Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 10: 1-10

Zondag 7 mei 2017

door Theo Witkamp

Johannes 10 opent met een parabel die vanaf vs 7 in verschillende rondes uitgewerkt wordt. Steeds wordt er gespeeld met het beeld en de bedoelde zaak. Het is geen betoog dat we aantreffen, maar een creatieve exploratie van de mogelijkheden die de beelden in zich dragen, uitgewerkt in de context van de hele johanneïsche theologie.
Kenmerkend zijn de polemische opmerkingen aan de ene kant en de positieve uitwerkingen aan de andere kant. De polemische opmerkingen (dieven, rovers, vreemden naar wie de schapen niet luisteren, dieven die slachten en ombrengen) worden opgeroepen door de context (na Joh 9) en door het beeld zelf. De positieve gedachten gaan in wezen allemaal over de herder die de schapen naar het eeuwige leven voert waar ze overvloed zullen ervaren. Het gedeelte eindigt eigenlijk ook niet in vs. 10 en nog in 10:27-28 horen we de echo’s ervan.

Vs. 1-5 tonen ons een herder die ’s morgens bij de hof komt waar zijn schapen achter de omheining veilig de nacht hebben doorgebracht onder de hoede van een wachter. Hij verzamelt hier zijn schapen, waarbij herhaaldelijk gezegd wordt dat zij zijn stem kennen. Dit op zich vriendelijke tafereeltje wordt echter onder het voorteken van conflict gezet. Het opent zelfs met spreken over de dief en de rover (1) en het einigt met de vreemde man waar de schapen bij vandaan vluchten (5). De evangelist noemt het geheel een raadselwoord (paroimia, vs. 6, een mashal) en benadrukt dat ‘zij’ (ekeinoi) het niet begrepen. In dit verband kunnen dat slechts de Farizeeën uit 9:40 zijn, maar ze worden niet meer nader geïdentificeerd. Pas in 10:19 keren ze weer en daar zijn het ‘de Joden’, zoals steeds bij Johannes. Dat ze niet begrijpen waar Jezus het over heeft is een terugkerend thema in het evangelie. Het is hun schuld en tragiek dat ze daar zelfs niet toe in staat zijn (bv. 8:43;12:37-40; vgl. Mar 4:10-12). Het maakt hen zelf tot rovers (vgl. 9:41).

In vs 7-10 volgen twee ik-ben-woorden (“Ik ben de deur”), die allebei een aspect van het vorige belichten. Ook hier valt de polemische framing op. Men heeft veel moeite gedaan om de ‘dieven en rovers’ historisch te identificeren, maar dat is ondoenlijk gebleken. Het zijn globale uitspraken -primair tegen de Joodse leiders hier, maar niet alleen tegen hen- die hierin overeenkomen dat ze Jezus afgrenzen als de enige die heil en overvloed brengt. Alleen hij brengt leven, anderen brengen slechts ellende. Het beeld van de deur staat dichtbij het beeld van Jezus als de weg in 14:6 en concurreert niet met het beeld van de herder (11), maar doet een ander facet oplichten. (De woorden ‘voor mij’ [8], die uitleggers tot wanhoop hebben gedreven, kunnen zelfs gewoon verstaan worden uit de parabel van vs.1-5, zegt Schnackenburg met recht: rovers komen ’s nachts, voordat de herder om de schapen komt.)

De vraag is op welke wijze deze exclusivistische uitspraken zo aan de orde gesteld kunnen worden dat ze werkelijk overvloedig leven betekenen voor hen die ze horen en verstaan.