Joods-Christelijke Dialoog

Genesis 02: 15-25 - Lukas de Groote

Zondag 5 maart 2017
Zondag 1 maart 2020


Door Lukas de Groote

In dit artikel wordt gepoogd de Hebreeuwse tekst zo goed mogelijk te volgen. Bij vrijwel elk vers wordt commentaar gegeven over enkele aspecten van de tekst.
Opvallend is de stringente opdracht tot het eten van alle bomen in vers 16, de vertaling ‘zijde’ in vers 21 en het ‘één vlees zijn’ in vers 24
Aan het slot zijn twee korte uiteenzettingen toegevoegd over vers 16 en 24.

Genesis 2:15-25

Vers 15: En de Eeuwige, God, nam de mens(heid) en hij plaatste hem in de tuin van Eden om haar te dienen en haar te bewaren.
Haar: tweemaal wordt deze vrouwelijke aanduiding gebruikt terwijl het woord ‘tuin’ in het Hebreeuws mannelijk is. Als hier sprake is van een tuin-in-aanleg zou dit mogelijk als vrouwelijk geduid kunnen worden. Als het hele verhaal symbolisch is voor een prille toestand van de mensheid zou men de tuin als een soort baarmoeder kunnen beschouwen en dan is de vrouwelijke aanduiding zo vreemd nog niet.

Vers 16: En de Eeuwige, God, gebood de mens(heid) door te zeggen: Van al het geboomte van de tuin moet je beslist eten.
Door te zeggen: deze onbepaalde wijs van het werkwoord ‘zeggen’ geeft altijd aan dat wat volgt een officieel karakter draagt. Het bevel wordt hierdoor nog stringenter. De meeste vertalingen laten dit woord gewoon weg of vertalen het met het deelwoord ‘zeggende’. Hierdoor wordt het dwingende karakter van dit woord weg vertaald.
Beslist eten: het woord ‘eten’ staat hier tweemaal achtereen, waarbij de eerste vorm een onbepaalde wijs is. Een dergelijk taalkundige constructie kan men vertalen met het woord ‘beslist, zeker’ of ‘absoluut’. Het is geen verzoek of een wens, maar een bevel waaraan men zich niet kan onttrekken. Zie het artikel aan het slot.
Het eten van alle bomen is dus een absolute opdracht! Een vertaling met ‘mogen’(NBV) of ‘vrij eten’(HSV) is niet in overeenstemming met het Hebreeuws.

Vers 17: Maar van de boom van kennis van goed en kwaad , daarvan zul je niet eten. Want op de dag dat je daarvan eet zul je beslist sterven.
Kennis van goed en kwaad: vaak wordt gedacht dat dit een aanduiding is voor ‘inzicht hebben’. Onvolwassenheid is geen onderscheid te kennen tussen kiezen van het goede en het verwerpen van het kwade. Zie Jesaja 7:15 en 16.
Beslist sterven: evenals in het vorige vers staat ook hier een onbepaalde wijs die ‘beslist, zeker’ aanduidt.

Vers 18: En de Eeuwige, God, zei: Het is niet goed dat de mens(heid) op zichzelf is. Ik zal voor hem maken een hulp als tegenover hem.
Ik zal maken: De Septuaginta en Vulgata hebben hier het meervoud ‘Laat ons maken’ net als in Genesis 1:26 staat. Mogelijk dat de schrijver hier een enkelvoud gebruikt om vooral te voorkomen dat men de dubbele godsnaam in dit hoofdstuk beschouwt als de aanduiding van twee goden.
Hulp: men zou dit woord ook met ‘helper’ kunnen vertalen. Meestal wordt gedacht dat de helper de mindere is van de mens. Men zou ook het tegendeel kunnen beweren, want blijkbaar kan de mens het in zijn eentje niet af.
Als: met dit woord wordt bedoeld ‘ongeveer’, ‘ten naaste bij’. Bij het woord ‘hulp’ verwacht men dat de partner naast de geholpene gaat staan. Het lijkt dat de schrijver zegt dat de helper naast de geholpene staat, maar tegelijk ook tegenover hem.

