Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 13: 1-9

Zondag 24 maart 2019

Kerkelijk jaar: zondag Oculi, 3e in de veertigdagentijd.
Synagogaal jaar: 17 Adar II 5779. 13 Adar ‘vastendag van Esther’. 14 Adar ‘Poeriem’. 15 Adar ‘Sjoesjan Poeriem’. Op sabbat 16 Adar aan de orde Sidra Tsav (Exodus 6:1-8:36).

door Bart Gijsbertsen

Het gaat over doden die vielen omdat er mensen op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren.
Dodelijk geweld als van Pilatus is er wereldwijd. Jezus zelf verloor door zulk geweld Johannes de Doper; en hij voorkomt dat niet.
Een ongeluk als bij Siloam zit volgens Mozes in een klein hoekje (Deut.19:5). En God voorkomt dat niet.
Toch lijkt de al dan niet uitgesproken vraag bij rampen en ongelukken: wat heeft God hiermee te maken?
Ik hoorde vaak: ‘het zijn geen mensen die het je aandoen’. In evangelische kring hoor je veel dat God met ieder mens een persoonlijk plan heeft; maar hoe verhoudt zich dat met alle mensen-nood? Bij de watersnood van 1953 klonk uit heel wat monden: ‘Het is een straf van God’. ‘Het is Gods wil’. ‘Je moet erin berusten’. In orthodoxe kring menen velen dat Jezus zulke berusting bedoelt met zijn gebed ‘Uw wil geschiede’.
Wie seculier is wijst niet naar een god maar spreekt misschien over toeval of stelt dat er geen antwoord is op het ‘waarom?’.

Wat al die reacties en houdingen gemeen hebben is, dat ze weinig vruchtbaar zijn. Het blijft bij een vraag, of bij een (vrome) constatering, of bij een berustende of zelfs fatalistische houding. Vanaf de eerste pagina van de Bijbel wordt tegen zo’n houding geprotesteerd als zijnde heidens.
De meeste dingen in deze wereld zijn niet Gods wil, stroken niet met zijn plannen en bedoelingen. En daarom is de bede ‘Uw wil geschiede’ geen woord van berusting, maar een appèl om de wil van de ENE op aarde te laten plaatsvinden. Waar dat appèl wordt gehoord, staat een Mordechai op tegen Haman, of staat een heel volk op tegen de Farao. Daarbij het oog op God gericht (Zondag Oculi).

Jezus lijkt in Lucas 13 een soort omkering te prediken. Hij stelt dood door geweld (de soldaten van Pilatus) en dood door een ongeluk (toren van Siloam) voor als een wake-up-call voor de nog levenden. ‘Als jullie niet tot inkeer komen, zal jullie hetzelfde overkomen’.
Daarmee zet hij zich in een profetische traditie. Een gebeurtenis wordt metafoor voor de verhouding tussen God en zijn volk. God heeft zo vaak zijn volk (voorgesteld als een wijnstok, vijgeboom of olijfboom) tot inkeer en omkeer geroepen, tot het dragen van vruchten. En Hij heeft zo vaak gedreigd met straffen en ballingschap als die vruchten uitbleven.
En als deze profetische woorden in Lucas in verband te brengen zijn met de val van Jeruzalem en een nieuwe (Romeinse) ballingschap, klinkt hier een appèl om stil van te worden.

Maar naast zo’n profetisch appèl zijn de woorden van Jezus ook te horen als een ethisch appèl voor alle tijden.
Zijn vraag wordt dan: Hoe dicht op onze huid laten we rampen en ongelukken komen? Horen wij er een appèl in?
‘Heb je naaste lief als jezelf’. Een Joodse uitleg van die tekst luidt: ‘heb je naaste lief, want die is als jij’. Met andere woorden, wij hadden het zelf kunnen zijn: op de vlucht uit Mosoel, neergestort met dat vliegtuig, geen cent te makken in Bangladesh, opgroeiend in oorlogsgebied, mishandeld onder een dictatuur, gedood door soldaten, bedolven onder een ingestort gebouw, veroordeeld tot ballingschap….
Natuurlijk geldt voor al die situaties dat er moet worden uitgezocht of er schuldigen zijn, of er een oorlogsmisdaad is gepleegd, of de aannemer gesjoemeld heeft met de bouwregels, enzovoort. Maar de belangrijkste vraag: hoe laten wij zien dat we één zijn met hen die het overkomt?

Tegenover heidense berusting staat het Hebreeuwse begrip choetzpah. Indringend is dit begrip aan de orde gesteld door Darrell J. Fasching in zijn boek Vreemdeling na Auschwitz. 1) Choetzpah, dat is de vrijmoedigheid tot vragen stellen.
Je vindt deze vrijmoedigheid bijvoorbeeld bij aartsvader Abraham, die pal voor God gaat staan en Hem vragen stelt in verband met zijn plan om Sodom te verwoesten. Nota bene, Abraham houdt een pleidooi voor het behoud van Sodom. En de kritiek in de midrasj op Abraham is dat hij nog wel wat langer had mogen doorvragen; zodat Sodom ook was gered ter wille van één rechtvaardige (Gen. 18). Men had van hem meer choetzpah verwacht.

Fasching stelt de vraag waar deze choetzpah, dít bidden, dít vragen in het christendom gebleven is. En hij stelt die vraag na de (Romeinse) ballingschap, na talloze vervolgingen van Joden, na de Shoah. Hoe kon het christendom in zijn algemeenheid zo passief zijn tegenover het kwaad of zeggen ‘het is Gods wil’?
En Fasching verbindt het hiermee dat christenen geloof vooral zijn gaan verstaan als vertrouwen en gehoorzaamheid, in plaats van vragen stellen.
De afwezigheid van choetzpah – van de brutale vragen à la Job, van de moed om midden in deze wereld God vragen te stellen over het kwaad dat geschiedt – heeft volgens Fasching in het christendom de ruimte geschapen om te neigen naar aanpassing; aanpassing aan sociale en politieke ordeningen als door God gewild, zelfs als die ordeningen onrecht creëren.

De vijgenboom heeft kansen genoeg gehad om midden in de wijngaard vrucht te dragen. Maar als de eigenaar hem wil kappen legt de wijngaardenier zich daar niet bij neer. Hij houdt een pleidooi á la Abraham.
Je kunt het leven van Jezus, inclusief kruis en opstanding, zien als zo’n pleidooi. Waarin hij zo ver gaat dat hij tenslotte de plaats inneemt van die boom. ‘Heb je naaste lief, want die is als jij.’
..........
1) Darrell J. Fasching, Vreemdeling na Auschwitz; een nieuwe narratieve inzet in de christelijke ethiek (Zoetermeer 1995).