Joods-Christelijke Dialoog

Marcus 08: 1-21

Zondag 29 juli 2018

door Coen Constandse

Markus 8:1-21 staat in de buurt van de wending in het evangelie richting de gang naar Jerusalem. Daar gaat de vraag naar Jezus’ identiteit aan vooraf en de belijdenis van Petrus (in Markus 9). Het gedeelte uit Markus 8 lijkt goed te functioneren in die context. De meeste spanning voor de ‘Joods-christelijke dialoog’ zit in het tweede gedeelte, Markus 8:11-21. Daar concentreer ik me op.

Farizeeën
Er is een ontmoeting met Farizeeën. In de tekst staat ‘de Farizeeën’, waarvan de suggestie uitgaat dat het niet een toevallige ontmoeting gaat met enkele Farizeeën, maar dat hier sprake is van een principieel geding. Het verhaalde gebeuren zelf maakt een meer terloopse indruk: er zijn daar ter plaatse Farizeeën en er ontstaat een gesprek. (Opvallend is dat Matteüs in zijn versie van het verhaal ook Sadduceeën aanwezig laat zijn, Mat. 16:1-6; en in een vergelijkbare episode – Mat. 12:38vv.; ook een vraag om een teken – ook ‘schriftgeleerden’). Het lijkt mij raadzaam om bij de uitleg allereerst te zoeken naar het ‘toevallige’ verhaalkarakter en het verhaalde niet meteen op te vatten in de vermeende principiële controverse van Jezus met de Farizeeën.

teken
De Farizeeën komen met de vraag om een teken, ongetwijfeld bedoeld als bewijs van Jezus’ autoriteit en identiteit. De vraag naar een teken – en breder: naar Jezus autoriteit en identiteit – is in het evangelie een terugkerend thema (vgl. Mat. 12:38vv. en de gesprekken volgend op de zgn. ‘tempelreiniging’; vgl. ook bij Paulus 1 Kor. 1:22). Deze vraag wordt in de evangeliën geplaatst in het teken van geloof in/aanvaarding van Jezus, van het zien, onderkennen, begrijpen wie Hij is. (Bij Johannes wordt dit terugkerende thema een bepalend motief; het lijkt erop dat daar deze kwestie als het ware wordt omgedraaid: er is wel degelijk een aantal onmiskenbare tekenen – voor de goede verstaander).

beproeving
Dat de Farizeeën dit vragen ‘om hem op de proef te stellen/te verzoeken’ wordt al snel gelezen als getuigend van een kwade intentie bij de Farizeeën. Dat lijkt me hier niet bedoeld. Het is dubbelzinniger. De Farizeeën gaan op onderzoek uit, en dus komen ze met een test, een proef, op zoek naar bewijs. Daar moet niet zomaar een bewijs van hun ongeloof of kwade wil in gelezen worden.
Voor Jezus echter betekent deze vraag een beproeving, in de zin van de ‘beproeving in de woestijn’ zoals die in Matteüs en Lukas verhaald wordt. Het is kennelijk voor Jezus een verleiding om hemelse macht aan te wenden of daarop aanspraak te maken (door het creëren van brood in de woestijn, of het aanspraak maken op reddende engelen bij een sprong van de tempel). Erop ingaan zou hem van zijn weg afbrengen, precies zoals Petrus’ vermaning volgend op de eerste lijdensaankondiging die dreiging in zich draagt.
Naar de beschrijving in Markus wijst Jezus de vraag zonder meer af. In Matteüs en Lukas is er de verwijzing naar Jona (Mat. 12:39vv.; Mat. 16:4; Luk. 11:29v.).

zuurdesem
In het vervolg waarschuwt Jezus voor het zuurdesem van de Farizeeën. In Markus strekt de waarschuwing zich uit tot het zuurdesem van Herodes, bij Matteüs tot de Sadduceeën; in Lukas beperkt het zich Farizeeën. Het lijkt erop
Met ‘zuurdesem’ is mogelijk een negatieve connotatie bedoeld van bederf, opgeblazenheid, maar dat is niet noodzakelijk (vgl. Mat. 13:33; Luk. 13:21). Het staat hier onmiskenbaar in een negatieve context, maar naar mijn inschatting heeft deze beeldspraak een andere pointe. Bij ‘gist’ gaat om het om iets kleins, een relatief zeer gering ingrediënt dat evenwel allesdoordringend is, dat op zichzelf niet terug te vinden is maar het geheel ‘doordesemt’ oftewel bepaalt. Het is daarom ook gevaarlijk: het kan je besmetten. Als je je daarmee inlaat, zal het ook jou helemaal gaan doordringen. Het moet dus ook iets wezenlijks zijn voor Jezus.
De vraag is dan natuurlijk: waar duidt Jezus op? Wat is dat allesdoordringende bij de Farizeeën? Het vraagt om interpretatie. Die is bij Lukas al te vinden, daar is het meteen ingevuld met hypocrisie. In de literatuur zijn de nodige speculaties te vinden, bijv. politiek, als zou het om een davidische messiasverwachting gaan (R. Pesch, Herder Theol. Kommentar); of ‘kerkelijk’, als weerstand tegen de alliantie van Joden en niet-Joden (A. Mello in de uitleg van de passage in Matteüs, in Matteüs de Schriftgeleerde). Deze volgen echter niet duidelijk uit de context. Gezien het feit dat de tekst uitloopt op een vermaning van de leerlingen, die ondanks de daden van Jezus niet zien, niet begrijpen wat er gaande is, lijkt het mij bij het zuurdesem van de Farizeeën te gaan om hetgeen net is gebeurd: het vragen naar een teken. Ondanks Jezus’ woorden en daden houden de Farizeeën – om de taal van het verhaal te blijven – de boot af. Ze vertrouwen zich niet aan Jezus toe, maar wachten af en willen of kunnen niet zien wat er voor hun ogen in ’s hemelsnaam eigenlijk gaande is.

kern
Het lijkt me dat de kern van het gedeelte ligt in de thematiek van het ‘zien’, en breder het waarnemen, begrijpen en vervolgens geloven. Precies die woorden worden gebruikt in Markus 8:15 (veel meer dan Matteüs en Lukas): horaoo, blepoo apo: ‘Zie, kijk uit voor …’, en Jezus gaat precies daarop door in de volgende verzen.
Vervolgens: op de constatering van onbegrip, verblinding en verharding zelfs bij de leerlingen volgt de genezing van een blinde in Betsaïda, zoals er aan de tweede wonderbare spijziging de genezing van een dove (en stomme) voorafgaat. Alsof er, voorafgaand aan het wonderbaarlijke verhaal gezegd moet worden: wordt geopend! Onderken wat dit alles – nogmaals – letterlijk in ’s hemelsnaam betekent.