Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 03: 1-12

Zondag 4 december 2016
Zondag 8 december 2019

Johannes de Doper
door Jan Finnema

Het gaat hier primair om de profeet Johannes en niet zozeer om de doper (Luz), zijn verkondiging staat voorop: het Koninkrijk der Hemelen is nabij.

Predikend in de woestijn van Judea, dichtbij de Jordaan en met het zicht op de stad Jeruzalem, krijgt zijn boodschap een bijzondere lading. De woestijn is net als bij de Exodus van Israël uit Egypte, je oude levensoord verlaten en je voorbereiden op een nieuwe levensruimte. Met het citaat uit Jesaja 40,3 ‘Luid klinkt een stem in de woestijn: “Bereidt de weg van de Heer, maakt recht zijn paden” maakt Johannes zijn hoorders duidelijk dat met deze Heer gedoeld wordt op Jezus. Door onderdompeling in de Jordaan onder belijdenis van de zonden, wordt het begin van het gaan op die weg gemarkeerd.

(v. 7) Adderengebroed – een uitdrukking die alleen in het NT voorkomt bij Matteüs (3,7; 12,34 en 23,33) en bij Lucas (3,7). Bij Lucas is het de menigte die op deze wijze wordt aangesproken, bij Matteüs zijn het de Farizeeërs en de Sadduceeën. Historisch gezien lijkt deze merkwaardige coalitie zeer onwaarschijnlijk (Fiedler), want de Sadduceeërs als politieke leidersgroep bestaat er in de tijd van Matteüs niet meer. Het noemen van deze groep wil de hoorders herinneren aan historische samenwerking van de Sadduceeërs met de Romeinse bezettingsmacht. De twijfels die zij uitten met betrekking tot Christus komt daardoor in een bedenkelijk licht te staan.

(v. 9) Wij hebben Abraham als vader – het uitverkoren zijn door God zal geen garantie tot uiteindelijke redding (meer) bieden. Het is Johannes te doen om de individuele bekering, een gedachte die we bijvoorbeeld ook bij Ezechiël tegenkomen (hoofdstuk 18). Maar deze individuele bekering laat zich echter niet uitspelen tegen de verbond dat God gesloten heeft! Veelmeer wil deze voorwaarde die Johannes stelt, duidelijk maken dat je dit verbond met God serieus neemt en niet veronderstelt dat je maar kunt doen wat jou zelf het beste bevalt. Deze waarschuwing is specifiek voor hen bedoeld die zich alleen beroepen op het nakomelingschap van Abraham en zelf geen verantwoordelijkheid nemen.

(v. 10) De bijl ligt al aan de wortel – dit beeld onderstreept dat slechts nog een korte tijd rest om je te bekeren. Langer uitstellen is niet gewenst. Het gaat om het hier en nu.

(v.11) Ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen te dragen - ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn slaaf te zijn, waarmee Johannes de afstand benadrukt tussen hem en Jezus Christus, de Heer. Die doopt met Geest en met vuur. Deze elementen getuigen van een eindtijdig gericht van God, het water van de zondvloed (vgl. Mt 24, 37-41) en het vuur dat Sodom en Gomorra vernietigde (vgl. Mt 10, 14v). De Geest die daarbij wordt uitgestort is de louterende Geest die met het gericht wordt verbonden. Het dorsen van het graan verwijst ook naar de finale oogststijd waarbij het kaf van het koren wordt gescheiden.

Ondanks het grimmige taalgebruik van de profeet, mogen we toch beseffen dat hij ons een positief mensbeeld voor ogen stelt. Ten diepste geeft hij de moed niet op, maar vertrouwt erop dat de mens in staat is om het lot te keren ten goede. De harde woorden die gesproken worden roepen op om Gods woord zeer serieus te nemen. Zoals een ouder het kind hard tot de orde roept als het een drukke verkeersweg over wil steken. Stop! Kijk uit!
God is weliswaar genadig (Jo-chanan- Johannes) en God redt (Jo-shua – Jezus), maar dat veronderstelt een proactieve houding! Keuzes maken en daar verantwoordelijkheid voor nemen. Onze inzet, onze ommekeer wordt gevraagd, in het hier en het nu. Het Koninkrijk der Hemelen gaat niet buiten ons om.

Literatuur:
Peter Fiedler, Das Matthäusevangelium, ThKzNT, 2006
Ulrich Luz, Das Evangelium nach Matthaüs (deel 1), EKK (1997)