Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 22: 15-22

Zondag 22 oktober 2017

Debat over de belasting van Caesar

door Peter Tomson

De belasting van Augustus
In Jezus’ tijd was een debat over de belasting van Caesar allerminst onschuldig. In Matt 22:17 (= Marc 12:14) heet deze belasting kènsos, van het Latijn census. Josephus vertelt dat Augustus deze in 6 n. Chr. liet instellen door Quirinius, zijn legaat in Syrië en Judea. Hij vertelt ook dat ‘Judas de Galileeër’ een gewelddadige protestbeweging begon die jaren later bleek te zijn voortgezet door zijn zonen, die dan ook aan een Romeins kruis stierven, en die uiteindelijk uitmondde in de opstand tegen Rome (Oudheden 18:1-29; 20:102; Oorlog 7:252-255). Al met al moet er onder het volk in elk geval een behoorlijke passieve sympathie zijn geweest voor de beweging.

Lucas noemt de ‘volkstelling’ van Quirinius ook (2:1). Hij dateert deze in de tijd van Jezus’ geboorte, wat jammer genoeg niet klopt met Luc 3:1, 23 en andere bronnen (zie de commentaren); mogelijk heeft hij hier verschillende tradities gecombineerd. Lucas vertelt echter ook dat Jezus tijdens zijn verhoor werd beschuldigd van het opstoken tot weigering om de belasting te betalen. Dat was levensgevaarlijk, zeker voor een ‘Galileeër’ als Jezus – maar Pilatus vond kennelijk dat de beschuldiging geen steek hield. (Lucas gebruikt in beide verhalen het goed-Griekse woord foron: Luc 20:22; 23:2.)

Jezus’ geniale antwoord
In het debatverhaal, dat Matteüs evenals Lucas in bewerking overneemt van Marcus (12:13-17), wordt Jezus op het tempelplein, waar hij kort geleden is opgetreden tegen handelaars en wisselaars, gevraagd of hij ervoor is om de belasting aan Caesar te betalen. In Marcus zijn het ‘enkele Farizeeën en Herodianen’ (mensen uit de hofhouding van Herodes Antipas) die de vraag stellen. Ze kwamen met een vernuftige zet: als Jezus zou ontkennen, zou hij meteen verdacht zijn bij Romeinen, maar als hij bevestigde, zou het volk niet meer achter hem staan.

Jezus’ antwoord is geniaal. Hij vraagt zijn gesprekspartners om zo’n munt voor de belasting. In de tempel zelf werden nl. munten gebruikt zonder menselijke beeldenaar. Ze tonen een dinar, met de kop van de keizer en het bijbehorende opschrift, divus Augustus, ‘de goddelijke, doorluchtige’. Hij vraagt: Van wie is die beeldenaar en dat opschrift. De uitdrukking is geladen: het woord ‘beeldenaar’, eikôn, wordt gebruikt in het scheppingsverhaal, waar de mens wordt geschapen ‘naar Gods beeld’ (kat’ eikona theou). De rabbijns traditie schrijft dezelfde woordspeling toe aan de wijze Hillel, in een midrasj over de ‘beelden’ van de koningen en de mens als ‘beeltenis’ van God (Leviticus Rabba 34.4). Een extra betekenislaag wordt geïmpliceerd doordat de keizer zich een goddelijk karakter laat toeschrijven, terwijl hij evenals zijn onderdanen ook maar een mens is.

De vraagstellers leggen met hun antwoord, ‘Van Caesar’, de bal voor het doel. Jezus kan inschieten: ‘Geef dan aan Caesar wat van Caesar is (omdat het zijn beeldenaar draagt), maar aan God wat van God is (omdat het zijn beeldenaar draagt).’ De goede verstaander weet dat gehoorzaamheid aan de oppermachtige Romeinen verstandig is, maar dat de keizer ook maar een mens is en grotere gehoorzaamheid aan God geboden is. Jezus geeft niet alleen blijk van een superieure debat-techniek, maar ook van een gerijpte politieke visie.

Matteüs’ weergave van het debat
Matteüs heeft niet zoveel veranderd t.o.v. Marcus. Inplaats van ‘toneelspel’ of de ‘huichelarij’ schrijft hij de vraagstellers ‘slechtheid’ toe, maar noemt ze daarna wel ‘huichelaars’; ook hier zijn ze na afloop ‘verbaasd’. Het markantste verschil zit in Matteüs’ inleiding: ‘de Farizeeën hielden een beraad, hoe hem op een woord te pakken,’ en sturen dan enkele leerlingen samen met de Herodianen. ‘De Farizeeën’ als zodanig zijn dus toegevoegd. Bovendien is de uitdrukking ‘beraad houden’ (sumboulion lambanein) alweer een Latinisme – typisch voor de eindtekst van Matteüs.

Terwijl de uitslag van het debat ook hier in het voordeel is van Jezus, worden in Matteüs’ weergave, evenals bij de gelijkenis van de wijngaard (21:45), de Farizeeën naar voren geschoven als vijanden van Jezus.

Het debat in het leesrooster
De keuze voor Jes 45:1-7 is te begrijpen. Cyrus, de keizer van Perzië, wordt door God bij name geroepen om Israëls ballingen te doen terugkeren begin vooral in 44:28 te lezen!). Caesar kan zich spiegelen aan Cyrus.

De lezing van 1 Tess 1:1-5b is minder evident. Misschien heeft men deze alleen gekozen als begin van een kleine serie lezingen uit 1 Tessalonicenzen.

Het verhaal van het debat over gehoorzaamheid aan de keizer of aan God is onuitputtelijk, ook in Matteüs’ versie. Je kunt veel doen met de mens als beeld van God en het relatieve gezag van de keizer. Op zich spreekt er veel voor dat Jezus’ antwoord inderdaad van hemzelf stamt. Het geeft ons een blik op Jezus als iemand die zich tussen zijn tijdgenoten onderscheidde door een even grote exegetische als politieke scherpzinnigheid. Ook dat is een aspect van degeen die wij gedenken bij het breken van het brood.