Joods-Christelijke Dialoog

Eerste Kerstdag, 25 december 2021

door Bart Gijsbertsen

Kerkelijk jaar: Eerste Kerstdag
Synagogaal jaar: op 21 Tewet 5782 staat Sidra Sjemot (Exodus 1:1-6:1) op het leesrooster. Het boek van de Uittocht wordt opengeslagen.

Adagium (zie commentaar bij Hebreeën 3)
De Zoon van God is bezig het zaad van Abraham vast te grijpen. Hierom moest Hij dus in alles aan de broeders gelijk worden, opdat Hij ten overstaan van God zou zijn: een meedogende en betrouwbare hogepriester; om de zonden van het volk te verzoenen. (zie Hebr. 2:16-18)

NB:
1. De schrijver concentreert zich op zijn eigen volk, de Hebreeën (zaad van Abraham, de broeders, het volk). Overal in zijn brief richt hij zich tot de laos (Israel); nooit vermeldt hij de etnè (heidenen, niet-Joodse volkeren) zoals Paulus zoveel doet.
2. De schrijver vertelt zijn volksgenoten dat Jezus hun hogepriester wil zijn en wat dat betekent. Daarmee slaat hij een eigensoortig thema aan; nergens elders in het Nieuwe Testament vind je Jezus getekend als (hoge)priester.

Het kerkelijk leesrooster vermeldde vanaf Israelzondag de Hebreeënbrief als alternatieve schriftlezing. Die lezingenreeks sluit nu echter niet met de laatste hoofdstukken van die brief (hfst. 11 t/m 13) maar met het allereerste begin, hoofdstuk 1; het hoofdstuk dat aanvankelijk is overgeslagen.
Dit is een aparte gang van zaken. Het leesrooster legt op deze manier de focus geheel op Jezus en zijn leven en werk op aarde. Terwijl de briefschrijver nu juist van meet af aan de focus richt op de hemelse gestalte van 'de Zoon' en de naam 'Jezus' gebruikt als hij gaat vertellen over de fase waarin de hemelse Zoon 'voor korte tijd' (2:9) beneden de engelen wordt gesteld.
Misschien is dit symptomatisch voor wat over het algemeen met Kerstfeest (en daarna) gebeurt. Om het maar zo te zeggen: de gestalte van Jezus wordt zo groot gemaakt dat het de meeste mensen het zicht op de Zoon, de Christus, ontneemt. Ik heb het wel vergeleken met wat Neil Armstrong is overkomen. Zijn hele leven wordt versmald tot dat ene jaar 1969 en die ene stap die hij zette op de maan. Niemand heeft het over zijn jeugd, of dat hij luchtvaartkundig ingenieur was, straaljagerpiloot, en zoveel meer.
Zeker, Armstrong zette de eerste stap op de maan; maar wie was Neil Alden Armstrong eigenlijk? En zeker, de Christus was op deze aarde in Jezus, maar wie was en is de Christus eigenlijk?
De schrijver van de Hebreeënbrief was daarmee nu juist begonnen. Precies zoals ook Johannes in zijn evangelie heeft gedaan en waarschijnlijk heeft gehoopt dat alles wat hij verder schreef vanuit dat begin zou worden verstaan. Op deze Kerstdag luisteren we dus naar het hoge begin.

Hebreeën 1: 1-13

1 Almaar weer en op allerlei wijzen
heeft God in het verleden gesproken
tot de vaderen;
in de profeten.
2 Op het laatst, in deze dagen,
heeft Hij tot ons gesproken
in een Zoon.
Hem (deze Zoon)
heeft Hij tot erfgenaam van alles en allen gesteld,
en door hem (deze Zoon)
heeft Hij de aeonen, de wereld(tijd)en, geschapen.

3 Hij (deze Zoon)
die de uitstraling is van zijn (Gods) heerlijkheid,
die de uitdrukking is van zijn (Gods) essentie,
die alle dingen (ver)draagt voor de zaak van zijn (Gods) faam,
die de reiniging van de zonden heeft verricht,
heeft zich gezet aan de rechterhand (Ps. 110:1)
van de Majesteit in de hoogste (hemelen).

