Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 5 juli 2020

door Coen Constandse

Het is een korte tekst, bekend en op het oog eenvoudig en eenduidig. Bij nadere bestudering blijkt het een buitengewoon boeiende, spannende, zelfs explosieve tekst te zijn om in de Joodse context en met het oog op de Joods-christelijke dialoog te lezen. Onderstaande toelichting concentreert zich daarop.


De tekst in het verband van het Matteüs-evangelie
Hoofdstuk 11 zet in met het verhaal van de leerlingen van Johannes de Doper en diens vraag aan Jezus, en Jezus’ aansluitende spreken over het Koninkrijk dat zich baan breekt sinds Johannes. Onmiddellijk aan de tekst vooraf gaat een buitengewoon scherpe, profetische oordeelsverkondiging van Jezus over de reactie van de plaatsen Chorazin, Bethsaïda en Kafarnaüm op de prediking van (Johannes de Doper en) Jezus. Hij tiert over hun onbekeerlijkheid, en contrasteert die met de niet-Joodse steden Tyrus en Sidon, die op de vertoonde ‘krachten’ (11:21) zouden hebben gereageerd als Nineve op de prediking van Jona. Overigens verhaalt Matteüs niets expliciet over Jezus’ optreden in de eerste twee steden.
Vanaf 11:25 is de toon opeens totaal anders. Dat doet weldadig aan maar is toch ook wat omineus, hoe hard en scherp Sodom en Gehenna enerzijds en welbehagen, rust en zachtmoedigheid aan de andere kant naast elkaar staan.
Hoofdstuk 12 vervolgt met twee episodes over de sabbat, waarmee het thema van de door Jezus beloofde rust (anapausis) en diens onderwijs verder uitgewerkt wordt. Na de genezing op sabbat (12:9-14) beginnen Farizeeën te complotteren om Jezus te doden. Ook omdat Mat. 11:25-30 doet denken aan het slot van Mat. (28:16-20) is het mogelijk hier een cesuur of wending in het evangelie te zien (Zo Alberto Mello, Mattheüs de Schriftgeleerde). Het in 12:1 herhaalde ‘te dien tijde’ (en ekeinooi tooi kairooi) kan daar aanwijzing voor zijn (ook 14:1, over Herodes en de dood van Johannes begint met dezelfde woorden).

De tekst (Matteüs 11:25-30)
De tekst bevat duidelijke verwijzingen naar Jesaja 29:14, Jeremia 6:16 (geciteerd in 11:29) en Jezus Sirach 51; een mengeling van profetische en wijsheids-elementen. Mello ziet de tekst als een compositie van Matteüs, naar het model van Sirach 51, op basis van uitspraken van Jezus. Flusser ziet verwantschap met Esseens erfgoed en Qumran.

Vers 25
De woorden van Jezus doen denken aan de gebruikelijke formulering van Joodse zegenspreuken: gezegend, Gij, koning van hemel en aarde, gevolgd door de inhoud, de motivering van de lofprijzing. Hier is dan het ‘Vader’ bij ingevoegd. Jezus richt zich tot de Vader, naast Gethsemane (Mat. 26) voor de enige keer in Matteüs.
In taal en vorm toont Jezus’ uitspraak in vs. 25-27 verwantschap met teksten uit Qumran (o.a. de Dankpsalmen, 1QH 4:26vv.; en de Habakuk-uitleg, 1QpHab 12,4). David Flusser ziet een verwantschap van deze uitspraak met de zaligsprekingen. Hij verbindt die met ‘de sociale visie van de Essenen’. Armen, zachtmoedigen, eenvoudigen hebben daarin een bijzondere, bevoorrechte positie. De gemeenschap van Qumran spreekt over zichzelf als ‘de eenvoudigen van Juda’. Daar vinden we ook de scherpe tegenstellingen zoals in Mat. 11, een scheiding ook tussen ingewijden met kennis, en dwalende, onwetende anderen.
Onduidelijk is op welke geopenbaarde dingen Jezus doelt. Het is uit het voorgaande niet onmiddellijk duidelijk. Gaat het om het oordeel (vs. 16-24), Jezus’ messiaanse optreden (vs. 4-5), zijn woorden over Johannes en het Koninkrijk (7-15), of wijst het vooruit (vs. 27-30)?

Vers 26
De verwijzing naar het welbehagen van God is een bekende formulering, o.a. in gebeden ‘moge het uw wil/welbehagen zijn’ (Hebr. ratson). Zie Strack-Billerbeck I, 607. In Qumran spreekt men over zichzelf als ‘de zonen/kinderen van uw welbehagen’ (1QH 19:9).