Vers 19: En de Eeuwige, God, vormde uit de grond al het levende van het veld en al het gevleugelde van de hemel en hij bracht het tot de mensheid om te zien hoe hij (het) voor zich zou noemen. En al wat de mensheid voor zich zou noemen, een levend wezen, het was zijn naam.
Vormen: hiermee wordt de activiteit bedoeld zoals een handwerksman, een houtbewerker of pottenbakker die uitoefent. Ook hier is weer een grote tegenstelling tussen deze God die de handen uit de mouwen steekt en wat van andere goden verteld wordt. Die laten anderen voor zich werken.

Vers 20: En de mens noemde de namen van al het vee en van het gevleugelde van de hemel en van al het levende van het veld. Maar voor de mens had hij geen hulp gevonden als tegenover hem/zich.
Mensheid en mens: het woord ‘mensheid’ (adam) werd tot dit moment altijd zonder lidwoord geschreven. Hier wordt het woord adam voor het eerst mét het lidwoord geschreven.
Hij had gevonden: het is niet direct duidelijk wie hier onderwerp is. Er staat ‘vóór de mens’ en niet ‘de mens’. Aangezien er tot dusver slechts sprake is van twee ‘personen’, namelijk de Eeuwige, God en de mens ligt het voor de hand de Eeuwige, God als onderwerp te zien.

Vers 21: En de Eeuwige, God, liet een verdoving op de mens vallen en hij sliep in. En hij nam één van zijn zijden en hij sloot het in plaats daarvan af met vlees.
Verdoving: met dit woord wordt een zeer diepe slaap bedoeld, een soort narcose. Het woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘diep slapen, verdoofd zijn’ betekent.
Zijde: met dit woord wordt een zijkant, een flank bedoeld. Als men de mens ziet als bestaande uit twee zijden, twee kanten, kan men concluderen dat één van beide zijden afgesplitst wordt. Er blijft dus een half mens over. Er is geen enkele aanleiding om dit woord met ‘rib’ te vertalen zoals meestal gedaan wordt.
Vlees: met dit woord wordt letterlijk ‘vlees, spieren’ bedoeld, maar ook wordt het overdrachtelijk gebruikt om de lichamelijkheid van de mens aan te duiden. De schrijver werkt dit begrip verder uit in vers 24 waar de mens van zijn vrouw zegt dat zij tot één vlees zullen zijn. Dus één zijde van de mens is vlees en deze zijde is erop gericht om lichamelijk één te worden met zijn vrouw.

Vers 22: En de Eeuwige, God, bouwde de zijde die hij van de mens genomen had tot vrouw. En hij bracht haar tot de mens.
Bouwen: met het woord ‘bouwen’ wordt meestal ‘weer opbouwen, herstellen’ bedoeld. De Eeuwige, God, bouwt niet een volkomen nieuw mens, nee hij maakt de halve mens weer tot een compleet mens, maar vrouwelijk. Hier wordt ook niet het woord ‘maken’ gebruikt. De rabbijnen zien verband tussen het werkwoord bouwen (banah) en het woord ‘begrip, inzicht’(binah), en zij verbinden de conclusie hieraan dat de vrouw met meer inzicht begiftigd is dan de man.

Vers 23: En de mens zei:
Deze, dit keer,                                  zot hapá’am
Been van mijn beenderen,                ètsem meeatsamái
En vlees van mijn vlees.                    oewasár mibesarí
Deze wordt vrouw genoemd,             lezot jikaree isjáh
Want uit een man is deze genomen.  ki meeíesj loekocha-zòt.
Het is hier de eerste keer dat de mens spreekt, en dat doet hij in dichtvorm.
Vrouw: isjah. Dit woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘zwak zijn’ betekent.
Man: iesj. Dit woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘sterk zijn’ betekent.
Grammaticaal klopt dit vers niet. Er zit een hapering in. Haperingen in gesproken taal hebben altijd te maken met emoties, en het is niet verwonderlijk dat de mens niet goed uit zijn woorden kan komen op het moment dat hij zijn evenbeeld ziet die tegelijk de ander is.