4 Hij (deze Zoon)
is veel machtiger geworden dan de engelen.
Dat blijkt wel uit het feit
dat hij een benaming heeft beërfd
die veel verhevener is dan (die) zij (hebben).
5 Want tot wie van de engelen heeft Hij (God) ooit gezegd:
'Jij bent mijn Zoon, heden heb Ik je verwekt'? (Ps. 2:7)
En ook: 'Ik zal hem tot een Vader zijn,
en hij zal Mij tot Zoon zijn.'? (2 Sam. 7:14)
6 En ook zegt Hij (God),
wanneer Hij de eerstgeboren (Zoon) in de wereld introduceert:
'... en laten voor hem alle goddelijke engelen
in aanbidding neervallen.' (Ps. 97:7)
7 Met betrekking tot de engelen zegt Hij wel:
'... die van de winden zijn boden maakt,
van vlammend vuur zijn dienaren', (Ps. 104:4)
8 maar met betrekking tot de Zoon zegt Hij:
'Uw troon, o Godgelijke, is voor eeuwig en altijd'. (Ps. 45:7)
En:
'... de scepter van het recht
vormt de scepter van zijn koningschap.' (Ps. 45:7)
9 'Gerechtigheid hebt u liefgehad
en wetteloosheid gehaat.
Daarom heeft, o Godgelijke,
uw God u gezalfd met vreugdeolie
boven uw bondgenoten uit.' (Ps. 45:8)

10 Ook (staat geschreven):
'U, Heer,
hebt in het begin de aarde gegrondvest,
en de hemelen zijn werken van uw handen. (Ps. 102:26)
11 Zij zullen vergaan, maar u blijft bestaan.' (Ps. 102:27a)
Ook (staat geschreven):
'Zij allen zullen als een kledingstuk verouderen; (Ps. 102:27b)
12 en: u zult ze omslaan als een mantel;
als een kledingstuk zullen ze ook verwisseld worden, (Ps. 102:27c)
maar u bent en blijft uzelf en uw jaren komen nooit ten einde.' (Ps. 102:28)
13 En tegen wie van de engelen heeft Hij (God) ooit gezegd:
'Zet u aan mijn rechterhand,
intussen maak Ik uw vijanden
tot een bank onder uw voeten'? (Ps. 110:1)

Met een alliteratie (polumeroos en polutropoos) wordt kort en bondig de pakweg tweeduizend jaar samengevat die in de Tenach c.q. de Septuagint wordt verhaald. Die vaderen zijn immers niet de eerste de beste voorouders, en het gaat ook niet over het verleden van zomaar een of ander volk. De eerste woorden van de brief refereren direct aan het verleden dat de schrijver aan zijn lezers bindt. Zij delen een bepaalde afkomst en geschiedenis, namelijk de verbondsgeschiedenis van God met zijn volk Israël. Het is dan ook niet vreemd dat sommige Griekse handschriften hier eenvoudigweg spreken over onze vaderen.

Zo kernachtig en tegelijk vol informatie kun je een brief (of cursus) alleen maar beginnen als je weet dat de geadresseerden dit direct verstaan. Je leeft samen al eeuwen bij en van het spreken van JHWH tot de vaderen.
Dat spreken is verbonden met de profeten.
Ook dat is 'Tenach-taal'.
Het verwijst niet slechts naar individuele profeten in Israël. Het verwijst ook naar vrijwel alle boeken in de Tenach die na de Torah kwamen. Zodat de uitdrukking Mozes en de profeten de hele Septuagint bedoelt.
De profeten worden ook wel 'boden' van God genoemd. In het Hebreeuws heet zo'n bode een mal'ak. Dat woord wordt in de Septuagint frequent vertaald met angelos, engel. Over hen horen we zo meteen meer.

De notie in het laatste der dagen heeft wortels in oude profetieën in Israël. Zo vaak klinkt daar een te dien dage, aan het eind der tijden. En dan gaat het altijd over een nieuwe wereld die zal doorbreken.
En de schrijver stelt: dat is nú, heden, in mijn en jullie leven. God heeft tot ons gesproken in een Zoon. Vervolgens vertelt hij van alles over dit zoonschap.

