Joods-Christelijke Dialoog

Filippenzen 02: 5-11

Zondag 14 april 2019
Zondag 25 maart 2018

Door Hans Schravesande

Deze tekst is een van de meest besproken teksten uit het Nieuwe Testament, waar hele boeken aan gewijd zijn. Het is ook een tekst die veel uiteenlopende interpretaties heeft opgeroepen. Daarbij speelden dogmatische en andere vooronderstellingen vaak een rol. De tekst vormt ook een scharnierpunt in de vraag naar waar in de vroege geschiedenis van het christendom een ‘lage’ christologie overgaat in een ‘hoge’ christologie. Daarbij is het opvallend dat vanuit het onderzoek naar de intertestamentaire periode blijkt dat wat als ‘hoge’ christologie benoemd wordt, toen al voluit vanuit joods denken mogelijk was en niet een exclusief christelijke ontwikkeling was. Door dat onderzoek is er ook voortgang gemaakt bij de uitleg van de tekst. In dat onderzoek doen joodse onderzoekers mee, waardoor de tekst van meer belang is geworden in de joods-christelijke dialoog.

Deze interpretatiekwesties horen in hun gecompliceerdheid eerder thuis in een leerhuis dan in de prediking.  Een homiletische benadering kan het beste uitgaan van vers 5: ‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had’. Vernedering en gehoorzaamheid zijn daarbij de kernwoorden. Het woord voor nederigheid (tapeinos) vinden we ook in Matt. 11, 29 waar Jezus zich ‘nederig van hart’ noemt. En in Romeinen 12, 16: ‘Laat u doen afdalen tot de vernederden’ (NBV: ‘zet u zelf aan tot bescheidenheid’; Naardense bijbel: ‘maar u wijdend aan de nederigen’; Groot Nieuws vertaling(?): ‘Doe maar gewoon’). Er kan ook goed een verbinding gemaakt worden met de evangelielezing uit Matteüs 26 voor deze zondag aan de hand van het knecht/slaaf motief.

Over het algemeen wordt de tekst beschouwd als een vroeg christelijke hymne of poëtische tekst die Paulus als bestaand heeft overgenomen. Het zou een joods-christelijke tekst zijn, waarbij er verschillend gedacht wordt over de mate van hellenistische invloeden. De zinsnede ‘de dood aan het kruis’ zou,  als een  onregelmatigheid in de tekst, een typische toevoeging zijn van Paulus vanuit het geheel van zijn theologie.

Het eerste vers roept de meeste vragen op: wat is er bedoeld met de ‘gestalte van God’ (morphe theou), het ‘gelijk zijn aan God’ (isa theoi) en ‘het niet willen vasthouden’? Dat laatste woord kan ook vertaald worden met ‘bezit’ of met ‘wat men als bezit wil verkrijgen’. De meeste exegeten kiezen tegenwoordig voor ’het willen verkrijgen, en zien dan de gelijkheid die wordt uitgedrukt in de naam boven alle naam ‘Kurios’ als wat Jezus wil verkrijgen als bezit.

Het jodendom van Jezus’ tijd was veel minder strikt monotheïstisch dan vaak aangenomen is. De goddelijke hemelse ‘elohiem’-wereld was bevolkt met engelen en andere hemelse gestalten, zoals de Zoon des Mensen’, die ‘morphe theou’ waren. Aan die goddelijke, god-gelijke hemelse sfeer wilde Jezus niet vast houden. Sommigen zien hem daarbinnen als engel of ‘Engel des Heren’.  Vanuit het geheel van het Nieuwe Testament zou ik willen kiezen voor Zoon des Mensen. Die wordt in en na de opstanding tot de eschatologische Kurios die heerst en zal oordelen (en daarna die bevoegdheid weer overgeeft aan de Vader). De vraag of en hoe Jezus als Kurios identiek is aan JHWH is dan secondair: de titel is ontleend aan de feitelijke, functionele machtsuitoefening, als representant van de Eeuwige. In dit geval treffen we evenals in Matth. 26, 1-16 een christologische drieslag aan: Jezus wordt geïntroduceerd als Messias (vs. 5), hij is de Zoon des Mensen die in de eindtijd op aarde verschijnt, en hij neemt de gestalte aan van de lijdende knecht.

