Joods-Christelijke Dialoog

Hebreeën 11: 1-16

Zondag 31 december 2017 

Voorbeelden van geloof

door Peter Tomson


Het leesrooster stelt in 2016 voor de 8e t/m 11e zondag in de zomertijd een brieflezing voor uit Hebreeën, een weinig gelezen gelezen maar niettemin uniek geschrift binnen de verzameling die wij het ‘Nieuwe Testament’ noemen. Enerzijds kenmerkt het zich door het verheven Grieks ‒ het moeilijkste van het Nieuwe Testament ‒ en de ‘middel-Platoonse’ begrippenwereld (‘Middel-Platonisme’: de ontwikkelingsfase van het Platoonse denken tussen 100 voor en 300 na Chr.). Anderzijds vertoont het sterke eschatologische accenten die met de joodse apocalyptiek samenhangen (zie toelichting 21 augustus, Heb. 12:22-29). Als deze combinatie van ‘Hellenistische’ en ‘joods-apocalyptische’ kenmerken vreemd is in moderne ogen, ligt dat vooral aan die ogen. In de oudheid was er veel meer overlapping tussen Hellenisme en jodendom dan wij ons vaak realiseren, juist waar het gaat om apocalyptiek.

Dat blijkt meteen in de kernachtige omschrijving van ‘geloof’ waarmee de pericoop begint, en daarmee het opmerkelijke hoofdstuk 11 dat de lezers ter bemoediging een rij ‘geloofsgetuigen’ ten voorbeeld stelt: ‘Het geloof is de grondslag van wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien’ (Heb. 11:1). Terzijde: de NBV vindt het nodig om werkwoorden in te schakelen die het ‘effect’ van het geloof weergeven, kennelijk omdat ‘geloof alleen’ te passief klinkt. Inderdaad: het geloof fundeert het verhoopte en bewijst het ongeziene: het is een actieve houding. Je kunt daarom beter vertalen met ‘vertrouwen’, of als je wilt (traditioneel-protestants maar een tikkeltje tautologisch) ‘geloofsvertrouwen’.
Dit geloofsvertrouwen heeft twee dimensies, daarmee komen we op het apocalyptische: een tijdelijke dimensie (het geloof fundeert wat wij hopen voor straks) en een ruimtelijke dimensie (het bewijst wat wij nu niet kunnen zien). Hiermee geeft het eerste vers een soort filosofische omschrijving van hetzelfde ‘geloof’ dat Jezus verkondigt, en dat een hoog apocalyptisch gehalte heeft: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij, kom tot inkeer en geloof in dit goede nieuws’ (Mar. 1:15). Volgens Jezus is het koninkrijk er al, èn komt het binnenkort. Deze fascinatie voor wat nu reeds verborgen daar is voor wie het ziet, èn straks geopenbaard wordt aan allen, is typisch voor het apocalyptisch denken.
Terecht stellen vele exegeten, zoals reeds sommige kerkvaders, dat Hebreeën niet van Paulus is. Wat niet terecht is, is het argument dat Paulus een ander concept van ‘geloof’ hanteert: bij Paulus zou pistis een houding zijn van afhankelijkheid van Gods genade zonder beroep op ‘het doen van de wet’, maar in Hebreeën meer van ‘standvastigheid’, ‘betrouwbaarheid’, ‘vertrouwen’. Deze verklaring stoelt op een beperkt begrip van Paulus’ terminologie en op absolutering van passages uit Romeinen en Galaten. In de toelichting van 14 augustus (Heb. 11:17-29) zullen we zien dat de auteur van Hebreeën en Paulus eigenlijk hetzelfde aankijken tegen Abrahams ‘geloof’.

Na het definitie-achtige begin (zie ook 11:2-3) laat de schrijver een eerste reeks ‘geloofsgetuigen’ volgen (11:4-12). Abel en Henoch staan voorop, op grond van verdiensten die worden verzwegen in het bijbelverhaal, maar wellicht onthuld in apocriefe tradities. Noach en Abraham zijn inzichtelijker als voorbeeld voor bijbellezers: hun geloof fundeerde en bewees wat zij verhoopten en niet zagen, als ‘vreemdelingen en bijwoners’ op aarde, burgers van hun ‘hemels vaderstad’. Deze toelichtende uitweiding (11:13-16) klinkt ‘Hellenistisch’ en is dat ook, maar is evenzeer joods-apocalyptisch.