Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 15 augustus 2021

Ethiek en liturgie

door Adri van der Wal


“Henoch wandelde met God.” (NBG-1951) Twee keer wordt dit van Henoch gezegd (Genesis 5:22.24). Hij is onderweg met de Eeuwige, leeft in nauwe gemeenschap met Hem. Het typeert de leefstijl van deze mens, de zevende generatie in Genesis 5. Kort daarna, in Genesis 6:9, wordt hetzelfde van Noach verteld, de mens die de tiende plaats inneemt in de geslachtslijst van Genesis 5. De werkwoordsvorm die in deze teksten gebruikt wordt, de hitp. van hālak, “gaan”, wordt in Leviticus 26:12 van God gebruikt en duidt daar op nauwe relatie: “Ik zal in je midden verkeren; ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk.” (NBV-2004) Met een ander voorzetsel gecombineerd (lifnē) komt deze werkwoordsformatie (hitp. van hālak) op nog vele andere plaatsen in TaNaCh voor. Daartoe behoren Genesis 17:1; 24:40; 48:15, door NBG-1951 steeds met “wandelen” vertaald, door NBV-2004 omschreven: Genesis 17:1: “Leef in verbondenheid met mij”, Genesis 24:40: “De HEER, naar wiens wil ik mij steeds heb gericht”, Genesis 48:15: “De God naar wiens wil mijn voorouders Abraham en Isaak zich richtten”.
Het leven wordt in TaNaCh getypeerd als onderweg zijn. De bedoeling is: onderweg met de Eeuwige. Er klinkt het gebed dat Hij mensen zijn wegen zal leren (Psalm 25:4; 86:11).

Deze associaties komen op bij het werkwoord “wandelen” (NBV-2004: “de weg gaan/bewandelen”) dat in de brief aan de Efeziërs herhaaldelijk wordt gebruikt. Dat is het geval in 2:10; 4:1.17; 5:2.8.15. Het genoemde oudtestamentische tekstmateriaal kan helpen bij de interpretatie daarvan. De Efeziërsbrief legt in het tweede gedeelte een sterk accent op de levenswandel van de gelovige (4:17 – 6:9). Ten diepste moeten zij leven in navolging van God (4:32; 5:1) en van Christus (5:2). In 4:32 en 5:2 verwoordt de schrijver dat met “zoals”. In deze verzen wordt gezegd dat mensen vergeving en liefde hebben ontvangen. Nu is het hun opdracht vergeving en liefde te geven. Op een andere manier omschrijft de auteur in 5:8 deze navolging. Deze imitatio Dei is een ethisch grondprincipe dat in TaNaCh veelvuldig voorkomt. Zie bijvoorbeeld Leviticus 19:2 waar we lezen: “Wees heilig, want, ik, de HEER, jullie God, ben heilig.” Een tweede voorbeeld is de tweelingpsalm Psalm 111-112, waar Psalm 111 over God spreekt, Psalm 112 over de rechtvaardige. Vele thema’s worden in Psalm 111 met de Eeuwige verbonden, in Psalm 112 met de mens. In 4:24 gebruikt de auteur het oudtestamentische thema dat de mens naar het beeld van God geschapen is (niet zoals de NBV-2004 “naar Gods wil”).

Nog op vele andere manieren omschrijft de briefschrijver de gelovige levenswandel. Het is een nieuwe levenswandel (4:17.22.24). In 4:24 spreekt de auteur van “de nieuwe mens aantrekken”. Het is geen eenmalig gebeuren: mensen moeten voortdurend vernieuwd worden in geest en denken (4:23). De nieuwe mens is naar Gods beeld getypeerd door waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid (4:24; zie ook 5:9). De schrijver vraagt om een verregaande liefde. Daarvoor verwijst hij de lezers naar de liefde van Christus die zich voor mensen overgaf (5:2).

In de te lezen passage 5:15-20, door de schrijver aangeduid als een conclusie (“dus”) uit het voorafgaande, wordt het nieuwe leven in contrasterende termen getekend. Enkele malen wordt eerst iets genoemd wat men niet moet doen (in de verzen 15, 17 en 18), waarna volgt wat wel. Men wordt opgeroepen alert te zijn (5:15; NBG-1951: “nauwlettend toezien”; NBV-2004: “goed opletten”), als verstandige mensen te leven (5:15), zich te bezinnen op Gods wil (5:10.17; vergelijk Romeinen 12:2), de onvruchtbare praktijken van de duisternis te ontmaskeren (5:11), vol te worden van Gods Geest (3:16; 5:18). Dat vol worden van Gods Geest wordt in 5:19-20 uitgelegd met behulp van een viertal participia: sprekend (NBV-2004: “zing”), zingend, jubelend, dankend. Deze uitingen worden hier dus genoemd als vruchten van de Geest. De opdracht klinkt om het van harte te doen (5:19) en steeds voor alles te danken (5:20). Dankbaarheid is dus een belangrijk facet van het nieuwe leven. De briefschrijver noemt dat in 5:4 en 5:20. Net als in Efeze 1:2 wordt God in 5:20 “Vader” genoemd, oudtestamentisch spreken als in Jes. 63:16; 64:7. Zo zijn hier ethiek en (dankbare) liturgie onlosmakelijk met elkaar verbonden.


Adri van der Wal
afgerond: 24 juni 2021