Joods-Christelijke Dialoog

Handelingen 02:1-11

Zondag 4 juni 2017: Pinksteren
Zondag 20 mei 2018: Pinksteren
Zondag 9 juni 2019: Pinksteren

Pinksteren: de uitstorting van de heilige Geest’

door Coen Constandse


De schrijver van Lucas-Handelingen legt grote nadruk op het Joodse begin van de kerk: hij noemt de tempel (Lucas 24:53; Hand. 2:42), de vrome Joden in Jeruzalem, het wekenfeest

2:1; Het wekenfeest, Sjavoe’ot. Zeven weken, vijftig dagen na Pesach (pentekoste is de Griekse naam van het feest, gangbaar in de diaspora).

Het is de ‘Omer-telling’, de dagen of weken die geteld worden vanaf de eerste garve of schoof (‘omer’) van de gersteoogst waarmee Pesach begint, tot de eerste schoof van de tarweoogst. Er werd gewacht, afgeteld of vooruitgekeken hetgeen doorklinkt in het sumplèrousthai (2:1). Oorspronkelijk was de Omer-tijd een feestelijke tijd (later is het rouw en ingetogenheid geworden, door de christelijke Paasviering die op veel plaatsen deze tijd bepaalde en kon leiden tot pogroms).

Sjavoe’ot bracht van de drie grote pelgrimsfeesten de minste pelgrims op de been; velen zullen Pesach gevierd hebben en zeven weken later opnieuw te gaan was een grote belasting. Het is ook niet exact duidelijk of met alle genoemde landstreken pelgrims worden aangeduid of inwoners van Jerusalem (katoikountes). In elk geval worden in Handelingen 2 Jerusalem en het volk Israel al beschreven als een ‘oecumenische’, omvattende gemeenschap (van het huidige Iran (Parthen) in het Oosten tot Rome in het Westen, van Turkije tot Arabië, Egypte en Libië).

Uiteraard is niet met zekerheid vast te stellen wat de schrijver van Lucas-Handelingen geweten heeft van Sjavoe’ot en wat hij met de verbinding Sjavoe’ot-uitstorting van de Geest heeft willen zeggen. Te denken valt aan de volgende aspecten, die zo niet historisch dan wel theologisch relevant kunnen zijn.

1.       Sjavoe’ot was niet alleen een oogstfeest. Deut. 26 bevat al een verwijzing naar de geschiedenis van het volk Israel: Abraham, Egypte, exodus en de inbezitname van het land, kortom: de megaleia tou theou (2:11). Opvallend is dat in Deut. 26 de verbondssluiting bij de Sinaï ontbreekt. In de Joodse traditie is Sjavoe’ot hiermee op enig moment namelijk verbonden geraakt. Onduidelijk is wanneer dit gemeengoed is geworden, maar Jubileeën (2de eeuw BCE; Esseens) legt deze verbinding al. Het is goed mogelijk dat dit breder bekend is geweest in de eerste eeuw, en gezien andere overeenkomsten met de Essenen kan de Jezus-beweging dit verband ook gelegd hebben. Daarin – als ook in Qumran – was vroeger of later een herbepaling van het verbond aan de orde (wie is kind van Abraham?). Als feest van het verbond wijst het vooral op de altijd nodige vernieuwing van het verbond, door hernieuwde toewijding.

2.       Als feest van de eerstelingen van een oogst kan zowel naar de opstanding verwezen zijn, als naar de eerste proselieten. Nadrukkelijk worden ook proselieten genoemd. De belijdenis in Deut. 26 benoemt het begin van de geschiedenis van het volk met Abraham ‘mijn vader was een zwervende Arameeër’. Abraham zelf is uiteraard uit de volkerenwereld weggeroepen en als eerste aartsvader niet ‘ingeboren’ in het volk. Ook de feestrol van Sjavoe’ot – Ruth, voor de hand liggend bij het oogstfeest – verwijst naar het proselitisme, met Ruth dan als ‘eersteling’.

3.       De heilige Geest. Uiteraard ligt de vertaling ‘Heilige Geest’ voor pneuma hagios voor de hand, maar als daarmee de derde persoon van de Drie-eenheid hierin wordt teruggelezen is dat uiteraard anachronistisch. De Geest was in het Jodendom vanuit de Tenach sterk verbonden met profetie (vgl. het Joël-citaat in Hand. 2:17vv.). Deze Geest had de profeten geïnspireerd, maar was na de verwoesting van de eerste tempel geweken en zou pas terugkeren in het einde der tijden. Dat wil de schrijver van Lucas-Handelingen ongetwijfeld ook benadrukken: dat gebeurt nu, dat tijdperk is aangebroken.

4.       Het verband Geest-Tora. In het verlengde van bovenstaande punten kan de vernieuwing van het verbond kan ook de gave van de Geest ook een hernieuwde of nu gezaghebbend en juist uitgelegde Tora betekenen. Daarin kan men uiteraard de continuiteit of discontinuiteit benadrukken, de aansluiting of de polemiek. Christendom en rabbijns Jodendom lijken elkaar in hoge mate beïnvloed te hebben door zich tegen elkaar af te zetten. De Talmoed waarschuwt bijv. voor mystieke uitspattingen tijdens Sjavoe’ot (n.a.v. Ezechiël 1 als profetenlezing).

2:7, Galileeërs; vermoedelijk klinkt hier de reputatie van Galilea als landstreek of de verhouding stad-platteland/provincie (Jerusalem/Judea-Galilea) in door. Galilea kan als achtergebleven gezien zijn, of als niet echt of minderwaardig Joods, vanwege de gemengde bevolking van Joden en niet-Joden en het verkeer met niet-Joden.

Andere relevante aspecten zijn o.a.:

-          de symboliek van het vuur; zowel bij Sinaï als in Rabbijnse midrasjim (Cohen Stuart, Joodse feesten en vasten, 118)

-          de verhouding van Joden en niet-Joden in de tijd van het NT (zie S. Safrai daarover in Zoals gezegd is over …, deel 25, 77)

Aanbevolen literatuur: F.-W. Marquardt, ‘Jerusalem im Flammen des Geistes’, in Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften, Band 2, 316-338; bevat veel meer informatie en theologische overwegingen dan hier geboden kunnen worden.

Gebruikte literatuur:

G.H. Cohen Stuart, Joodse feesten en vasten

P.W. van der Horst, Het vroege jodendom van A tot Z

The Jewish Annotated New Testament

F.-W. Marquardt, ‘Jerusalem im Flammen des Geistes’, in Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften, Band 2, 316-338

E.P. Sanders, Judaism: Practice and Belief

W. Zuidema, Gods partner