Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 11: 2-11

Zondag 17 december 2017  - Alternatief rooster
Zondag 15 december 2019 
 

Johannes bevraagt Jezus


door Peter van ’t Riet


Wie deze perikoop behandelt, moet eigenlijk doorlezen tot vers 14 of 15. In vers 2 zit al direct een vertaalprobleem. De vertaling ‘de werken van de Christus’ (NBG-1951) is sterk theologiserend. De hoofdletter suggereert dat hier uitsluitend Jezus wordt bedoeld, terwijl Johannes juist vraagt of Jezus’ werken wel messiaans genoeg zijn. In het jodendom heeft het messiasbegrip een veel bredere strekking. Het is niet gebonden aan één persoon, maar gaat vooral over het naderbij brengen van de messiaanse tijd (het koninkrijk Gods, de komende wereld, ook wel “de verlossing” genoemd).1 Het gaat daarbij om de stichting van een rechtvaardige en welvarende samenleving in Israël op basis van Tora en Profeten. Tal van messiasfiguren kunnen daaraan een bijdrage leveren. Het is dat brede messiasbegrip dat vers 2 transparanter maakt. In vers 3 stelt Johannes immers de vraag of Jezus aan dat messiasbegrip voldoet. De vraag impliceert dat ook anderen een dergelijke messiaanse rol kunnen vervullen. De vertaling ‘het optreden van de messias’ (NBV; met kleine letter) is in dit opzicht beter, hoewel de term ‘optreden’ de band met het Bijbelse begrip ‘werken’ weer onzichtbaar maakt. En die werken worden nu juist zichtbaar in Jezus’ antwoord.

In vers 4-6 geeft Jezus een indirect antwoord aan de leerlingen van Johannes. Dat is typerend voor het joodse leerproces: Luister naar wat er gebeurt en beoordeel zelf maar of dat voldoet aan de profetische criteria voor de messiaanse tijd: blinden en lammen, melaatsen en doven, doden en armen, ze krijgen het allemaal beter (zie bijv. Jesaja 35:4-6, 9-10; 26:19; 29:18-19). Opmerkelijk is dat Jezus niet zeven maar zes kenmerken van de messiaanse tijd formuleert. Een zevende, bijv. de bevrijding van gevangenen uit de hand van Israëls vijanden (Jesaja 61:1), wordt achterwege gelaten. Daaruit blijkt dat ook tijdens het messiaanse optreden van Jezus het koninkrijk Gods weliswaar een vlucht vooruit neemt, maar niet voltooid wordt op aarde. Johannes blijft immers gevangen zitten en zal later gedood worden (Matteüs 14).

Vanaf vers 7 geeft Jezus een duiding aan het optreden van Johannes. Woestijn (vers 7), kleding (vers 8), profeet (vers 9) en het Maleachicitaat (vers 10; Maleachi 3:1) wijzen allemaal in de richting van de profeet Elia, die in zijn tijd een vernieuwer van de profetie was (1 Koningen 17:1v). In vers 14 wordt de identificatie van Johannes met Elia expliciet bevestigd. De verzen 11-13 zijn eveneens vanuit de Elia-achtergrond te verstaan.

In vers 11 zetten vertalingen met ‘groter/grootste’ en ‘kleiner/kleinste’ ons op het verkeerde been. Het gaat om ‘meerdere’ en ‘mindere’. Johannes was als laatste van de profeten (vers 13) de meerdere van al zijn voorgangers. Maar ieder die na hem komt en deelneemt aan het koninkrijk van de hemel, kan als meerdere van Johannes worden beschouwd. In de joodse traditie heeft een latere generatie – mits grondig kennis nemend van eerdere generaties – altijd het “laatste” woord.

