Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 27 augustus 2017
Zondag 23 augustus 2020


‘Paulus’ doxologie’

door Peter Tomson

Zie ook de
Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

Deze epistelpericoop sluit op verhoogde toon en in liturgische taal het geladen, centrale gedeelte af van Paulus’ lange en complexe brief aan de Romeinen, hoofdstuk 9-11. Er is geen direct verband met de voorgaande hoofdstukken, anders dan dat de diepte van Gods ‘wijsheid’ wordt benadrukt. De reden om juist dit te kiezen als epistellezing is niet evident ‒ omdat het zo ‘mooi’ klinkt? Wel bij de inhoud van het voorgaande past de profetenlezing uit Jes 51:1-6 (‘de Heer troost Sion’). De confronterende taal van het evangelie, Mat 16:21-27 (‘ga achter mij satan’), is er moeilijk mee te rijmen.
Het slot van Rom 9-11 sluit qua toon aan op de inleiding, 9:1-5, waar naast de bewogenheid van Paulus om zijn volk ook op plechtige toon de ‘voorrechten’ van Israël worden bezongen. Bijzondere woorden sieren het op (11:33): ‘ondoorvorsbaar’ of ‘ondoorgrondelijk’ (anexereunatos) en ‘onnavolgbaar’ of ‘onbegrijpelijk’ (anexichniastos) zijn beide praktisch uniek in het NT (Ef 3:8 lijkt sterk op imitatie van dit vers) en echt zeldzaam in de overige oud-Griekse literatuur. Ook profetencitaten komen eraan te pas, Jes 40:13 (11:34) en ‒ hier is het onzeker ‒ Job 35:7 of 41:1 (11:35). De toon is goed getroffen in de prachtige hymne, Liedboek 943: ‘God gaat zijn ongekende gang / vol donkere majesteit’ (J.W. Schulte Nordholt, vertaling van W. Cowpers veel plattere regels: ‘God moves in a mysterious way / his wonders to perform’; zie vooral ook de zesde strofe).
Op dit punt in zijn brief aangekomen overziet Paulus de moeizame verhoudingen in Rome en in Judea in het licht van Gods geschiedenis met Israël en met de mensheid. Bij alle inspanningen die hij en andere mensen van goeden wille voor de goede zaak kunnen leveren, moeten zij ook hun grenzen erkennen en uiteindelijk berusten in Gods raadsbesluit, vertrouwend op zijn oneindige liefde en wijsheid. Dit ‘beaamt’ Paulus, letterlijk, met een doxologie: ‘want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, aan Hem de glorie in alle eeuwen, amen’ (11:36).
Duidelijk is dat hier alleen van God de Schepper en Vader van alle mensen gesproken wordt, en Christus wordt helemaal niet genoemd ‒ omdat het raadsel van Israëls geschiedenis nog niet opgeklaard is? (zie ook Fil 4:19; Ef 3:21; Gal 1:5).