Vers 24: Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en zij zullen tot één vlees worden.
Eén vlees: de rabbijnen benadrukken dat de man en zijn vrouw níet één van geest hoeven te worden. Ze zullen ieder hun eigen beleveniswereld hebben en houden. Emotioneel zullen zij allerlei dingen op hun eigen manier beleven. Lichamelijk eenwording door seksueel contact is in het jodendom altijd belangrijk geweest. ‘Een man zonder vrouw is een half mens’ is een bekende uitspraak. Het celibaat past niet in de Joodse traditie en is wezensvreemd aan de mens.

Vers 25: En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw. En zij schaamden zich niet voor elkaar.
Zich schamen: als de mens later inzicht krijgt gaat hij zich schamen. Hier leeft de mens in volkomen onnozelheid als een klein kind.

God als gastheer. (n.a.v. vers 16)
De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt Genesis 2:15-17 zo: God, de Eeuwige, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hielde hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven. (onderstreping van mij).
Nadat God de mens gemaakt heeft (Genesis 2:7) legt hij voor deze mens een lustoord aan. Het lijkt dat God zelf verrukt is van dit prachtige plekje waar de mens kan leven. Water is er genoeg, want er ontspringt een rivier in dit paradijs en vier rivieren stromen eromheen (vers 10-14). En voedsel is er genoeg, want allerlei bomen zijn er met de meest kostelijke vruchten (vers 8-9). De meest verleidelijke boom is echter verboden terrein. Het klinkt nogal negatief, zo van; ‘van alle bomen mag je wel eten, máár...’
Is dit zo bedoeld? Nee, als we de grammaticale constructie hier nagaan, wordt duidelijk dat bedoeld is: Van alle bomen in de tuin moet je eten.
Zowel van het werkwoord ‘eten’ als van het werkwoord ‘sterven’ staat hier een infinitivus absolutus. Dat is in het Hebreeuws een grammaticale vorm die een versterking aanduidt: Je moet eten, en: Je moet sterven.
Door dit verhaal op deze manier te lezen past het ook veel beter bij de bekende Oosterse gastvrijheid. Het is een regelrechte belediging voor de gastheer of gastvrouw als men zich niet te goed zou doen aan al het goeds dat een gast voorgezet wordt. Zo zou de mens hier God beledigen als hij niet ten volle geniet van al het goede dat hem voorgeschoteld wordt. Alleen naar die ene onrijpe vruchtboom moet de mens zijn handen niet uitstrekken.

Zijn vader en moeder verlaten. (n.a.v. vers 24)
In het oude Israël was het de gewoonte dat de man bij zijn ouders in het familieverband bleef wonen en de vrouw verliet juist haar ouderlijk huis als zij huwde. Hier staat dus dat de aandacht van de man primair op zijn vrouw gericht moet zijn en dat hij daarvoor zelfs zijn familie in de steek moet laten. Bij de roeping van Abram in Genesis 12:1 ziet men dit duidelijk. Praktisch gezien zal dit zelden het geval geweest zijn want de zoon nam meestal het beroep van de vader over en tot de vader overleden was, was hij ondergeschikt aan diens gezag en bleef hij binnen het familieverband wonen. Waar verteld wordt over familieverhoudingen ziet men dat dit beeld geschilderd wordt. Jakob en Ezau blijven in elke geval tot hun veertigste jaar bij hun ouders. De kinderen van Jakob blijven tot hun vader oud geworden is onder zijn gezag. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen. Des te opmerkelijker is het dat Abram bij zijn vader weggaat.
De bedoeling van deze uitspraak hier zal zijn dat men als man de keuze moet maken voor zijn vrouw, zelfs als dit tegen de ouders in zou gaan.
En hoe zit het met de vrouw? Moet die niet haar ouders loslaten? Uit het voorgaande blijkt al dat de vrouw introuwde in de familie van haar man en zij moest automatisch haar ouderlijk huis verlaten. Voor de vrouw was het verlaten van haar vader en moeder dus een natuurlijk gebeuren zoals men ziet bij Rebekka, Lea en Rachel. Dit hoeft dus niet apart vermeld te worden.