Er is ook een andere benadering. Daarin wordt ‘morphe theou’ gelezen als gelijk aan ‘eikon theou’, beeld van God. In die visie was er geen pre-existentie, maar werd Jezus als mens op aarde geboren, en volbracht hij als beeld van God  in gehoorzaamheid wat de eerste Adam niet heeft kunnen waar maken. Jezus is de nieuwe, tweede Adam, de eerste van de vernieuwde mensheid. Tegen deze opvatting zijn veel bezwaren in te brengend: morphe kan niet zo maar vervangen worden door eikon. Bij Paulus is de tweede Adam van hemelse origine. Het als God willen zijn in Genesis 3 heeft betrekking op één ’goddelijke functie: het kennen van goed en kwaad. Dat wil niet zeggen dat de Adamitische christologie hier niet aan bod kan komen. In de Henochidische literatuur vindt er een identificatie plaats van een hemelse Adam figuur - die ook voluit beeld van God is, zoals ook de engelen beeld van God zijn – met de Zoon  des Mensen als Messias. In de hemelse Adam, die het beeld van God waar maakt  als eerste van een vernieuwde mensheid, en die om navolging vraagt, liggen ook homiletische mogelijkheden.

Sommigen zijn van mening dat de hymne niet past in dit gedeelte van de Filippenzenbrief en daarom duidelijk niet van Paulus is. Het gaat Paulus hier om het afzien van eigenbelang. Maar als Jezus door de weg die hij gaat een hogere waardigheid wil verkrijgen, is dat dan juist niet eigenbelang? Hij gaat wel een andere weg dan de satan met zijn engelen, maar waar is hij uiteindelijk op uit? Dit soort denken wijst in de richting van het ‘in bezit willen krijgen’. Maar juist daarom lijkt mij deze interpretatie minder aannemelijk. De Zoon des Mensen daalt af als knecht en Messias, om de mens te redden. Dat doet hij uit barmhartigheid, om niet. Dat God hem in de opstanding als rechtvaardige rechtvaardigt is een goddelijk geschenk vanuit Gods trouw. De vraag doet zich dan voor: welke ethiek en spiritualiteit zit er achter onze keuzes voor de interpretatie ‘in bezit houden’ of  ‘als bezit willen verkrijgen’? Waarom zien wij af van eigenbelang?

Dat een goddelijke persoon zich ‘ontledigt’ is ook het joodse denken niet vreemd. In kabbalistische en chassidische denkwerelden kan de Zaddik, de rechtvaardige, ook de persoon zijn in wie God zich ontledigd heeft, en tegelijk in zijn volheid aanwezig is. Hier ligt nog een grotendeels onontgonnen terrein voor een dialoog.

 

 

Filippenzen 2, 5-11

Door Hans Schravesande

Deze tekst is een van de meest besproken teksten uit het Nieuwe Testament, waar hele boeken aan gewijd zijn. Het is ook een tekst die veel uiteenlopende interpretaties heeft opgeroepen. Daarbij speelden dogmatische en andere vooronderstellingen vaak een rol. De tekst vormt ook een scharnierpunt in de vraag naar waar in de vroege geschiedenis van het christendom een ‘lage’ christologie overgaat in een ‘hoge’ christologie. Daarbij is het opvallend dat vanuit het onderzoek naar de intertestamentaire periode blijkt dat wat als ‘hoge’ christologie benoemd wordt, toen al voluit vanuit joods denken mogelijk was en niet een exclusief christelijke ontwikkeling was. Door dat onderzoek is er ook voortgang gemaakt bij de uitleg van de tekst. In dat onderzoek doen joodse onderzoekers mee, waardoor de tekst van meer belang is geworden in de joods-christelijke dialoog.

Deze interpretatiekwesties horen in hun gecompliceerdheid eerder thuis in een leerhuis dan in de prediking.  Een homiletische benadering kan het beste uitgaan van vers 5: ‘Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had’. Vernedering en gehoorzaamheid zijn daarbij de kernwoorden. Het woord voor nederigheid (tapeinos) vinden we ook in Matt. 11, 29 waar Jezus zich ‘nederig van hart’ noemt. En in Romeinen 12, 16: ‘Laat u doen afdalen tot de vernederden’ (NBV: ‘zet u zelf aan tot bescheidenheid’; Naardense bijbel: ‘maar u wijdend aan de nederigen’; Groot Nieuws vertaling(?): ‘Doe maar gewoon’). Er kan ook goed een verbinding gemaakt worden met de evangelielezing uit Matteüs 26 voor deze zondag aan de hand van het knecht/slaaf motief.

Over het algemeen wordt de tekst beschouwd als een vroeg christelijke hymne of poëtische tekst die Paulus als bestaand heeft overgenomen. Het zou een joods-christelijke tekst zijn, waarbij er verschillend gedacht wordt over de mate van hellenistische invloeden. De zinsnede ‘de dood aan het kruis’ zou,  als een  onregelmatigheid in de tekst, een typische toevoeging zijn van Paulus vanuit het geheel van zijn theologie.

