Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 9 juli 2017
Zondag 29 maart 2020
 

‘Dood voor de zonde, levend voor God’

door Peter Tomson

Zie ook de Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.


Ditmaal sluiten zowel de profeten- als de brieflezing moeiteloos aan bij het evangelie. Jezus’ dankzegging vanwege de openbaring aan de eenvoudigen (Mat 11:25-30) kan je horen als een danklied vanwege het werk van de Geest, het thema van Rom 8, en de sleutelrol van ‘de zoon’ in zijn dankzegging wordt hartelijk begroet door Zacharia’s juichroep.
Grappig genoeg zette de maker van ons rooster een motto uit Rom 6:11 boven onze pericoop (zie pericoop vorige week). Rom 8:10 levert een wat passender motto: ‘Al is het lichaam dood door de zonde, de geest is leven door de rechtvaardigheid’. Toch is het allemaal verre van eenduidig: gaat het om onze geest of Zijn Geest? en is het Zijn rechtvaardigheid of de ons door Hem ‘toegerekende’ rechtvaardigheid?
Meerzinnigheid is typerend voor dit soort uitspraken. Voor een deel hangt dat samen met de grammatica. Op eenvoudiger schaal geldt hetzelfde van het sleutelcitaat van Romeinen (1:17 = Hab 2:4): ‘De rechtvaardige zal uit zijn geloof leven’ ‒ is het zijn geloof of het Zijne? Ook de vroege rabbijnen hebben ‘gespeeld’ met deze soort dubbelzinnigheid, die vanuit het Hebreeuws dan ook goed te begrijpen is.
Er is een diepere laag. ‘Geloof’, anders gezegd ‘vertrouwen’ ‒ want zowel het Grieks als het Hebreeuws hebben hier maar één woord voor: pistis en emoena ‒ is iets wederkerigs. Vertrouwen en geloof ‘boezem je in’ en ‘krijg’ je, het is iets wat ontstaat (of verkwijnt) tussen mensen en tussen God en mensen. Onze geldeconomie is gebaseerd op vertrouwen ofwel ‘krediet’ ‒ van het werkwoord credit, ‘hij vertrouwt’ (en leent dus uit). Als je elkaar niet meer vertrouwt, stort de economie in. Een ‘kredietkrisis’ is niets anders dan een ‘geloofskrisis’. God heeft vanwege Jezus vertrouwen in ons, en dat mag ons vertrouwen inboezemen. Iemand werd gevraagd: ‘Geloof je in God?’ Hij antwoordde: ‘Als hij maar in mij gelooft.’
Nu nog over de Geest, centraal in onze pericoop. De Geest is ‘Gods aanwezigheid wonend in ons’. In de Tora ‘woont’ Gods ‘heerlijkheid’ (kavod) op de plek die hij verkiest, in de tabernakel bv. In het evangelie daalt de Geest neer op Jezus als hij opkomt uit het doopwater (Mar 1:10). Paulus legt het duidelijk uit (overduidelijk!): ‘Als de Geest van Hem die Jezus uit de doden heeft opgewekt in jullie woont, dan zal hij die Christus uit de doden heeft opgewekt ook jullie dode lichamen levend maken door de inwoning van zijn Geest in jullie’ (Rom 8:11). Vrij vertaald: het is niet zozeer iets wat wij doen, maar meer iets wat ons overkomt, iets wat ons wordt ingeboezemd wanneer wij om zo te zeggen ‘Gods machtige daden zien’.
De rabbijnen componeerden een ‘lofzang op het geloof’ nav. het vers, ‘Israël zag wat de Heer aan Egypte had gedaan ... en ze geloofden in de Heer’ (Ex 14:31). Het refrein van die lofzang luidt: ‘Groot is het geloof in de ogen van de Heilige geloofd zij Hij, want dankzij het geloof rustte de heilige Geest op hen en zongen zij een lied, zoals er gezegd is: “En Israël geloofde in de Heer en in Mozes zijn knecht; toen zongen Mozes en de Israëlieten dit lied...”’ (Ex 15:1; Mechilta de-Rabbi Jisjmaël, besjallach – wajehi 6, ed. Horovitz-Rabin p. 114v.).