Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 18: 1-8

Zondag 16 oktober 2016
Zondag 20 oktober 2019 


De gelijkenis van de vasthoudende weduwe


door Peter van ’t Riet


Een typisch Lukasverhaal dat men in de andere evangeliën niet aantreft. Ik had over deze gelijkenis eens een gesprek met Willem Zuidema (zijn nagedachtenis zij tot zegen) die niet kon begrijpen dat een rechter in Israël zo onrechtvaardig kon zijn. Maar toen we de sleutel tot het verhaal niet langer in het beeld van de rechter, maar in het beeld van de weduwe zochten, begon het te dagen. Immers, de weduwe is in Tenach en joodse geschriften vaak een beeld voor het verstrooide en verdrukte Israël, of voor Israël in de macht van een vreemde, vijandige mogendheid (bijv. 1 Koningen 17:7 e.v.; Ruth 1:3; Judith 8:4-5; 9:4, 9; 10:3; 16:7; 2 Makkabeeën 7). In Lukas’ tijd (eind 1e eeuw CJ) staat de rechter in deze gelijkenis symbool voor het Romeinse rijk dat in 70 CJ Jeruzalem en de tempel had verwoest en “Voor Joden verboden” had verklaard. Lukas geeft in deze gelijkenis in een notendop zijn messiaanse strategie: Als de joden (de weduwe) de Romeinen (de rechter) maar vaak en dringend genoeg benaderen om hun recht te vragen, dan komt er een moment waarop de Romeinen hen weer ter wille zullen zijn en hun de terugkeer naar Jeruzalem en de herbouw van de tempel zullen gunnen (een messiaanse verlossing!). Dat is de messiaanse strategie die Lukas in zijn evangelie aankondigt en in de Handelingen der Apostelen verder uitwerkt.1 Die strategie vereist vasthoudendheid en doorzettingsvermogen van haar aanhangers (vers 1). Vandaar dat ik deze gelijkenis liever de “gelijkenis van de vasthoudende weduwe” noem. In het verlengde van die Lukaanse strategie laat zich ook de eigenaardige slotzin (vers 8) over de ‘zoon des mensen’ verklaren: Die onderbouwt de strekking van de gelijkenis vanuit Tenach en roept op tot vasthoudendheid.

De Griekse uitdrukking huios tou anthroopou in de evangeliën wordt in vertaling en exegese meestal eenzijdig op Jezus betrokken. Maar in Tenach en joodse traditie is het een term met een veel bredere betekenis. ‘Mensenzoon’ is de vertaling van het Hebreeuwse ben adam, ‘zoon van Adam’, of ‘zoon van de mens’. De term komt in de Psalmen en Profeten regelmatig voor. Vaak is het gewoon een aanduiding voor (individuele) mensen. Het woord adam heeft echter ook een collectieve betekenis: ‘mensheid’. De leden van de mensheid worden daarom ‘mensenzoon’ (‘zoon van de mensheid’) genoemd, waarbij ‘zoon’ ook ‘dochter’ impliceert. Nederlandse vertalingen vertalen de Hebreeuwse uitdrukking ben adam in Tenach meestal met ‘mensenkind’ (bijv. in Psalm 8:5). Daardoor gaat de verbinding met de vertaling ‘zoon des mensen’ of ‘mensenzoon’ in de evangeliën verloren. Als ‘zoon des mensen’ ook nog eens met een hoofdletter wordt vertaald (de handschriften kennen het verschil tussen hoofd- en kleine letters niet) dan worden Bijbellezers gemakkelijk op het verkeerde been gezet en gaan zij denken dat ‘zoon des mensen’ een unieke titel voor Jezus is.

Zoals gezegd duidt de uitdrukking ‘zoon van de mens’ in het Hebreeuws vaak individuele mensen aan. Dat is vooral het geval in boeken als Jesaja en de Psalmen. Daarna vindt een zekere ontwikkeling in de betekenis van deze uitdrukking plaats. In Ezechiël is het meestal de aanspreektitel voor de profeet zelf: “Mensenzoon, profeteer en zeg...” (bijv. Ezechiël 30:1). Een bijzondere vermelding van de term ben adam vinden we in het boek Daniël (7:13-14): “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken van de hemel kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem.” Hier wordt nooit vertaald met ‘mensenkind’, wél altijd met ‘mensenzoon’, omdat aan deze tekst in de christologie een zwaar theologisch accent wordt gegeven: Het zou om een voorafschaduwing van Jezus gaan. Maar als we Daniël 7 verder uitlezen, blijkt deze ‘mensenzoon’ een beeld te zijn voor het collectief van de ‘heiligen van de Allerhoogste’, ofwel het Tora-getrouwe deel van het volk Israël dat in de nabije toekomst weer de leiding over Israël zal krijgen (7:18). Het boek Daniël is geschreven in de 2e eeuw vCJ en weerspiegelt Israëls strijd tegen de Syrische onderdrukker die door de geloofstrouw (pistis) van de Makkabeeën verdreven werd. Met het beeld van ‘de komst van de mensenzoon’ in Daniël roept Lukas die bevrijding van Israël in de herinnering op. Zo’n bevrijding is – zij het met andere middelen dan toen – ook uit de hand van de Romeinen mogelijk, mits Jezus’ joodse en later ook niet-joodse aanhangers volharden in hun pistis, hun geloofstrouw. De slotvraag van deze perikoop is een appèl aan de luisteraars/lezers: Houden jullie het vol tot die tijd? Geheel in lijn met de vasthoudendheid van de weduwe.

Noot

Zie mijn boeken Lukas de Jood (Folianti, Zwolle 2009) en Lukas versus Matteüs (Kok, Kampen 2005).