Het eerste vers roept de meeste vragen op: wat is er bedoeld met de ‘gestalte van God’ (morphe theou), het ‘gelijk zijn aan God’ (isa theoi) en ‘het niet willen vasthouden’? Dat laatste woord kan ook vertaald worden met ‘bezit’ of met ‘wat men als bezit wil verkrijgen’. De meeste exegeten kiezen tegenwoordig voor ’het willen verkrijgen, en zien dan de gelijkheid die wordt uitgedrukt in de naam boven alle naam ‘Kurios’ als wat Jezus wil verkrijgen als bezit.

Het jodendom van Jezus’ tijd was veel minder strikt monotheïstisch dan vaak aangenomen is. De goddelijke hemelse ‘elohiem’-wereld was bevolkt met engelen en andere hemelse gestalten, zoals de Zoon des Mensen’, die ‘morphe theou’ waren. Aan die goddelijke, god-gelijke hemelse sfeer wilde Jezus niet vast houden. Sommigen zien hem daarbinnen als engel of ‘Engel des Heren’.  Vanuit het geheel van het Nieuwe Testament zou ik willen kiezen voor Zoon des Mensen. Die wordt in en na de opstanding tot de eschatologische Kurios die heerst en zal oordelen (en daarna die bevoegdheid weer overgeeft aan de Vader). De vraag of en hoe Jezus als Kurios identiek is aan JHWH is dan secondair: de titel is ontleend aan de feitelijke, functionele machtsuitoefening, als representant van de Eeuwige. In dit geval treffen we evenals in Matth. 26, 1-16 een christologische drieslag aan: Jezus wordt geïntroduceerd als Messias (vs. 5), hij is de Zoon des Mensen die in de eindtijd op aarde verschijnt, en hij neemt de gestalte aan van de lijdende knecht.

Er is ook een andere benadering. Daarin wordt ‘morphe theou’ gelezen als gelijk aan ‘eikon theou’, beeld van God. In die visie was er geen pre-existentie, maar werd Jezus als mens op aarde geboren, en volbracht hij als beeld van God  in gehoorzaamheid wat de eerste Adam niet heeft kunnen waar maken. Jezus is de nieuwe, tweede Adam, de eerste van de vernieuwde mensheid. Tegen deze opvatting zijn veel bezwaren in te brengend: morphe kan niet zo maar vervangen worden door eikon. Bij Paulus is de tweede Adam van hemelse origine. Het als God willen zijn in Genesis 3 heeft betrekking op één ’goddelijke functie: het kennen van goed en kwaad. Dat wil niet zeggen dat de Adamitische christologie hier niet aan bod kan komen. In de Henochidische literatuur vindt er een identificatie plaats van een hemelse Adam figuur - die ook voluit beeld van God is, zoals ook de engelen beeld van God zijn – met de Zoon  des Mensen als Messias. In de hemelse Adam, die het beeld van God waar maakt  als eerste van een vernieuwde mensheid, en die om navolging vraagt, liggen ook homiletische mogelijkheden.

Sommigen zijn van mening dat de hymne niet past in dit gedeelte van de Filippenzenbrief en daarom duidelijk niet van Paulus is. Het gaat Paulus hier om het afzien van eigenbelang. Maar als Jezus door de weg die hij gaat een hogere waardigheid wil verkrijgen, is dat dan juist niet eigenbelang? Hij gaat wel een andere weg dan de satan met zijn engelen, maar waar is hij uiteindelijk op uit? Dit soort denken wijst in de richting van het ‘in bezit willen krijgen’. Maar juist daarom lijkt mij deze interpretatie minder aannemelijk. De Zoon des Mensen daalt af als knecht en Messias, om de mens te redden. Dat doet hij uit barmhartigheid, om niet. Dat God hem in de opstanding als rechtvaardige rechtvaardigt is een goddelijk geschenk vanuit Gods trouw. De vraag doet zich dan voor: welke ethiek en spiritualiteit zit er achter onze keuzes voor de interpretatie ‘in bezit houden’ of  ‘als bezit willen verkrijgen’? Waarom zien wij af van eigenbelang?

Dat een goddelijke persoon zich ‘ontledigt’ is ook het joodse denken niet vreemd. In kabbalistische en chassidische denkwerelden kan de Zaddik, de rechtvaardige, ook de persoon zijn in wie God zich ontledigd heeft, en tegelijk in zijn volheid aanwezig is. Hier ligt nog een grotendeels onontgonnen terrein voor een dialoog.