Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 13: 44-52 - Hans Schravesande

Zondag 30 juli 2017
Zondag 26 juli 2020


door Hans Schravesande

Dit tekstgedeelte maakt deel uit van het tekstblok 13:1 – 16:20 in de compositie van Mattheüs. Daarin staat het thema brood centraal, verbonden met zaaien en oogsten, als beeld van komende Koninkrijk van God. De drie gelijkenissen in vs. 13: 44-52 zijn direct tot de discipelen gesproken. Daarop vraagt Jezus of ze alles begrepen hebben. Zij reageren daarop bevestigend. Dat is een verschil met de drie gelijkenissen van13: 24-34. Die zijn gericht tot de menigte. Met de negatieve uitkomst dat zij die niet begrijpen. Bij de interpretatie van de drie gelijkenissen in 44-52 mogen we er vanuit gaan dat vanuit het perspectief van de discipelen deze voor hen duidelijk en verstaanbaar zijn.

Vanuit de opzet van deze dialoog-site geven wij aan de tweede gelijkenis, over de koopman en de parel de meeste aandacht. Wij doen dat aan de hand van Amy - Jill Levine. Zij is een joodse nieuw-testamentica uit de V.S. die in haar boek ‘Short Stories by Jesus. The Enigmatic Parables of a Controversial Rabbi’ (2014) 25 pagina’s wijdt aan deze gelijkenis. Wij volgen voor het grootste deel haar commentaar, zonder in te gaan op de sterke en minder sterke punten van haar betoog. Zij erkent dat de gelijkenissen een veelheid van actuele verwerkingen oproepen, en dat daar weinig op tegen is, maar dat het er haar vooral om gaat om te proberen te horen wat de oorspronkelijke, eerste hoorders verstaan konden hebben. Daarbij kijkt zij kritisch naar een te snelle allegorisering, waarbij ieder deel van de parabel een eigen uitleg krijgt. Zij wil echter vooral kijken naar het verassende en soms dwarse van de parabel. Haar inleidende hoofdstuk heeft dan ook als titel: ‘How we domesticate Jesus’ s provocative stories’.
In de academische wereld wordt de gelijkenis van de koopman en de parel verstaan als een verwijzing naar de discipelen van Jezus die de boodschap van het koninkrijk in hun leven centraal stellen. Levine plaatst daartegenover, als in een homiletische spiegel, wat zij vond in preken over deze tekst. Daarin kan Christus zowel het subject als het object zijn (de koopman en de parel). Of de parel is de kerk: gekocht door het bloed van Christus, zoals het de oester pijn heeft gedaan om de parel te produceren.
Levine wijst er op dat in het geheel van de bijbel, in O.T. en N.T., zowel het beroep van koopman als de parel eerder negatief dan positief beschreven worden. De negatieve beschrijving van de koopman zijn dominant (zie bijv. 1 Tim. 2:9, Openbaring 18:3 en Jezus Sirach 26:29 en 37:11). De parel komt zelden voor in de Schrift. Zij verbindt dit met de oester, die als niet koosjer werd gezien (met de parels voor de zwijnen weet zij eigenlijk dan niet goed raad; en de poorten als parels in het nieuwe Jeruzalem ziet ze als een niet te overtreffen transcendente werkelijkheid). Door deze negatieve connotaties als inzet van de parabel, wekt Jezus verbaaasde reacties bij zijn hoorders. Hij zet ze op het verkeerde been. De koopman handelt ook irrationeel. Hij zocht niet speciaal die ene parel, maar liet zich verrassen. Wij horen ook niet dat hij bewust offers moet brengen om de parel te kopen en daaronder lijdt (een regelmatig voorkomende homiletische uitleg). Hij geeft zijn bestaan en beroep op. Wij horen ook niet dat hij die ene kostbare parel weer te gelde gaat maken, omdat hij toch ook, na alles verkocht te hebben, weer verder moet leven. Hij geeft zijn oude leven op doordat hij zich laat verrassen door iets totaal nieuws: een parel van transcendente waarde die niet in te passen is in zijn gewone gang van zaken. Hij definieert zijn leven opnieuw. Hij vindt iets dat al het andere in de schaduw stelt en tegelijk in een nieuw licht. Levine verbindt de parel in de oorspronkelijke gelijkenis wel met het Koninkrijk. Maar zij vult dit actueel in met de open vraag wat voor ons nu, zoals de hoorder van toen, een ‘ultimate concern’ is. Ook al is dat verbonden met het de komst van het Koninkrijk: voor iedereen laat zich dat persoonlijk anders invullen.
Levine ziet dat de gelijkenis al snel in nieuwe contexten geplaatst is. Zoals in het Evangelie van Thomas, waar de parel geïdentificeerd wordt met gnostieke kennis. Maar ook Matteüs contextulaliseert al. Dat de gelijkenis alleen tot de discipelen gericht is (en ook voor een groot deel parallel is aan de voorgaande ‘dubbel-gelijkenis’ van de schat in de akker) maakt bijv. een verbinding mogelijk met het verhaal de rijke jongeman in Matteüs 19, waar die te horen krijgt: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij’ (vs. 21). In dit verhaal gaat het over de gang van en naar het Koninkrijk. Daarin zie ik een parallel met de gelijkenis. Daarin is noch de koopman, noch de parel te identificeren met het Koninkrijk, maar met de weg die de koopman gaat, en als het ware door genade verrast wordt. In dit verhaal gaat het ook om de Thora en het grote gebod. Misschien is er zo wel een lijn naar latere Rabbijnse vergelijkingen met de Thora als een parel.
Zo klinkt de vraag naar de radicaliteit van Jezus’ boodschap van het Koninkrijk ook door in deze gelijkenis.