Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 11: 13-15.29-32

Zondag 20 augustus 2017

'Tot jaloersheid wekken’
door Peter Tomson

Zie ook de
Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

Uit de geladen hoofdstukken over Israël pikt het rooster nu een paar verzen die m.n. op niet-Joden slaan. Dit past goed bij Jes 56:1-7 (de vreemdeling die zich bij de Heer heeft aangesloten) en Mat 15:21-28 (de Kananese vrouw die Jezus benadert). Je zou er natuurlijk ook voor kunnen kiezen om voor één keer een beetje van het rooster af te wijken en 11:1-6 te lezen, en aandacht te besteden aan de tegengestelde parallel tussen Mozes en Elia (met Rom 9:1-5, zie 13 aug.).
Als je je houdt aan de verzen die het rooster aangeeft, is het goed om te bedenken dat Romeinen als geheel gaat om de plaats van de Joden in de gemeente van Jezus, gezien spanningen tussen Joden en niet-Joden in Rome en conflicten tussen beide groepen in Judea (zie Inleiding, website). Paulus schrijft hier niet in serene rust over heilsvragen voor heidenen, maar over de verhouding van Joden en niet-Joden in een meervoudig politiek-sociaal spanningsveld. Zijn doel is, openheid te bewaren in de gespannen verhoudingen tussen beide groepen, met name in de gemeente van Jezus. Hij wil de ‘negatieve jaloezie’ die mogelijk bestaat tussen beide groepen (verzet tegen de ander omdat die heeft wat jij niet hebt) omzetten in ‘positieve jaloezie’ (identificatie met de ander omdat die heeft wat jij niet hebt).
Paulus schrijft in zijn kwaliteit van ‘apostel van de niet-Joden’, 11:13. (Tussen haakjes: de NBV doet zijn best om alle connotaties van het Griekse ethnè weer te geven: volken, heidenvolken, niet-Joden ‒ m.i. ten onrechte (zie Inleiding): het gaat om de verhouding van Joden en niet-Joden.) Dat is in lijn met zijn afgesproken taak (Gal 2:7-10) en met de adressering van de brief (Rom 1:13 ‒ het ‘andere volken’ van de NBV slaat de plank volkomen mis: het gaat om ‘andere niet-Joden’, nl. in Korinthe enz.). Paulus doet in deze brief een appèl aan de niet-Joodse christenen in Rome om hun Joodse broeders en zusters opnieuw en ruimhartig te ontvangen, en geen punt te maken van hun ‘afwijkend’ gedrag qua dieet en ander ritueel (zie ook Rom 14, zondag 17 sep.). Op die manier zullen de niet-Joodse gelovigen het werk van Christus gestand doen, dat volgens Paulus zowel op Joden als niet-Joden gericht is (vgl. Rom 15:1-13).
Het belang van de verbondenheid van Joden en niet-Joden in de kerk volgens Paulus’ opvatting brengt hij sterk tot uiting in vers 14: hij hoopt zijn volksgenoten ‒ letterlijk ‘mijn vlees’ ‒ positief jaloers te maken op de niet-Joden, die in veel groter getale het heil in Christus aanvaarden. Hij roept de heidenchristenen in Rome op, medeverantwoordelijkheid te nemen voor de zuivere vertolking van Jezus’ boodschap aan de Joden.
Gezien de geschiedenis past ons, heidenkerken, hier bescheidenheid: de vooroordelen over de Joden en de vooringenomenheid tegenover hen zijn diepgeworteld. Maar we mogen ons ook verheugen over de recente bewustwording op dit punt, zowel in de protestantse kerken als in de katholieke kerk (o.l.v. Johannes XXIII en Benedictus XVI).