Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 13: 22-30

Zondag 21 augustus 2016
Zondag 25 augustus 2019 

De gesloten deur

door Peter Tomson

Lucas 13:22 herinnert eraan dat we ons in het ‘Lucaanse reisverhaal’ bevinden (zie vorige week), op weg naar Jeruzalem; het is niet uit te maken of van het de pen van ‘redacteur’ Lucas of die van zijn bron stamt. De zeldzame spreuk in 13:33 wijst richting Jeruzalem, evenals de verzen 34-35 die ook in Matteüs voorkomen. Lucas heeft onze pericoop in elk geval in dat perspectief gelezen.

Daarmee stuiten we op een van de meest krasse verschilpunten tussen Lucas en Matteüs. De passage in Luc. 13:28-29 over ‘jammeren en knarsetanden’ en het aanliggen in het koninkrijk met Abraham, Isaak en Jakob komt ‒ in andere volgorde ‒ ook in Mat. 8:11-12 voor, maar in een totaal andere context. Het betreft daar de niet-joodse centurio van Kafarnaüm, die erop rekent dat Jezus zijn doodzieke slaaf kan genezen zonder zijn huis te betreden, want dat is hij ‘niet waard’. Jezus is verbaasd over zo’n groot geloof, dat hij ‘zelfs in Israël’ (d.w.z. onder joden) niet is tegengekomen. In Lucas komt dat verhaal ook voor, met aan het begin toevoeging van details die de sympathie van de centurio voor de joden doet uitkomen, en het verhaal als geheel illustreert de nadruk op in beginsel goede verhoudingen tussen joden en niet-joden die typisch is voor Lucas.
Niets van dat al in Matteüs; het begin van het verhaal is hier sowieso korter. Daarentegen wordt het eind verlengd, en wel met de woorden over Abraham, Isaak en Jakob, het aanliggen en het knarsetanden. Hier betreft het echter de ‘kinderen van het koninkrijk’ die worden verbannen naar de uiterste duisternis en knarsetanden, terwijl zij die uit oost en west komen zoals de niet-joodse centurio mogen aanliggen in het koninkrijk. We krijgen hier sterk de indruk dat Matteüs het verhaal van de centurio heeft herschreven in het licht van het conflict van zijn gemeente met de Farizeeën en de joden in het algemeen, zoals dat bv. ook in Mat. 23 naar voren komt.

Geheel anders plaatst Lucas de woorden over het knarsetanden, de aartsvaders en het aanliggen in het koninkrijk in het perspectief van Jezus’ tocht naar Jeruzalem; het speelt bovendien tegen de tijd van Pesach. In dat verband stellen ze Jezus de vraag, wie er gered wordt, waarop hij een gelijkenisje vertelt over de ‘smalle deur’ waardoor de mensen naar binnen moeten gaan, maar die op een goed moment gesloten wordt. Als ze dan aankloppen, zal de heer des huizes zeggen dat hij hen niet kent. Volgt het tandenknarsen en het aanliggen in het koninkrijk, en tenslotte de spreuk dat de eersten de laatsten zullen zijn en omgekeerd. Al dit materiaal komt ook verspreid over Matteüs voor. Lucas put duidelijk uit andere bronnen, die een heel ander accent leggen dan Matteüs, maar die heel goed passen in zijn relaas.

In het Lucaanse reisverhaal zijn de lezers met Jezus op weg naar Jeruzalem. Steeds zijn er gesprekken onderweg en stellen omstanders vragen, in antwoord waarop Jezus zijn positie en zijn zending verduidelijkt. Hij komt als profeet naar Jeruzalem en roept Israël op, zich te keren tot God en zijn aankomende koninkrijk te verwelkomen.