Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 17 oktober 2021

door Bart Gijsbertsen

Kerkelijk jaar: De zondagen van de herfst
Synagogaal jaar: op 10 Chesjvan 5782 staat Sidra Lech lecha (Genesis 12 t/m 17) op het leesrooster.

Adagium (zie commentaar bij Hebreeën 3)
De Zoon van God is bezig het zaad van Abraham vast te grijpen. Hierom moest Hij dus in alles aan de broeders gelijk worden, opdat Hij ten overstaan van God zou zijn: een meedogende en betrouwbare hogepriester; om de zonden van het volk te verzoenen. (zie Hebr. 2:16-18)

NB:
1. De schrijver concentreert zich op zijn eigen volk, de Hebreeën (zaad van Abraham, de broeders, het volk). Overal in zijn brief richt hij zich tot de laos (Israel); nooit vermeldt hij de etnè (heidenen, niet-Joodse volkeren) zoals Paulus zoveel doet.
2. De schrijver vertelt zijn volksgenoten dat Jezus hun hogepriester wil zijn en wat dat betekent. Daarmee slaat hij een eigensoortig thema aan; nergens elders in het Nieuwe Testament vind je Jezus getekend als (hoge)priester.

Hebreeën 4:12-16

12 Want het woord van God is energiek aan het werk.
En het is nog scherper dan
een slachtmes - zo'n mes dat aan twee kanten snijdt.
En het dringt door tot de scheidslijn
tussen ziel (psyche) en geest (pneuma),
en tussen merg en been.
En het is in staat om
de overleggingen en gedachten van een hart te beoordelen.
13 En er is geen schepsel verborgen voor Gods aangezicht;
alles ligt open en bloot voor zijn ogen.
Voor Hem leggen wij verantwoording af.

14 Nu dan: laten wij samen met een grote hogepriester,
afkomstig uit de hemelen,
Jeshua, de Zoon van God,
vasthouden aan het bondgenootschap.
15 We hebben immers geen hogepriester
die niet in staat is mededogen te hebben met ons onvermogen,
maar één die beproefd is in alles, net zoals wij;
uitgezonderd fouten!
16 Laten wij dan onbeschroomd
naderen tot de zetel van de genade,
waar we mededogen ontvangen
en genegenheid ontmoeten,
(ons) tot hulp op het juiste moment.

In het voorafgaande gedeelte sluit de schrijver een lange en waarschuwende preek bij Psalm 95 af. 'Wordt niet zoals de generatie die in de woestijn omkwam vanwege ongezeglijkheid!' Gevolgd door een groot 'Maar'. Het oordeel hoeft niet definitief te zijn. God heeft voor de ongehoorzamen van zijn volk een nieuwe tijd geopend, een 'heden van genade', waarin zij alsnog Gods oord van rust kunnen binnengaan, het beloofde land na de tocht door de woestijn.

En dan keert de schrijver terug naar de draad van zijn betoog. Als we nog even recapituleren wat tot nu toe in dat betoog klonk (hoofdstuk 1 t/m 3):
De Zoon is meer dan de engelen in de hemel, maar Hij is voor korte tijd beneden de engelen gesteld; onherkenbaar in de gestalte van Jezus (hfdst 1 en 2). De Zoon heeft dat gedaan om - in naam van God - het zaad van Abraham vast te grijpen. Daarvoor moest Hij hun gelijk worden, hun medebroeder, hun deelgenoot in alle ondervindingen van het leven. En Hij heeft geworsteld en gestreden om temidden van zijn broeders hun hogepriester te worden, degene met de grootste verantwoordelijkheid in het huis Israël; om zo 'Gods huis op aarde' te redden. En door zijn getrouwheid is Hem dat ook gelukt.
'Laten wij dan', zo eindigt de schrijver deze passage, 'er ijverig voor zorgen niet te versagen.'

In een soort 'enerzijds, anderzijds' scherpt de schrijver de situatie aan waarin hij samen met zijn hoorders, zijn bondgenoten, verkeert.

Enerzijds is er het Woord van God dat alle overleggingen van verstand en hart doorziet. Dus dat Woord legt ook bloot of het volk de eeuwen door antwoordend, verantwoord, handelt. Het oordeel kan niet anders dan dodelijk zijn; wie had of heeft een rein hart dat kan bestaan voor het aangezicht van de levende God?

Anderzijds is er nu de situatie dat er een nieuwe hogepriester in het midden van en aan het hoofd van zijn broeders gekomen is. Deze hogepriester is trouw in en aan 'Gods huis', het volk Israel. Hij handelt bovendien onberispelijk. Hoe diep het slachtmes ook snijdt, het zal geen fout aan deze priester ontdekken.
Samen met déze hogepriester kan heel Gods volk van nu af aan de grote verplichtingen van het Verbond aan en die ook nakomen. Daarbij is deze hogepriester ook nog eens vol mededogen met betrekking tot het onvermogen van zijn volk; uit eigen ervaring weet Hij hoezeer een mens beproefd kan worden.

De conclusie die de schrijver vervolgens trekt: Er is geen reden hoe dan ook ten opzichte van God in angst te verkeren vanwege eigen onvermogen en zonden. Integendeel, met en door deze hogepriester ligt de toegang tot God open en mag het volk vrij en blij zijn weg als Gods bondgenoot op aarde gaan.
Het heeft meer dan ooit zin om nu aan de Torah, aan de geboden en beloften vast te houden. Gods bruggenhoofd op aarde kan niet meer stuk.
In deze hogepriester houdt God het 'zaad van Abraham' (en alle volkeren der aarde) vast. De verbinding tussen hemel en aarde is door Hem fundamenteel hersteld. God kan (weer) op aarde wonen, want er is een huis: het huis waarin Mozes en Jeshua/Jezus hun broeders en zusters voorgaan in vertrouwen op God. En iedereen in dat huis maakt van het eigen hart een tabernakel, een plaats van ontmoeting met God.
De apostel Paulus zal deze metafoor - het Godsvolk als een heilig huis op aarde - in zijn brieven ook op de gemeente van Christus betrekken, waarin Jood én heiden leven van Gods Geest.

Bart Gijsbertsen