Hier valt te bedenken wat 'een zoon' in de wereld van het oude Israël betekent. Het is een van de meest gebruikte zelfstandige naamwoorden in de Hebreeuwse Bijbel; zo'n vijfduizend keer.
In de oud-oosterse wereld is het krijgen van een zoon van levensbelang. Zonder zoon geen bescherming in je ouderdom. Zonder zoon word je gezien als een mens zonder toekomst; je leeft niet voort in een volgend geslacht.
Een oudste zoon, een eerstgeborene, heeft een speciale band met zijn vader, krijgt andere privileges - verbonden met speciale verantwoordelijkheden! - dan de andere kinderen.
Daarnaast hoeft met 'een zoon' in de Tenach lang niet altijd een biologische zoon bedoeld te worden. Er zijn ook profetenzonen en godenzonen. In de wijsheidsliteratuur noemt de leraar zijn leerlingen ook wel zonen. De nadruk valt dan op de geestverwantschap tussen vader en zoon, leraar en leerling.

Een bijzondere plek heeft in dit verband het volk Israël zelf. Anders dan andere volken der aarde wordt Israël ook 'zoon van God' genoemd, zelfs 'zijn eerstgeborene'. Dat heeft niets meer met biologie te maken.
God kiest dit volk, crëert het zelfs als volk, en gaat een speciale band met dit volk aan als tussen een vader en een zoon.
God sluit een verbond met Israël, en wat daarin over en weer wordt beloofd en gezegd creëert een geestelijke verwantschap. De 'zoon' is door de 'Vader' geroepen om Hem op aarde te representeren, Gods wil door te geven. De zoon is daarmee dus als het ware ook een 'bode', een 'engel' van God. Zo functioneert Israël in principe als Gods eerstgeborene in het gezin van de volkeren, met bijzondere privileges die verbonden zijn met een bijzondere verantwoordelijkheid.

De briefschrijver zegt nu tot zijn Joodse generatiegenoten: Er is tot ons gesproken in een Zoon.
Dat roept vragen op. Welke Zoon spreekt hier tot Gods zoon Israël? Met welk mandaat? Is het een profetenzoon? Een godenzoon?
Een Zoon van God, zegt de schrijver; en God zelf spreekt in hem tot ons.
Spreker dus namens Israëls God tot Gods volk Israël. Wat heeft deze Zoon dan aan 'zoon Israël' te vertellen?
Hij is tot erfgenaam van alles en allen gesteld. Is Hij dan ook de erfgenaam van het hele verbond en van de hele verbondsgeschiedenis tussen God en Israël?
Maar waar blijft het zoonschap van Israël zelf dan? Wordt Israël door deze Zoon vervangen?
Het is veel groter, zegt de schrijver. Door deze Zoon heeft onze God de aeonen, de wereld(tijd)en, geschapen. Door Hem bestaat dus ook Israël zelf; inclusief de aeonen die zij al aan Gods hand hebben meegemaakt. En door Hem bestaan alle dingen en iedereen, ook buiten Israël.

We herkennen deze inzet. Het lijkt op Johannes 1:1 - alles begint met het Woord dat bij God was.
Met allerlei bijstellingen bij 'de Zoon' wordt onderstreept hoe diep de geestverwantschap tussen deze Zoon en God zelf is. Hij straalt 'God' uit. En Hij doet daarnaast zijn eigen werk. Hij trotseert alle ontberingen en weerstanden om de naam van God hoog te houden. En Hij reinigt op aarde mensen van zonden. Daarover zal het in de brief uitgebreid gaan.

En dan komen de eerste citaten uit de Septuagint waarmee de schrijver zijn boodschap onderbouwt.
Hij begint met het Boek van de Psalmen, en wel met Psalm 110 (in de LXX Psalm 109). Deze psalm haalt hij veelvuldig aan, meer dan welke andere tekst ook. Kennelijk begint zijn herinterpretatie - te weten de messiaanse interpretatie - van de Septuagint-tekst hier.
We horen in deze psalm de HERE God tot iemand spreken. En die 'iemand' verbindt de schrijver van meet af aan met de Zoon, die hij herkent in de woorden 'mijn Heer'. De Septuagint-tekst begint met tweemaal de (Griekse) titel 'kurios'; eerst als vertaling voor het Hebreeuwse JHWH, 'HEER', en daarna voor Adonai, 'mijn Heer'. Letterlijk vertaald: 'Hij sprak, de kurios tot de kurios van mij.'

