van de God van Israël? In die keuze ligt de richting van zijn leven.

Als Mozes groot is geworden gaat hij naar zijn broeders (2:11). Meteen is duidelijk is bij wie hij thuishoort. Als een Egyptenaar een Hebreeër, iemand van zijn broeders ziet slaan, gaat het ook met Mozes mis. Hij zag, hij zag, hij zag, lezen we drie keer. Dat ‘zien’ is niet zoiets als waarnemen. Zien is contact, zien betekent: het gaat door je heen. In 2:25 vinden we dat uitgezegd: ‘God zag de Israëlieten en kende hen.’ Als er niemand is die ingrijpt (dat is wat anders dan: als er niemand is die het ziet) slaat hij de Egyptenaar dood. De vraag is natuurlijk of de groot geworden Mozes zich niet misgaat in zijn bevrijding’. ‘Hij moet niet één slaaf bevrijden maar een heel volk. Zover is het nog niet. Op een andere dag zijn er twee Hebreeën aan het vechten. Nu stelt hij een vraag (aan ‘de schoft’ staat er, 2:13):
‘Waarom sla jij je naaste?’
Het antwoord is veelzeggend:
‘Wie heeft jou tot leider en rechter over ons aangesteld?’ (2:14).
Het antwoord is pijnlijk eenvoudig: niemand. Dat moet en zal nog gebeuren, in het volgende hoofdstuk.
Voorlopig is hij nog geen opzichter en moet hij vluchten, omdat de farao hem doden wil. Er zit niets anders op dan te vluchten naar de woestijn, de plek waar hij sinds die dag levenslang zal wonen. Bij de bron ontmoet hij zijn latere bruid, Sippora, een van de zeven dochters van Jetro, de priester van Midjan. Deze meisjes bevrijden hem uit zijn benarde situatie. Twee vroedvrouwen, een moeder en een zus, de dochter van de farao en de zeven dochters van Jetro, twaalf vrouwen in getal, houden hem in leven, zetten hem op de goede weg. Bevrijden hem. Helemaal zoals Jakob Rachel verlost van kwelgeesten onder de herders ( 29:10), ontzet Mozes op zijn beurt deze dochters. En hij trouwt Sippora, krijgt een zoon die een veelzeggende naam draagt: Gersom, ‘een vreemdeling daar’. Mozes is net als Abraham een vreemdeling in een vreemd land. Dat vraagt om een land waar je je thuis kunt voelen en waar je kunt wortelen. Dat vraagt om een God die hoort, gedenkt, ziet en kent (2:25).