In vers 12 wordt aangegeven dat Johannes het koninkrijk van de hemel weliswaar geïnitieerd heeft, maar dat veel van zijn tijdgenoten en wellicht volgelingen zijn gaan proberen het met geweld te vestigen. Bedoeld zijn de Zeloten die vanaf het begin van de 1e eeuw actief waren als verzetsbeweging tegen de Romeinse bezetting en die met gewelddadige middelen het koninkrijk van de hemel (de messiaanse verlossing) wilden realiseren. Opmerkelijk is dat zij niet expliciet veroordeeld worden in Jezus’ woorden. Er liggen hier dan ook een aantal dilemma’s die ons al worden aangereikt vanuit Tenach, ook vanuit de Elia-verhalen. Wanneer is het wel en niet geoorloofd geweld te gebruiken om bevrijding te bewerkstelligen? En hoeveel en welk geweld is in een bepaalde situatie wel en niet geoorloofd?2 Matteüs laat Jezus dat probleem in deze perikoop aanstippen, maar niet rechtstreeks oplossen. Hoogstens krijgen we een hint. Elia wordt immers in Tenach ‘ijveraar’ genoemd (1 Koningen 19:10, 14; zie ook 2 Koningen 10:16-17) en zijn harde optreden tegen het regime van Achab en Izebel inspireerde in Jezus’ dagen de Zeloten (de ‘IJveraars’). In de farizees-rabbijnse traditie is Elia’s optreden dan ook door sommige rabbijnen bekritiseerd wegens te grote hardvochtigheid. Maar in Tenach is de werkelijkheid nooit zwart-wit. Naast kwalijke kanten heeft Elia’s optreden ook zeer positief gewerkt op het voortbestaan van Israël.3 Het dilemma ‘wel of geen gebruik van geweld’ is in de joodse ogen van Jezus en Matteüs alleen op te lossen door de actuele situatie te doordenken met behulp van Tora en Profeten (de strekking van vers 13). De gedachte dat in vers 13 de woorden “tot Johannes” zouden betekenen dat Tora en Profeten daarna hun betekenis hebben verloren (Tertullianus), zou in die dagen in geen enkel joods hoofd zijn opgekomen. Elke vernieuwing in Israël bouwt altijd voort op het oude/bestaande en blijft daar gebruik van maken (zie ook Matteüs 5:17v). Het dilemma dat in vers 11 en 12 wordt voorgelegd, kan alleen op basis van Tora en Profeten (vers 13) worden opgelost. Wellicht is het een hint van Matteüs dat Johannes als de “wedergekomen Elia” wel harde woorden spreekt (zie Matteüs 3:10-12), maar zelf alleen het woord als wapen hanteert.

Tot slot. Wat kan Matteüs met deze Eliavoorstelling bedoeld hebben? De wijze waarop hij in zijn verhalen Johannes de Doper portretteert, verschilt sterk van de wijze waarop Lukas dat doet.4 Kort samengevat komt het hierop neer: Voor Matteüs is Johannes de wedergekomen Elia, die volgens farizese opvatting eerst als wegbereider moet komen om de messiaanse tijd te doen aanbreken. Met deze opvatting, gebaseerd op Maleachi 3:1 en 4:5, probeerden de Farizeeën de overspannen messiaanse verwachtingen van de Zeloten te temperen. Het waren verwachtingen die in de 1e eeuw CJ grote delen van het joodse volk in hun ban hielden. Als Elia niet eerst is gekomen, dan hoeven we al helemaal niet in discussie te gaan over de vraag of de eerste de beste volksleider wel of niet de messias zou kunnen zijn. Matteüs sluit zich bij deze farizese opvatting aan. Maar om Jezus als messias te kunnen presenteren, moet hij vervolgens Johannes wel als de vooraf gekomen profeet Elia beschrijven (zie ook zijn kleding in 3:4). Opmerkelijk is dat Johannes’ optreden eindigt op het moment dat het openbare optreden van Jezus begint (4:12). De messiaanse tijd kan in Matteüs’ ogen slechts een eenhoofdige leiding hebben. Niet al Jezus’ aanhangers dachten daar hetzelfde over. Lukas bijvoorbeeld beschrijft niet Johannes, maar Jezus als Eliafiguur en initiator van de messiaanse tijd, waarvan de voltooiing in Lukas’ ogen in een veel verdere toekomst ligt.5 Ook hij sluit zich aan bij de farizese Elia-idee, maar gebruikt die om op zijn beurt de messiasidee van Matteüs te temperen. Een typisch joodse discussie aan het eind van de 1e eeuw. Ook hedendaagse christenen hoeven dus geen eensluidende opvatting te hebben over de betekenis van Jezus als messias.

Noot

Zie voor het naderbij brengen van de messiaanse tijd in de rabbijnse literatuur bijv.: Strack-Billerbeck I, 599v.
Als Nederlanders zijn we immers maar wat blij dat de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog gewelddadige middelen niet schuwden om ons te bevrijden.
De Bijbel is een realistisch boek. In de verhalen over alle grote Bijbelfiguren komen dergelijke dilemma’s voor.
Zie de hoofdstukken 4 en 5 van Lukas versus Matteüs (Kok, Kampen 2005).
Zie mijn bijdragen voor de zondagen 5 juni 2016 over Lukas 7:1-11 en 16 oktober 2016 over Lukas 18:1-8.