Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 24 oktober 2021

door Bart Gijsbertsen


Kerkelijk jaar: De zondagen van de herfst
Synagogaal jaar: op 17 Chesjvan 5782 staat Sidra Wajerà (Genesis 18 t/m 22) op het leesrooster.


Adagium (zie commentaar bij Hebreeën 3)
De Zoon van God is bezig het zaad van Abraham vast te grijpen. Hierom moest Hij dus in alles aan de broeders gelijk worden, opdat Hij ten overstaan van God zou zijn: een meedogende en betrouwbare hogepriester; om de zonden van het volk te verzoenen. (zie Hebr. 2:16-18)

NB:
1. De schrijver concentreert zich op zijn eigen volk, de Hebreeën (zaad van Abraham, de broeders, het volk). Overal in zijn brief richt hij zich tot de laos (Israel); nooit vermeldt hij de etnè (heidenen, niet-Joodse volkeren) zoals Paulus zoveel doet.
2. De schrijver vertelt zijn volksgenoten dat Jezus hun hogepriester wil zijn en wat dat betekent. Daarmee slaat hij een eigensoortig thema aan; nergens elders in het Nieuwe Testament vind je Jezus getekend als (hoge)priester.

Voor Hebreeën 5: 1-10 - zie het commentaar bij 21 maart 2021.

Hebreeën 6:9-20

9 Maar goed, geliefde vrienden,
Wij zijn er wat jullie betreft van overtuigd
dat je het betere en bevrijdende (leven aanhangt).
Ook al spreken wij zoals daarnet.
10 God is immers niet onrechtvaardig.
Hij vergeet jullie arbeid niet,
noch de liefde die jullie voor zijn Naam betoond hebben
in hulpvaardigheid jegens de heiligen,
in verleden en heden.
11 Maar wij verlangen
dat ieder van jullie eenzelfde volle inzet aan de dag legt
met het oog op de waarborg van onze hoop;
en dat ten einde toe.
12 En dat jullie niet laks worden,
maar navolgers van degenen die
over een weg van geloofsvertrouwen en geduld
erfgenaam zijn van de belofte.

13 Want God deed aan Abraham een belofte!
Hij zwoer die belofte bij zichzelf - (Gen. 22:16)
omdat Hij bij niemand kon zweren
die hoger was dan Hijzelf -
met de woorden:
14 'Waarachtig, zegenend zal Ik je zegenen,
en vermeerderend zal Ik je vermeerderen.' (Gen. 22:17)
15 En daarna heeft Hij geduldig de belofte ingelost.
16 Mensen zweren namelijk bij wat hoger is;
en zo'n eed dient voor hen ter bekrachtiging,
als einde van alle discussie.
17 En zo heeft God,
toen Hij de onwrikbaarheid van zijn besluit
wilde onderstrepen voor de erfgenamen van zijn belofte,
dat met een eed bekrachtigd.
18 Zo hebben wij -
die ons op die eed beroepen hebben;
waarbij het ook nog eens onmogelijk is
dat God zou liegen -
in twee onwrikbare stellingnames een sterke aansporing
om ons vast te klemmen aan de onderhavige hoop.
19 Wij hebben deze hoop,
veilig en betrouwbaar,
als een anker voor de ziel; een anker
dat binnenloopt tot in het binnenste van het voorhangsel, (Lev. 16:2,12)
20 de plaats waar ten bate van ons
als voorloper is binnengekomen
Jeshua;
hogepriester geworden in eeuwigheid
in de rang van Melchizedek. (Ps. 110:4)

Na nog eens zijn volksgenoten vermaand te hebben - nu aangaande laksheid of het loochenen van de Messias c.q. de nieuwe Hogepriester - zet de schrijver zijn betoog weer voort, daarbij de hoop uitsprekend dat zij vastberaden God en hun voorgeslacht niet teleur zullen stellen.
Steeds opvallender wordt in de brief de corporate identity benadrukt. De schrijver stelt het zo voor dat als zijn volks- en tijdgenoten zullen falen, zij daarmee heel hun voorgeslacht met lege handen laten staan. Want dat voorgeslacht heeft gehoopt op de dag van de Priester-Koning, en dat hun nazaten die dag zouden herkennen en - ook namens hun voorouders - omhelzen. Niet voor niets noemt hij zijn lezers c.q. hoorders 'navolgers' en 'erfgenamen' (vers 12). De belofte aan Abraham, die hem en zijn nageslacht vervulde met hoop, en die nu in Christus Jezus bezig is in vervulling te gaan, moet met alle inzet (vers 11) worden omklemd (vers 18). Straks zal de schrijver in hoofdstuk 11 al die voorgaande geloofsgetrouwe en hopende volksgenoten nog eens de revue laten passeren om daarna te benadrukken dat het nú aan zijn eigen tijdgenoten is om die beloften vast te maken en die hoop te vervullen (11:40).

Die beloften en die hoop worden geïdentificeerd met wat Jezus heeft gedaan. De nieuwe toekomst - zo betoogt de schrijver - is begonnen met de Zoon die naar de aarde kwam; korte tijd onder de engelen is gesteld; aan zijn volksgenoten gelijk is geworden; alles heeft ondervonden wat ook zijn broeders en zusters ondervonden, tot en met de dood. Deze Zoon, met de naam Jehoshua - JHWH zal redden, is een nieuwe hogepriester in Israel die de zonden van zijn volk verzoent. En Hij is tegelijk - zoals elke hogepriester in Israel - hogepriester voor de hele wereld, voor alle volken. Zo gaat de belofte aan Abraham in vervulling:
Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des HEREN: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. (Genesis 22:16v.)

Aan het slot van Hebreeën 6 wordt betoogd dat de hoop en de daarbij horende toekomst, die in Jezus is begonnen en waarvoor Hij garant staat, verankerd is in het 'Heilige der Heiligen' van de tempel; 'als een anker voor onze ziel'. Omdat Jezus als hogepriester door het voorhangsel in de tempel is heen gegaan - en dus het 'Heilige der Heiligen' heeft betreden - om de kabels van verzoening en belofte tussen hemel en aarde voor eeuwig te verbinden. 'Hogepriester voor eeuwig' geworden, 'in de rang van Melchizedek'.

Daarmee is de schrijver terug bij het punt waar hij in hoofdstuk 5:10 was gebleven: Jezus, priester-koning, in de rang van Melchizedek. Wat voor rang of orde is dat? Wie heeft daar ooit over gehoord? De enige priesterorde die we kennen is toch die van Aäron en zijn nazaten? Een orde die nota bene door God zelf is ingesteld ten behoeve van Israël en alle volken der aarde. Dus hoe zou naast die orde nog een andere orde of rang kunnen bestaan?

Bart Gijsbertsen