Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 05: 1-11

Zondag 18 juni 2017
Zondag 16 juni 2019


door Coen Constandse

De selectieve verskeuze uit het leesrooster van het Missaal kan uiteraard beter aangepast worden; lees vs. 1-8 of 1-11.
De tekst uit Romeinen 5 is een voortzetting van het betoog in hoofdstuk 4, dat op zijn beurt de centrale passage aan het slot van hoofdstuk 3 (vs. 21-31) nader beoogde te verklaren. Hoofdstuk 4 draait om Abraham als aartsvader van hen die geloven en stelt eerst de vraag aan de orde welke plaats de besnijdenis heeft in het verhaal van Abraham. De besnijdenis is ondergeschikt aan het geloof en de belofte. Abraham vertrouwt op de belofte, en Paulus omschrijft dat in termen van de opstanding uit de dood (4:17, 24v.). Daarbij is van belang dat de hoop, het vertrouwen op de belofte in tegenspraak lijken met de werkelijkheid. Het belofte lijkt leeg en onmogelijk.
In Romeinen 5:1-11 worden de hoop (en het daarin volharden in tegenspoed) en de opstanding uit de dood verder benadrukt. Het ‘staan in de genade’ betekent delen in Gods glorie, maar: in spe, in hope. Het is er nog niet ten volle, het is nog aangevochten, zoveel is duidelijk uit Paulus’ woorden. Geloven is vertrouwen en hopen, ondanks de schijn van het tegendeel; dat is het bij Abraham en al zijn kinderen.
Kracht en zekerheid ontleent Paulus aan Jezus’ kruis en opstanding. Ook hier verbindt Paulus actuele tegenspoed met het lijden en sterven van Jezus, waarmee onmiddellijk de situatie in het perspectief van de hoop op de opstanding wordt gezet.
Hier keert ook de woordgroep ‘roemen’ (kauchaomai, kauchèsis) terug (vlg. Rom 3:27).

Eén van de belangrijkste vragen voor de interpretatie van dit gedeelte is: tot wie spreekt Paulus, of tot wie is dit gericht? Wie zijn die ‘wij’ waarover (en tot wie) hier gesproken wordt? Dit is uiteraard relevant voor de Joods-christelijke ontmoeting.
Eén mogelijkheid is dat hier de niet-Joodse gelovige stem aan het woord is. Uit Romeinen 4 volgt de aanvaarding van de niet-Joden, de onbesnedenen. Als daar de nadruk ligt, ligt het ook voor de hand dat de ‘toegang tot de genade’ (5:2) op te vatten als het nieuwe, de nieuwe toegang tot het heil voor niet-Joden, van wie Paulus immers naar eigen zeggen de apostel is. Dan verwijzen woorden als ‘zondaar’ (5:8), ‘goddeloze’ (asebès; 5:6) en ‘vijand’ (5:9) naar niet-Joden, zoals Paulus bijv. ‘zondaar’ ook elders kan gebruiken.
Opmerkelijk is evenwel dat de wisseling in sprekende en aangesproken persoon niet duidelijk gemarkeerd wordt in de tekst. En Romeinen 4:1 spreekt nog van Abraham als ‘onze voorvader naar het vlees’.
Ik houd het daarom ook voor zeer wel mogelijk dat Paulus hier inclusief spreekt, voor alle gelovigen, besneden of onbesneden, Jood of niet-Jood. Paulus zou over zichzelf en zijn volksgenoten zonder meer ook als zondaar kunnen spreken (Rom. 3:23). Belangrijker: ook voor Joden geldt alles wat in Romeinen 5 wordt gezegd, nl. dat zij gerechtvaardigd worden door geloof. Dat gold immers ook voor Abraham. Dan functioneert deze tekst ook in het geheel van de brief, als die tot oogmerk heeft het verzoenen en verbinden van Joden en niet-Joden binnen de gemeente, het aanzetten tot wederzijdse aanvaarding. Vanaf Romeinen 3:19 spreekt Paulus voortdurend inclusief en zo relativeert hij het verschil. De woorden ‘zondaar’, ‘goddeloze’ en met name ‘vijand’ krijgen dan een specifieke lading: ze duiden nl. op de tijd toen Jood en niet-Jood nog gescheiden waren en (min of meer) elkaars vijand, dat wil zeggen: nog niet verbonden en verenigd ‘in Christus’.