Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 20: 19-23 (31)

Zondag 23 april 2017
Zondag 8 april 2018
Zondag 9 juni 2019

Door Theo Witkamp

Waarschijnlijk bestaan er geen literaire relaties tussen Luc 24:36-43 en Joh 20:19-20, maar traditiehistorisch zijn er zeker verbanden. In beide versies staat Jezus na de opstanding opeens in het midden van zijn leerlingen, groet hen met: ‘vrede zij met jullie’, is er sprake van vrees en vreugde, en toont Jezus hun zijn handen, zodat zij hem herkennen. Verder gaan beide verhalen eigen wegen. Bij Lucas ligt de nadruk op het gegeven dat de opgestane Jezus geen geestverschijning is, maar dat hij het echt zelf is, met vlees en botten en al. Ze kunnen hem voelen en hem vis zien eten. Het kost de leerlingen hier moeite om hem te herkennen. Dat laatste geschiedt bij Johannes zonder moeite en Jezus gaat hier al snel over tot het geven van de Geest. Het is boeiend om te zien hoe de vierde evangelist met een aantal tamelijk kleine aanpassingen de perikoop theologisch in het geheel van zijn evangelietekst weet in te vouwen.
De eerst aanpassing lijkt de vermelding te zijn dat de deuren gesloten zijn ‘uit vrees voor de Joden’. Het valt op dat waar het de bij Lucas om angst voor een geest gaat, het hier angst voor de Joden betreft. Dit weerspiegelt ongetwijfeld de latere ervaringen van de gemeente van Johannes, zoals deze elders in het evangelie ook vermeld worden (vgl. 7:13; 9:22; 12:42; 16:2; 19:38). In de context van het verhaal kunnen met ‘de Joden’ natuurlijk slechts de Jeruzalemse heersers bedoeld zijn, maar de manier van spreken zelf is een reflex van andere verhoudingen: net zoals met ‘de Duitsers’ tijdens de tweede wereldoorlog de vijanden bedoeld werden, zo is dat met ‘de Joden’ hier ook. Dat Jezus en zijn leerlingen zelf ook Jood waren lijkt hier vergeten te zijn. Inmiddels weten we dat met dergelijke stereotyperingen ook grote schade aangericht is.
Een tweede johanneïsche cursivering vinden we in vs. 19 en 20 waar we lezen over de vrede en de vreugde die de leerlingen ervaren bij het zien van de Heer. Het gaat hier om meer gaat dan om de conventionele groet en de vreugde van het moment alleen. Dat wordt niet alleen duidelijk door de herhaling van de groet in vs. 21, maar ook door de relaties met de afscehidsreden. De evangelist herneemt namelijkde woorden uit 14:27 en 16:16-22, waar Jezus spreekt over de vrede en de vreugde die zijn volgelingen zullen ervaren in een context van conflicten en bedreigingen en van afscheid en terugkeer. Wat Jezus zijn leerlingen in de afscheidsreden in het vooruitzicht stelde zien we hier beginnen.
De verbinding tussen verschijning en zending in vs. 19-23 is een kenmerk van de opstandingsverhalen in het algemeen, vgl. Luc 24:36-49 en Matt 28:16-20 (vgl. het zgn. canonieke slot van Marcus 16:9-20). Toch hebben, met de vele traditionele formuleringen, vs. 21-23 ook een johanneïsche inbedding gevonden. Jezus’ eigen zending, waarover het evangelie steeds gesproken heeft, gaat door (vgl. het perf. apestalken, dat continuïteit aanduidt), maar nu in dat wat zijn leerlingen doen. Hiertoe worden ze gemachtigd met de gave van de heilige Geest. Door het inblazen van de Geest krijgen de leerlingen deel aan het nieuwe leven van de opgestane, wat zondenvergeving impliceert, en zij delen in zijn zending door dit leven door te geven. Hun werk heeft dezelfde betekenis als Jezus’ eigen werk en staat daarmee onder dezelfde grote spanning van levengeven en oordelen als bv. in Joh 5:21-29 en 9:39-31 (vgl. ook Matt 16:19; 18:18).
Het thema van het zien van Jezus wordt in vs. 24-29 hernomen. Dit gedeelte vormt een specifiek johanneïsche toevoeging aan de verschijningsverhalen. De evangelist wil apart de vraag thematiseren of al diegenen die later tot geloof gekomen zijn en de opgestane Jezus niet zelf gezien hebben slechter af zijn dan de eerste leerlingen. Hiervoor kiest hij een van de twaalf als representant uit, Thomas. Ook dit gedeelte wijst terug naar de afscheidsredevoeringen, zie 16:16vv. In 20:24-29 wordt dit weerzien opgenomen en apart gethematiseerd, niet om Thomas klein te maken, maar om de volgende generaties te bemoedigen: zij die niet meer letterlijk Jezus kunnen zien, kunnen hem zien op geestelijke wijze, met de ogen van het geloof en in de gestalte van de Geest. Zij zijn niet slechter af, eerder beter (vgl. 16:7).