Genesis 02: 4a-24 - Dodo van Uden

Zondag 1 april 2018. Eerste zondag van Pasen
Zondag 1 maart 2020 

Man en vrouw


door Dodo van Uden

1) Ezer – hulpje of helper?
Volgens Gen. 2:18 maakt de Eeuwige voor de mens “een ezer kenegdo”. Deze woorden worden heel verschillend vertaald. Een kleine greep:
Statenvertaling: Een hulpe die als tegenover hem zij
NBG 1951: een hulp die bij hem past
NBV: een helper die bij hem past
Naardense Bijbel: een hulp als zijn tegenover
Buber/Rosenzweig: eine Hilfe, ihm Gegenpart
ArtScroll Tanach Series: a helper corresponding to him

Een vertaling als die van de NBG 1951 “een hulp die bij hem past” zet, naar mijn ervaring, mensen op het verkeerde been. Het klinkt alsof de vrouw bedoeld is als een soort “hulpje” van de man, huishoudelijk of anderszins. Maar het Hebreeuwse woord ezer heeft een heel andere gevoelswaarde. Op veruit de meeste plaatsen waar het voorkomt, wordt het gebruikt in verband met God. Eén voorbeeld:

Onze ziel wacht op de Eeuwige,
Hij is onze ezer en ons schild. (Psalm 33:20)
(Zie bijv. ook Psalm 121:1-2; 124:8; Exodus 18:4)

Een ezer is niet een “hulpje”, maar een helper uit de nood, iemand die je op je voeten zet en het je mogelijk maakt te leven.

2) Kenegdo – als tegenover hem
Wat de mens volgens het scheppingsverhaal nodig heeft is niet een helper zonder meer, maar een helper kenegdo (letterlijk: als tegenover hem). Twee klassieke joodse commentaren op dit woord. De eerste is van de middeleeuwse commentator Sforno:

'Een helper als tegenover hem' – [d.w.z.] een helper die aan hem gelijk is in beeld en gelijkenis [...] En waarom wordt [om dat uit te drukken] het woord 'tegenover' gebruikt? Stel je legt iets in een weeg¬schaal terwijl op de tegenoverliggende schaal al iets anders ligt; wanneer de twee voorwerpen niet even zwaar zijn, gaat de één omhoog en de ander omlaag, maar wanneer ze wel even zwaar zijn, staan ze tegenover elkaar, op één lijn. [Sforno op Gen 2,18]

Volgens deze verklaring heeft het woord “tegenover” de klank van: even zwaar wegend. Niet een “hulp die bij hem past”, maar een “gelijkwaardige partner”.
Interessant is dat Sforno niet met zoveel woorden over de man-vrouwrelatie spreekt. Dat is anders in het tweede commentaar, uit de Talmoed:

Rabbi Eleazar zei: Wat betekent 'Ik maak hem een helper als tegenover hem'? Als hij waardig is, dan is zij zijn hel¬per. Als hij niet waardig is, dan is zij 'als tegenover hem' [d.w.z. zijn tegenstander]. [Jevamot 63a]

In deze verklaring weerspiegelt zich de realiteit van de man-vrouw-relatie. Wanneer de relatie werkt, zijn man en vrouw elkaars 'helpers', elkaars partners bij het vervullen van hun opdracht beeld Gods te zijn. Maar wanneer de relatie stokt, komen zij tegenover elkaar te staan en breken elkaar af. En zo klinkt in de woorden 'een helper als tegenover hem' niet alleen een visie op relatie door, maar ook een opdracht: Elkaar waardig te zijn.

Een vergelijkbare gedachte wordt verwoord in een uitleg van de woorden man (iesj, geschreven met de letters alef, joed, sjien) en vrouw (isja, geschreven met de letters alef, sjien, hee). Een midrasj zegt daarover:

Wat deed de Heilige-gezegend-zij-Hij? Hij gaf Zijn naam tussen hen: JH (joed, hee). Als zij in Mijn wegen gaan en Mijn geboden houden, dan is Mijn naam tussen hen gegeven en redt hen van alle benauwdheid; en als [zij dat] niet [doen], dan neem Ik Mijn naam van tussen hen weg en worden zij vuur en vuur. (Pirkee deRabbi Eliëzer 12)

De Godsnaam (joed, hee) is tussen iesj en isja verdeeld: elk heeft er één letter van. En als je de Godsnaam uit iesj en isja weghaalt, hou je tweemaal de letters alef en sjien over: eesj = vuur.

