Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 4 september 2022

door Adri van der Wal

Navolging

Lucas koppelt geregeld passages. Zo ook hier. De passage Lucas 14:25-33 is nauw verbonden met de voorafgaande, de parabel van de verontschuldigingen (Lucas 14:15-24). In die gelijkenis wordt het heil uitgedeeld zonder dat er eisen gesteld worden. Mensen worden zelfs gedwongen (Lucas 14:23: NBG-1951; Willibrordvertaling-1995) om in de feestzaal binnen te komen. In de te lezen passage blijkt dat deelname aan Jezus’ weg niet zo vanzelf spreekt. Evenals in Lucas 9:57-62 gaat het in Lucas 14:25-33 over navolging en discipelschap. In beide gedeelten blijkt dat dit ingrijpende keuzes met zich meebrengt.

Lucas’ reisverhaal
De passage Lucas 14:25-33 is een gedeelte uit het grote middenblok in Lucas’ evangelie, waarin de evangelist Jezus’ opgaan naar Jeruzalem beschrijft (Lucas 9:51 – 19:28). Daar zal Hij lijden en sterven. Jezus maakt deze reis niet alleen. Lucas vertelt dat velen met Hem meereizen (Lucas 14:25: “vele scharen”). Onderweg naar Jeruzalem geeft Jezus onderricht, stelt Hij zijn reisgenoten voor keuzes, verricht Hij wonderen, eet Hij met mensen. Zo ontvouwt zich de volheid van zijn missie.

Lucas vertelt aan het begin van de passage dat Jezus zich naar de medereizigers omkeert. Zo spreekt Hij hen toe. Hij zoekt geen spreekgestoelte, geen hogere plaats, maar staat gelijkvloers met zijn luisteraars. Zo is Hij met mensen in gesprek.
Kennelijk loopt Jezus voorop. Hij wijst de weg, is de voorganger. Dat roept de associatie op met de wijze waarop de Eeuwige zijn volk de weg wees door de woestijn op weg naar het beloofde land (Exodus 13:21).

Voorop zetten
Blijkens Lucas 14:26 maakt Jezus biologische verbanden ondergeschikt aan het geloofsverhaal. Relaties komen op het tweede plan. Jezus vraagt niet ze te verbreken. Vanuit zijn gerichtheid op het Koningschap van God (Lucas 4:43; 9:60) heeft Jezus zelf ingrijpende keuzes gemaakt. In Lucas 2:41vv vertelt Lucas dat Jezus als twaalfjarige jongen in Jeruzalem in het leerhuis van de tempel blijft om daar met de geestelijke leiders in Tora en profeten te lernen, luisterend en vragend. Hij noemt dat “bezigzijn met de dingen van zijn Vader” (Lucas 2:49). Blijkens Lucas 8:19-21 noemt Hij hen die Gods woorden horen en doen, zijn moeder en broers.

Martelaarschap
In Lucas 5:1-11 zien we dat navolgen achterlaten betekent. Dat vinden we ook in Lucas 18:29.
In Lucas 9:23 wordt daar een ingrijpend element aan toegevoegd: kruisdragen, bereid zijn om vol te houden en lijden, martelaarschap, op zich te nemen. Aan de leerling/volgeling wordt solidariteit gevraagd met Hem die zijn kruis droeg. Daar moet de volgeling niet voor weglopen. De woorden uit Lucas 9:23 volgen op de belijdenis van Petrus (Lucas 9:20) en worden tot een groep (“allen”) gesproken. In Lucas 14 horen we Jezus opnieuw zeggen dat de leerling/volgeling zijn kruis moet dragen, ook daar tot een groep gezegd. Daarmee zal de evangelist hebben ingespeeld op de praktische situatie van hen aan wie hij schreef. Zij riskeerden de dood als mogelijke en uiterste consequentie van hun geloofskeuze.
Vergelijk hiermee wat in de Babylonische Talmoed, Berachot 61b, wordt verteld over Rabbi Akiva:
Toen Rabbi Akiva weggeleid werd om terechtgesteld te worden, was het de tijd om het Sjema te reciteren. Terwijl men zijn vlees met ijzeren kammen kamde, reciteerde hij het Sjema en nam hij het juk des hemels op zich. Zijn leerlingen zeiden tegen hem: Onze leraar, zelfs nu blijft u het Sjema reciteren? Hij zei tegen hen: Heel mijn leven heb ik geworsteld met de woorden ‘Met heel uw ziel’, welke ik begreep als: zelfs wanneer God jouw ziel neemt. Ik zei tegen mijzelf: Wanneer zal mij de gelegenheid geboden worden deze woorden te vervullen? Als die mij nu geboden wordt, zal ik die niet vervullen?

