Joods-Christelijke Dialoog

Kolossenzen 01: 12-20

Zondag 20 november 2016
Zondag 7 augustus 2019
Zondag 24 november 2019


Door Theo Witkamp


Het gedeelte begint grammaticaal gesproken in vs.9. De NBV maakt de zinnen leesbaarder door met elk participium een nieuwe hoofdzin te beginnen. Dat is mogelijk, maar het is goed te bedenken dat het vertrouwen, dat in v.10-11 door het woordje ‘zult’ wordt uitgedrukt, ook aanwezig is in de imperatief ‘breng dank’ in v.12, zoals omgekeerd de imperatief uit v. 12 ook geldt voor v.10-11. De dank om de redding (12-14) loopt over in een loflied op de Zoon (15-20).

The Jewish Annotated New Testament (JANT) schrijft bij vs. 14: ‘the extent to which these familiar Christian theological terms reflect Jewish ideas of redemption is questionable.’ Joods gezien gaat het immers gewoonlijk niet om verlossing van de zonden, maar om verlossing van de ballingschap. De vraag is echter in hoeverre dit ook opgaat voor de periode rond het begin van de jaartelling. JANT aarzelt zelf ook en verwijst naar de intertestamentaire literatuur. Dat is terecht en we moeten vooral naar de apokalyptishe literatuur kijken. Het idee dat zondaars zich bekeren in het laatste der dagen en daarom door Gods genade gered worden kennen we uit 1 Henoch 50 en uit de synoptische evangeliën. We komen de gedachte ook bij de apokalyptische Paulus tegen (1 Tes 1:9-10) en in Kollossenzen en Efese. De zondaars, dat zijn de niet-Joden, de niet-rechtvaardigen, zij die de wet niet kennen en daarom ‘dood’ zijn, dus geen ‘eer’ of ‘loon’ kunnen hebben op grond van hun rechtvaardige daden, en daarom ‘van nature kinderen van de toorn’ zijn (Ef 2: 3,5,9). Gods genade overwint echter Gods rechtvaardigheid en daarom worden zij gered. Dit is het gedachtepatroon dat we ook in Kollossenzen 1: 12-23 aantreffen. Daarbij worden bekende Joodse termen vergeestelijkt. De ‘erfenis’ en de landbelofte worden niet in Kanaän, maar in de hemel gerealiseerd (11-12). De ‘heiligen in het licht’ (12) zouden volgens sommige uitleggers de engelen kunnen zijn, maar ook als het over de gelovigen gaat, is het licht wel het hemelse licht.

Voor de hymne vs. 15-20 geldt hetzelfde. Het gaat niet alleen over de zichtbare aarde of over het Joodse beloofde land. Hij heeft een kosmisch bereik. De onzichtbare God schept onzichtbare dingen. Men kan hierbij denken aan Johannes 1: 18; 1 Timotheüs 1: 17 en Hebreeën 11: 27, maar ook aan Genesis 1: 2 LXX waar de net geschapen aarde ‘onzichtbaar en ongevormd’ is. Dit heeft platoniserende uitleggers zoals Philo geholpen om de hogere bovenwereld en de afschaduwing daarvan in de onderwereld (de aarde) beide aan de Schepper toe te schrijven. Kollossenzen 1 staat in deze Joods-hellenistische traditie. Het boek Wijsheid levert tal van parallellen. De Zoon uit Kolossenzen 1 wordt getooid met termen die eerder van de gepersonifieerde Wijsheid of door Philo van de logos waren gebruikt. Uiteraard komen ook Johannes 1 en enkele gedeelten van Paulus’ brieven in gedachten.

De Zoon wordt in Kollossenzen 1 met grote woorden getooid. Hij is de eerstgeborene van de schepping (5) én van de opstanding (18). Bovendien vormt hij het format van de schepping (‘in hem’ 16). Hij is als de eerste, als het begin (15b, 17a), het vormende (16) en behoudende (17b) principe van alles wat er in de kosmos is. Hij is dat bovendien niet alleen van alles wat geschapen is, maar ook van alles wat herschapen wordt. Het kernwoord daarvoor is ‘verzoenen’ (apokatallassesthai) ofwel vrede stichten. De vooronderstelling van deze termen is dat de wereld gebroken is en in scherven ligt of, met andere woorden, dat er oorlog is tussen verschillende partijen. Oorlog op aarde is een signaal dat er ook oorlog in de onzichtbare hemel is. Verzoenen betekent helen, vrede stichten betekent pacificeren. Het zijn machtsdaden. De metafoor is hier niet die van een rechtszaal waarin men schuldig verklaard kan worden, maar die van een conflict, waarbij de zaak uit de hand gelopen is en er iets hersteld moet worden. De Zoon doet dat door de bovenaardse, onzichtbare machten, die de mensen gevangen houden, hun macht te ontnemen en zo de mensen op aarde te bevrijden. De premisse is dat de onzichtbare bovenwereld zijn directe invloed laat gelden in de zichtbare benedenwereld. Het ‘bloed van het kruis’ ofwel de gewelddadige dood van de Zoon vormt het miraculeuze kantelpunt. Hier leek hij onmachtig te zijn, maar mirabile dictu geschiedde het omgekeerde: zijn dood ontwapende zijn vijanden en onthulde hun machteloosheid. De mensheid kan nu bevrijd leven – als men zich tenminste laat bevrijden. Dit is de wijd reikende en optimistische boodschap van dit gedeelte.