3) Tsela – rib of zijde
Gen. 2:21-22 vertelt dat God één van de tselaot van de mens nam en die tsela bouwde tot een vrouw. Traditioneel wordt tsela opgevat als “rib”. We vinden deze opvatting ook al in de rabbijnse literatuur. Zo zegt de Targoem Jonatan (een Aramese vertaling van de Tora uit de 7e/8e eeuw):

Hij nam één van zijn tselaot,
het was de dertiende tsela aan de rechterkant.

Maar er is ook een andere opvatting. Want Gen 2:21-22 is de enige plaats in Tenach waar tsela “rib” betekent. Verder komt het met name voor in de beschrijving van de tabernakel (Ex. 25-27 en 36-38) en de tempel (1 Kon. 6 en Ezechiël 41). Bijv. Ex 25:12:

Men moet [in de tabernakel] een ark maken van acaciahout ...
Je moet er vier gouden ringen voor gieten
en deze bevestigen boven zijn vier voetstukken,
en wel twee ringen aan de ene tsela
en twee ringen aan de andere tsela (Ex. 25:12).

Tsela betekent hier dus “zijde”, “zijkant” (zie ook 2 Sam. 16:13). Bij de beschrijving van de tempel in 1 Kon en Ezechiel kan het ook “zijkamer” of “zijvleugel” betekenen.
Zou tsela misschien ook in Gen. 2 “zijde” kunnen betekenen? Volgens sommige midrasjiem wel:

Rabbi Jirmeja ben Elazar zei: Toen de Heilige-gezegend-zij-Hij de eerste mens schiep, schiep Hij hem androgyn (tweeslachtig, mannelijk en vrouwelijk tegelijk); dat is de bedoeling van de woorden: 'Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen ... en Hij noemde hun naam Adam' (Gen. 5:2).
Rabbi Sjmoeël bar Nachman zei: Toen de Heilige-gezegend-zij-Hij de eerste mens schiep, schiep Hij hem dubbelzijdig (letterlijk: met twee gezichten), zaagde hem door en maakte hem tot twee aparte lichamen. En dat is de bedoeling van de woorden: 'En Hij nam één van zijn tselaot' (Gen. 2:21). [Genesis Raba 8,1]

Exodus 22: 20-26 - Dodo van Uden

Zondag 19 februari 2017

Lening

door Dodo van Uden

In deze bijdrage richt ik mij op Exodus 22:24-26 en de parallelle tekst in Deut. 24:10-13.

vers 24: Ook in bijbelse tijden hadden mensen soms een lening nodig: om zaaigoed te kopen, voor het bouwen van een huis, om een tijdelijke krapte te overbruggen en dergelijke. Er waren echter nog geen banken, dus was je voor een lening aangewezen op een familielid, een vriend, een plaatsgenoot, kortom op een individu uit je omgeving. Om te zorgen dat mensen die geld genoeg hadden, geen misbruik zouden maken van mensen die geld nodig hadden, verbiedt de Tora in zo’n geval het nemen van rente. Wanneer iemand uit je omgeving in moeilijkheden raakt, ben je verplicht hem te lenen wat hij nodig heeft om er bovenop te komen. En voor die lening mag je geen rente vragen (zie ook Lev. 25:35-36).

vers 25-26: Uit deze verzen blijkt dat bij een lening wel een onderpand hoort, dat de lener moet geven aan de uitlener als garantie voor het terugbetalen van de lening.

De uitlener zou – als sterkste partij – aan de lener allerlei eisen kunnen stellen. Hij kan iets speciaals eisen als onderpand. Hij kan zelfs het huis van de lener binnengaan om het pand eigenhandig op te halen. Deut 24,10-11 zegt dat een dergelijk – voor de lener vernederend - optreden niet toegestaan is. De uitlener mag de lener niet onder druk zetten, hij mag niet zijn privacy schenden en hem niet in zijn waardigheid aantasten. De lener moet ‘in jouw omgeving’ (Lev. 25:36) kunnen blijven leven, en niet van schaamte de benen hoeven nemen.

