Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 43: 1-12 - Adri van der Wal

Zondag 26 april 2020

door Adri van der Wal


Waar komt het woord “religie” vandaan? Veelal wordt dit afgeleid van het Latijnse religare, verbinden. De Frans-Joodse filosoof en rabbijn Marc-Alain Ouaknin leidt dit woord liever af van het werkwoord relegere, herlezen. Daarbij merkt hij op: “Voor de jood die ik ben, is dat zeker zo. Het jodendom leest en herleest voortdurend teksten, de jood herkauwt uitbundig wat ons tevoren over de waarheid werd gezegd.” (Trouw, 18 februari 2017).
Zo zijn ook de woorden van Israëls profeten door latere generaties herlezen en geactualiseerd. Dat proces van traditie is duidelijk te zien in het boek Jesaja. In Jes. 40-55 worden Jesaja’s woorden over de God van Israël als schepper (Jes. 4:5, ברא), trooster (Jes. 12:1, נחם), redder (onder meer Jes. 12:2.3; 35:4, ישע) en ‘koper’ van zijn volk (Jes. 11:11, קנה) aan het einde van de Babylonische ballingschap van de Judeeërs (6e eeuw vdgj) uitgewerkt tot een grootse liturgie. Daarnaast werden vele andere thema’s uit Jesaja, uit Jeremia, uit de Psalmen (zie bijvoorbeeld de associatie met Ps. 96 en 98 in Jes. 42:10), enz., in Jes. 40-55 verwerkt. Deze liturgie wil de Judeeërs in de ballingschap overreden dat zij hun kijk op de wereld zullen veranderen en dat zij loskomen uit hun moedeloze blik op vandaag (“Mijn weg blijft voor de HEER verborgen / mijn God heeft geen oog voor mijn recht”, Jes. 40:27, vergelijk Jes. 35:4). Een hoopvolle toekomst ligt in het verschiet: de Eeuwige gaat zijn volk uit de ballingschap bevrijden. Het verleden is afgesloten, zingt Jes. 40:2 met woorden over vergeving. Er wordt een appel gedaan op de Judeeërs dat zij beweging zullen komen om op weg te gaan naar Juda. Zij, blinden en doven (Jes. 42:18; 43:8), moeten oog krijgen voor Gods werk in de geschiedenis. Want: Cyrus is op het toneel verschenen (Jes. 45:1vv).
In de te lezen passage uit Jes. 43:1-12 vinden we een aantal van de bovengenoemde kernwoorden, waaromheen Jes. 40-55 is opgebouwd: scheppen (ברא, Jes. 43:1.7.[15]), vrijkopenגאל nu) , Jes. 43:1), redden (ישע, 43:3.11.12). Het ook in Jes. 22:11 voorkomende “formeren” (יצר) zien we in Jes. 43:1.7. Israëls God wordt de Heilige van Israël genoemd (Jes. 43:3; ook dat is een verbindende lijn in het boek Jesaja, zie onder meer Jes. 1:4; 12:6; 41:14; 55:5; 60:9.14), de God die gans anders is dan de afgoden, waarop men niet moet vertrouwen. De goden der volken kunnen niet redden (ישע, Jes. 45:20). Als schepper en formeerder van zijn volk zet de Eeuwige zich bevrijdend voor zijn mensen in; Hij heeft ze bij hun naam geroepen (Jes. 43:1), zij zijn met Gods naam genoemd (Jes. 43:7). Zo is er met de termen “scheppen” – “formeren” – “naam” een duidelijke inclusie om Jes. 43:1-7.
Jes. 43 benadrukt Gods intense verbondenheid met zijn volk. Behalve uit de al genoemde zinsnede uit Jes. 43:1 blijkt dat verder uit woorden als: “Je bent van mij”, “Ik ben bij je”, “jouw God”, “jouw redder”, “Jij bent zo kostbaar in mijn ogen” (verg. Deut. 14:2), “Ik houd zo veel van je”, “mijn zonen”, “mijn dochters”. Anderen geeft Hij in ruil voor zijn volk (Jes. 43:4). Dit volk schiep de Eeuwige tot zijn glorie (Jes. 43:7), hier geformuleerd met dezelfde drie woorden (“scheppen”, “maken”, “formeren”), als waarmee in Jes. 45:18 over Gods scheppen van hemel en aarde wordt gesproken.
In de toezegging “Ik ben bij je” (zoals de Eeuwige Mozes bemoedigt in Ex. 3:12) mag een verwijzing gehoord worden naar de Godsnaam JHWH (die in deze passage Jes. 43:1-12 vijf keer voorkomt), “Hij zal er zijn”. In Ex. 3:14 noemt de Eeuwige zichzelf EHJEH, “Ik ben er”, “Ik zal er zijn”.
In Jes. 40-55 wordt veelvuldig verwezen naar de bevrijding uit Egypte. De bevrijding uit Babel zal een parallel daarvan zijn (zoals onder meer blijkt uit de in Jes. 43:2 genoemde doortocht door het water. Zie ook Jes. 48:21; 52:12).
God haalt zijn volk bijeen van alle plaatsen waarover het verspreid is geraakt (Jes. 43:5-6). Waar in het verleden niemand zei: “Geef terug” (Jes. 42:22), roept de Eeuwige nu de volken van alle windstrekken op zijn mensen terug te geven en los te laten (Jes. 43:5-6).
Herhaaldelijk klinkt het “Wees niet bang”(Jes. 43:1.5). Met deze woorden wordt het volk uitgenodigd om met Gods bijstand een onbekende toekomst tegemoet te durven gaan.
We zien tal van herhalingen in deze passage. Waar herhaling de leermeester der kennis is, zijn zij zeker niet overbodig.
De Eeuwige, machtig om te redden (Jes. 63:1, ישע), schept bevrijding voor zijn volk. Deze inzet van Israëls God, pastoraat voor zijn volk, is ongekend in de wereld van Israëls buren (Jes. 43:9). Nu gaat het erom dat de Judeeërs daar oog en oor voor krijgen en in beweging komen, de terugkeer aandurven en getuigen (Jes. 43:10-12) worden van de bevrijdende God van Israël.


Adri van der Wal
7 maart 2020