Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 13 juni 2021

door Bart Gijsbertsen

Kerkelijk jaar: 2e zondag na Trinitatis
Synagogaal jaar: op sabbat 12 Tammoez 5781 was aan de orde Sidra Korach (Numeri 16 t/m 18)

Een masjal, een orakel-spreuk van Jezus op het leesrooster vandaag. Twee stuks zelfs. Jezus spreekt in raadsels. Expres, zo blijkt (vers 33,34); maar zijn leerlingen worden ingewijd.
Met een masjal wordt op een verborgen manier een levensgeheim gedeeld. Expres verborgen, want levensgeheimen zijn te kostbaar om aan de grote klok te hangen of als parels voor de zwijnen te werpen. Een levensgeheim vraagt om een aandachtig oor, een hart dat wijsheid zoekt. Daar staan de populisten Korach en kornuiten (in Sidra Korach) die het zo graag voor het zeggen zouden hebben in elk geval verre van.

Oppervlakkig gehoord vertelt Jezus dat iemand slapend rijk wordt. Een lot waarvan menigeen hoopt dat het hem of haar nog eens beschoren zal zijn, of iets dat juist met afgunst wordt bekeken en becommentarieerd. Degenen die slapend rijk geworden zijn, geven als repliek: 'Voor niets gaat de zon op'. Met andere woorden: steek zelf de handen maar eens uit de mouwen.

Op een wat dieper niveau beluisterd herinnert Jezus ons aan de basis van ons leven. Want basaler kan het bijna niet worden uitgedrukt. Als zaden immers niet meer zouden ontkiemen, als de aarde niet uit zichzelf vrucht voortbracht, stond alle leven op aarde binnen de kortste keren stil. Wij leven ervan dat zaad ontkiemt (en de zon voor niets opgaat). Terwijl wij niet eens weten hoe ('al weet hij niet hoe'; vers 27)!
Wij leven dus van een beginsel dat wij niet kunnen (be)grijpen, waarbij wij over het algemeen niet eens stilstaan. Ondertussen zijn we gepreoccupeerd door ons eigen harde werken en organiseren, zijn we gaan denken dat het leven maakbaar is, vrucht van onze handen.
Maar zouden wij niets doen - in een sabbatsjaar of jubeljaar of zo - dan zouden de bomen en struiken nog steeds 'gewoon vanzelf' vruchten geven, te oogsten door wie maar wil. Maar wie is daarover nog verwonderd? Of wie zou dat zelfs maar willen? Voedsel, water, wijn en melk zonder prijs en zonder geld (Jes.55:1v) betekent het einde van ons economisch stelsel.

Geloof begint met verwondering, zo luidt een gevleugelde uitspraak van Abraham Joshua Heschel. Verlies je gevoel voor verwondering, stelt Heschel, en de schepping wordt tot een markt voor je waarop wij onderdelen kopen en verkopen. De schepping gevangen in economische modellen. Zelfs van boeren en onderwijzers kun je managers maken. Koeien, schapen, landbouwgrond en weiden kun je in een bepaalde format zetten, en je zult zien hoe zo'n matrix zich uitbetaalt.
In zo'n wereld zonder verwondering is de schepping geen 'taal van God' meer, verstaan wij de metaforen, de beeldspraak niet meer. 'Mij spreekt de blomme een tale', zo dicht Guido Gezelle nog.

We naderen het levensgeheim van deze masjal. Een scheppingsgegeven, zaad, wordt metafoor voor het Koninkrijk van God. Niet voor niets gaat het juist in het hart van de Torah over zaad (Leviticus 15). Dat is bij Jezus niet anders.
'Een Zaaier ging uit om te zaaien'. Zo begint Jezus in Marcus 4. Die woorden klinken nadat in hoofdstuk 3 al klonk dat men Jezus uit de weg wil ruimen (3:6). Je kunt de gelijkenis over de zaaier dus horen als een bedekte manier van spreken door Jezus om aan te geven dat het zaad cq. de dabar die hij strooit op sommige plaatsen alleen maar op weerbarstige rotsen stuit (wat overigens nog geen reden is om te voorkomen dat het zaad ook daar terecht komt!).
Maar vervolgens kun je in deze gelijkenissen vooral horen hoe Hij over zichzelf spreekt - niet zozeer als zaaier, maar - als zijnde het zaad, de dabar van Godswege.
Anders gezegd: God is de Zaaier bij uitstek. Door zijn dabar is er een schepping die vol is van zijn daden; zodat de Torah vrijwel onuitputtelijk de geschiedenis die God met zijn volk gaat kan verduidelijken met metaforen uit Gods schepping. In deze schepping verschijnt nu de levende Torah.

Vanuit deze optiek gelezen spreekt Jezus hier over de reden van zijn komst. Als Hij ziet dat de aarde ondanks de Torah en alle beeldspraak ten diepste vruchteloos blijft, gaat Hij, Dabar van den beginne, zaad als geen ander (de pre-existente Messias; vgl. Spreuken 8) Gods schepping achterna. Hij laat zichzelf als zaad in de aarde vallen om daar te sterven.
Wat vervolgens gebeurt na deze val van het zaad Gods: wij staan erbij en kijken ernaar. Het gaat ons verstand te boven. 'En hij weet niet hoe'. Maar we zingen ervan met Pasen en Pinksteren, en nog na Trinitatis: dit zaad draagt veel vrucht.
Tot in onze tijd gaat dat vruchtdragen nog steeds door.
'Vanzelf'.
In de masjal van het mosterdzaad komt er letterlijk geen mens meer aan te pas. In Ezechiël 17 (ook vandaag op het rooster) is het God zelf die 'uit de top' een stekje haalt en dat plant. Uiteindelijk zullen alle soorten vogels die er zijn nestelen in de takken van de boom die hieruit ontstaat (Ez.17:23).

Bewegen we mee in dit geheim van het Koninkrijk der hemelen ('Laat mij slapend op U wachten...'), vertrouwend op de oogst die op dit gestrooide Zaad zal volgen, dan weten we dat - na gezaaid te hebben - slapen en opstaan, dag in dag uit, onze relaxte levenshouding mag zijn.
Wij creëren de wasdom niet. Wij kunnen alleen wachten; ondertussen doende wat onze hand vindt om te doen.
Niettemin kan wachten ons zwaar vallen. In onze snelle maatschappij is wachten bijna onverdraaglijk of zelfs een doodzonde. Toch geeft dít wachten de ware oogst. Zeker als wijzelf mee-vallen, achter dit Zaad aan; als wij onszelf vanuit Gods hand laten strooien waar Hij maar wil.
In geloof weten we dat ons eigen leven en sterven eveneens een metafoor is, een masjal, in Gods schepping.

Ik vraag maar een ding: kracht
te dulden dit besef, dat ik geboren ben
in 't najaar van een wereld
en daarin sterven moet -
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbije schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben -

Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst geloven
waarvoor ik dien -

Zo verwoordt Adriaan Roland Holst dat in zijn gedicht De ploeger.

Bart Gijsbertsen