Bovenstaande regel geldt voor iedereen die een lening nodig heeft. In Deut. 24,12-13 en Ex. 22,26-27 vinden we een bepaling voor het geval de lener arm is. In dat geval moet de uitlener het onderpand elke avond aan de lener teruggeven.
Een arme heeft niet veel mogelijkheden om een onderpand te geven. Eigenlijk het enige dat daarvoor in aanmerking komt, is zijn mantel. Overdag kan hij die wel missen, omdat men doorgaans alleen een lang hemd, een tuniek, droeg. De mantel droeg men alleen bij speciale gelegenheden, bijvoorbeeld om naar de stad te gaan. Maar de armen gebruikten hun mantel ook als beddengoed. Moeten slapen zonder mantel zou een aantasting van de eerste levensbehoeften betekenen. En daarom moet de uitlener het onderpand van de arme bij zonsondergang aan hem teruggeven.
Niet alleen mag de uitlener de lener geen rente vragen, hij mag hem ook niet op een andere manier ‘uitkleden’, letterlijk noch figuurlijk.

De passage in Deut. 24 eindigt met de woorden: “En dat is voor jou tsedaka (gerechtigheid) voor het aangezicht van de Heer, je God” (vers 13).
Door zo te handelen, door de arme elke avond zijn mantel terug te geven, doe je tsedaka, een begrip dat bij gebrek aan beter meestal vertaald wordt met ‘gerechtigheid.’ Uit dit voorbeeld is mooi te zien wat dit begrip betekent. Tsedaka is een daad waarin recht en erbarmen met elkaar zijn verweven.
Wanneer je als uitlener de arme puur met recht zou benaderen, dan zou je het pand ook 's nachts houden. Wanneer je als uitlener de arme puur met erbarmen zou benaderen, dan zou je geen pand van hem nemen of je zou zelfs van de lening een gift maken. Maar, vooronderstelt de tekst, de arme heeft je om een lening gevraagd en niet om een aalmoes. En dus moet hij, net als ieder ander, een pand geven. Je moet hem als uitlener recht doen: je mag hem niet beschaamd maken door hem het pand of de lening cadeau te doen. Maar tegelijk moet je hem erbarmen betonen: je moet hem het pand teruggeven, zodra hij niet beperkt wordt in zijn eerste levensbehoeften. En dat, zegt de tekst, is tsedaka, een daad waarin een samengaan, een verbinding van recht en erbarmen tot uitdrukking komt.

Eigen vertaling van een gedeelte van de besproken teksten:

Exodus 22:25-26a
25. Als je de mantel van je naaste als waarborg meeneemt,
moet je hem die voor zonsondergang teruggeven.
26. Want die is zijn enige bedekking,
het is de mantel voor zijn huid.
Waarin kan hij anders slapen?

Deuteronomium 24,10-13
10. Wanneer je aan je naaste een lening hebt geleend van wat dan ook,
mag je zijn huis niet binnengaan om zijn onderpand in pand te nemen.
11. Je moet buiten blijven staan,
en de man aan wie jij geleend hebt, brengt het onderpand naar jou toe, naar buiten.
12. En als het een arme man is,
mag je niet met zijn onderpand gaan slapen.
13. Teruggeven, teruggeven moet je hem het onderpand
bij het ondergaan van de zon;
dan kan hij slapen in zijn mantel en je zegenen.
En dat is voor jou tsedaka (gerechtigheid) voor het aangezicht van de Heer, je God.

Leviticus 25:35-36
35. Als je broeder in financiële moeilijkheden raakt
en zijn bestaan wankelt,
in jouw omgeving,
dan moet je hem ondersteunen,
- en dat geldt ook voor de vreemdeling die bij je woont -,(zie noot)
zodat hij kan blijven leven,
in jouw omgeving.
36. Neem van hem geen rente of winst,
heb ontzag voor God,
zodat je broeder kan blijven leven,
in jouw omgeving.

Noot: De ‘vreemdeling die bij je woont’, de vreemdeling dus die deel uitmaakt van de gemeenschap, heeft dezelfde rechten en plichten als de andere leden van die gemeenschap. Voor de ‘doortrekkende vreemdeling’, de passant, zoals bijvoorbeeld een handelsreiziger, gelden andere regels. Van hem mag je wel rente vragen (Deut. 23:20).

Exodus 01 - Lukas de Groote

Zondag 9 februari 2020

Lukas de Groote, gepensioneerd huisarts, is een gepassioneerd lezer van de Hebreeuwse bijbel. Klik hier voor zijn uitleg van Exodus 1.