Vers 27
Na de aanspraak van de Vader gaat Jezus over tot het aanspreken van zijn gehoor. Dat lijkt toch een soort breuk met het voorgaande.
In het bijzonder het tweede deel van deze uitspraak van Jezus doet uiteraard denken aan het Johannes-evangelie. Het sluit aan bij Matteüs’ nadruk op Jezus als Zoon van God (3:17; 4:3,6; 8:29; 14:33; 16:16; 26:63). Voor de intieme verhouding tot God en het zelfbewustzijn t.a.v. de goddelijke missie zijn de Dankpsalmen van Qumran in dit verband ook een interessante parallel, zij het dat daar de zelfidentificatie met ‘Zoon van God’ ontbreekt.
Opmerkelijk zijn (a) de volgorde en (b) de exclusiviteit in de uitspraak. (a) Dat de Vader de Zoon kent gaat voorop. (b) Alleen de Vader kent de Zoon, en alleen de Zoon beschikt over de kennis van de Vader. De Zoon is dan ook de enige die deze kennis kan openbaren (dus niet – of niet langer – de Vader zelf!). De exclusiviteit en de unieke messiaanse claim zijn onmiskenbaar. In de vorm zou deze uitspraak ook voor het volk Israël als Zoon van God kunnen gelden: God heeft zich aan het volk geopenbaard als Vader en het is aan het volk om dat kenbaar te maken onder de volkeren. Dat concentreert zich hier op Jezus, en het al dan niet (h)erkennen van hem is maatgevend voor het kennen van de Vader.
Het specifieke van het werkwoord kennen (epi-gignooskoo, niet gignooskoo zonder meer dat veel vaker voorkomt) lijkt te duiden op een intensivering: ‘werkelijk, volledig kennen’. Dit versterkt de exclusiviteit en intimiteit tussen Vader en Zoon, maar kan ook relativerend werken: er is wellicht ook een (beperkter) kennen van God mogelijk.
Waar in vs. 25 de Vader nog aan eenvoudigen openbaarde, is hier de Zoon exclusief subject van openbaring.

Vers 28
Aansluitend bij de ‘messiaanse’ verklaring over zichzelf en zijn relatie tot de Vader roept Jezus nu mensen tot zich. Vanaf vs 27 gaat het voortdurend over Jezus, in de eerste persoon: tot mij, mijn Vader, mijn juk, mijn last.
Wie Jezus voor zich heeft en tot wie Hij zich richt, is in het voorgaande niet nader gespecificeerd. Hij roept alle vermoeiden en (over)belasten. De toon is open, uitnodigend en mild, zeker in vergelijking met vs. 16-24. Een oproep tot bekering ontbreekt bijvoorbeeld ook.

Vers 29-30
De beloofde rust is te vinden door Jezus’ juk op te nemen en van hem te leren. Het woord ‘juk’ is een bekend begrip in het Jodendom om het doen en horen van de Tora mee uit te drukken. Zo komt het ook in Jezus Sirach 51:26 voor (waar Tora en wijsheid gecombineerd zijn) en in Pirke Avot 3,5. Maar ‘juk’ wordt ook verbonden met ‘het Rijk der Hemelen’. Het op zich nemen van het ‘juk van het Rijk der hemelen’ betekent het aanvaarden van de God van Israël als koning. Wie het Sjema (Deut. 6:4) belijdt, neemt het juk van het Rijk der hemelen op zich. Het drukt dus de verbinding met God uit, in de erkenning van Hem als koning en het aanvaarden van de geboden.
Daarin neemt Jezus nu de centrale plaats in, als uitlegger van de Tora. Zijn uitleg, zijn onderwijs brengt rust voor de ziel. In Jeremia 6:16 is dat verbonden met de ‘oude weg naar het goede’. Dit woord van Jezus, los van vs. 27, bevat op zichzelf niet de exclusiviteit van vs. 27. Maar in verband daarmee gelezen wordt Jezus gepresenteerd als de ware uitlegger van de Tora, van de kennis van de Vader.
Waarin de rust precies bestaat, wordt niet expliciet verwoord. Het gaat om komen tot Jezus en leren. Bij die leer lijkt het niet om een eenduidige, afgeronde les te gaan, die je eenmaal leert en daarna zelfstandig in praktijk brengt. Het is eerder ‘in de leer gaan’, en je stellen in de verhouding leraar-leerling (die, aldus Mello, gelijkenis vertoont met de relatie vader-zoon).
De afspraak uit Pirke Avot is mogelijk verhelderend. Het op zich nemen van het ‘juk van de Tora’ betekent daar dat men gevrijwaard is van het ‘juk van het wereldse rijk’. Mogelijk betekende dat vrijwaring van belastingen of wettelijke verplichtingen. Maar het kan ook – als Mat. 6:22-34 – betekenen dat als de Tora en het Rijk der Hemelen je centraal stelt, je wereldse zorgen verdwijnen of gerelativeerd worden.

Afsluitende vragen en opmerkingen
- De grilligheid en dubbelheid van Jezus in deze tekst zijn fascinerend. Woede, oordeel en zachtmoedigheid; gebrek aan weerklank, met woede, onmacht en frustratie wordt gevolgd door machtig zelfbewustzijn ‘alles is mij overgegeven …’
- De rust, het zachte juk en de lichte last van Jezus: hoe verhoudt die zich tot de Bergrede (toch eerder aanscherping van de Tora dan verlichting) en tot het kruis op zich nemen (Mat. 16)? Of is omgekeerd deze tekst de sleutel om die beide andere te ontsluiten?
- Uiteraard is voor de Joods-christelijke ontmoeting vs. 27 een spannende tekst. Is Jezus de exclusieve ‘toegang’ tot de Vader? Dat Jezus een soort christelijk bezit zou kunnen worden, maakt de tekst zelf al wel onmogelijk, immers: ‘niemand kent de Zoon dan de Vader’! Daarbij: de Zoon bepaalt aan wie Hij de kennis onthult.

Gebruikte literatuur:
Alberto Mello, Mattheüs de Schriftgeleerde, Kampen 2002
The Jewish Annotated New Testament
David Flusser, Tussen oorsprong en schisma
Strack-Billerbeck, deel I
Wise, Abegg & Cook, Dead Sea Scrolls

Coen Constandse
4 juni 2020