De HEER spreekt tot mijn Heer:
'Neem plaats aan mijn rechterhand,
ik maak van je vijanden een bank voor je voeten.'
Uit Sion reikt de HEER u de scepter van de macht,
u zult heersen over uw vijanden.
Uw volk staat klaar op de dag dat u ten strijde trekt.
Op de heilige bergen, uit de schoot van de dageraad,
komt tot u de dauw van uw jeugd.
De HEER heeft gezworen, en komt op zijn eed niet terug:
'Je bent priester voor eeuwig, zoals ook Melchizedek was.'
De Heer aan uw rechterhand verplettert koningen op de dag van zijn toorn.
Hij berecht de volken, verplettert hoofden,
overal op aarde, lijken stapelen zich op.
Hij drinkt onderweg uit de beek en dan heft hij zijn hoofd.
(naar Psalm 110 uit NBV)

In deze psalm leest de briefschrijver de verhouding tussen enerzijds de kurios die God zelf is en anderzijds de kurios die zijn Zoon is. Deze Zoon krijgt de belofte dat Hij zal heersen over zijn vijanden. En Hij heeft een eigen volk dat klaarstaat om daarin een rol te spelen. Vanuit Sion krijgt Hij de scepter om over zijn vijanden te heersen.
Een volgend citaat komt uit Psalm 2. Hier wordt een warme relatie verwoord: Jij bent mijn Zoon. De warmte in de relatie tussen God en de Zoon wordt bevestigd met een citaat uit 2 Samuel. Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot Zoon zijn. Opvallend is dat dit laatste citaat in principe bestaat uit Gods woorden tot koning David; en God doelt met die woorden op Davids toekomstige zoon, de vrede-koning Salomo. Salomo is de koning die de tabernakel, de afspiegeling van de hemelse Woning sinds de dagen van Mozes, zal vervangen en vereeuwigen door hem in Jeruzalem te vervaardigen als monumentale tempel.
Woorden over deze grote zoon van David worden in de Bijbel en in de Joodse traditie wel vaker betrokken op de komende messias.

Dan een citaat uit het slot van het 'Lied van Mozes' in Deuteronomium 32 . De benaming eerstgeboren Zoon slaat in dat lied op 'Gods zoon' op aarde, het volk Israël. Mozes kondigt aan dat Israël, de eerstgeborene onder de volkeren der aarde, uiteindelijk zal worden gered uit de hand van alle vijanden en eindelijk met eer zal worden gekroond.
Met de komst van de grote Zoon uit de hemel ziet de schrijver nieuw licht dagen voor Gods zoon Israël op aarde.

Het volgende citaat bestaat uit twee delen.
Eerst wordt de kwaliteit en taak van de engelen beschreven met Psalm 104 waar een hemelse werkelijkheid wordt bezongen. Maar dat is slechts een opstapje om de veel hogere kwaliteit en taak van de Zoon te bezingen. En dat doet de schrijver met Psalm 45.
Psalm 45 is een lied van Israël voor hun koning, de messias. En in dat lied wordt de koning bezongen als een god. Zijn troon is voor altijd. Hij regeert met gerechtigheid, de tsedaka die uit is op het oprichten van armen en verdrukten, en het stoppen van uitbuiting en wetteloosheid. De koning is de 'gezalfde', de messiach, te midden van - en úitstekend boven - zijn bondgenoten (metochoi is een graag gebruikt woord in de Hebreeënbrief).
Deze woorden uit Psalm 45 over de messias-koning van Israël worden betrokken op de hemelse Zoon. De aardse koning wordt beschouwd als de weerspiegeling van het koningschap van de hemelse Zoon te midden van zijn bondgenoten.

Een lang citaat uit het slot van Psalm 102 moet de hoogheid van de Zoon bevestigen. In die psalm hebben de woorden betrekking op JHWH zelf. Nu worden ze betrokken op Hem die het Woord is door wie en voor wie alle dingen geschapen zijn. Hij is van vóór aarde en hemel en zal ook nog na deze bestaan.

En dan herhaalt de schrijver nog maar eens Psalm 110:1 waarmee hij zijn citaten in dit eerste hoofdstuk van 'Hebreeën' begon. De vraag die hij stelt is retorisch. Het antwoord is duidelijk. Geen enkele engel heeft ooit die positie gekregen die deze messias had en heeft. Hij, de Zoon, is koning voor eens en altijd. Uiteindelijk zullen al zijn vijanden in het stof bijten en aan zijn voeten liggen.

Bart Gijsbertsen