Keuzes maken
Met Jezus onderweg zijn vraagt keuzes. Drie keer klinkt in deze passage de zinsnede “kan mijn leerling niet zijn” (vers 26.27.33). Leerling zijn kan alleen als er ingrijpende keuzes gemaakt worden: met betrekking tot de relaties (14:26), het kruisdragen (14:27), het bezit (14:33). N.A. Schuman: “… dat op de messiaanse weg niets, maar dan ook niets veroverd en krampachtig vastgehouden dient te worden. Dat alle veroveringszucht, behoudzucht, krampachtigheid ten opzichte van bezit en relaties, op die weg slechts een blok aan het been is.” (Een reisverhaal. Leesoefeningen in Lucas, ’s-Gravenhage 1981, 122-123).
In TaNaCh is het maken van keuzes een centraal thema. In Deuteronomium 30:15vv stelt Mozes zijn volksgenoten voor de keuze tussen trouw zijn aan de Eeuwige (leven) dan wel het verlaten van zijn weg (dood). Indringend legt Mozes dit in zijn geestelijk testament aan Israël voor. In Jozua 24 doet Jozua kort voor zijn dood hetzelfde. Herhaald reageert het volk met de uitspraak: “De Eeuwige zullen wij dienen.” (Jozua 24:18.21.24). Ook de oproepen tot omkeer (tesjoevah) van de profeten roepen op tot het maken van keuzes.
In zijn bespreking van de parasja Mikeets (Genesis 41:1-44:17) gaat rabbijn Jonathan Sacks op dit thema in (Nederlandse uitgave: Genesis. Boek van het begin, Middelburg 2020, pg. 240vv). Hij noemt daarbij onder meer de in het tractaat Pirké Avoth, de “Spreuken van de vaderen”, overgeleverde uitspraak van rabbi Akiba (3:15):
Alles is voorzien,
maar vrijheid is gegeven.
Hij schrijft: “Wij zijn vrij. Maar we zijn ook spelers in het door God geschreven drama. We kiezen, maar we zijn ook uitgekozen.” (pg. 243)

Goed overdenken
Met twee gelijkenissen (over een torenbouwer en een koning) illustreert Jezus dat het goed is zich eerst over de navolging te bezinnen. In beide gelijkenissen komt hetzelfde zinnetje voor: “eerst gaan zitten” (Lucas 14:28.31). Dat “eerst gaan zitten” vormt een duidelijk contrast met het met Jezus meetrekken in Lucas 14:25. Het gaat om een weloverwogen beslissing. Deze twee gelijkenissen vinden we alleen bij Lucas.
Jezus dringt niets op. Hij nodigt uit. Hij waarschuwt om niet te lichtvaardig te zijn en niet klakkeloos achter Hem aan te gaan.

Zout
Met dit woord duidt Jezus op de kwaliteit van het discipelschap. Zout brengt op smaak (vergelijk Job 6:6), reinigt en conserveert. Zout werd toegevoegd aan offergaven (Leviticus 2:13). Het heet daar “het zout van het verbond van uw God”. Zout staat daar voor het verbond tussen de Eeuwige en Israël. In de Schriften vinden we de term “zoutverbond” (Numeri 18:19; 2 Kronieken 13:5) als aanduiding van een onverbreekbaar verbond. Vermoedelijk refereert het zout in Lucas 14:34-35 aan die verbondenheid.


Adri van der Wal
afgerond: 10 augustus 2022