Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 28 februari 2021

Jezus’ metamorfose op de berg

door Adri van der Wal

Ongeveer in het midden van zijn boek over Jezus vertelt Marcus het verhaal over de metamorfose van Jezus op de berg. Zes dagen na een gesprek tussen Jezus en zijn leerlingen over zijn naderende dood en opstanding en over wat het volgen van Jezus voor zijn navolgers inhoudt (Marcus 8:27 – 9:1), gaat Hij met drie discipelen een hoge berg op. Daar wordt Jezus voor de ogen van zijn leerlingen veranderd (de Griekse grondtekst vermeldt een passieve werkwoordsvorm. Daarmee verwijst Marcus naar een goddelijk ingrijpen). Jezus’ kleding wordt hel wit. Elia en Mozes verschijnen en zijn met Jezus in gesprek. Wat zij bespreken wordt door Marcus niet verteld. Petrus spreekt dan Jezus aan, noemt Hem ‘rabbi’, en wil deze situatie vasthouden, maar de bergtop kan slechts tijdelijk plaats van de toekomst zijn. De evangelist vermeldt de angst van de drie discipelen. Dan valt de schaduw van een wolk over hen. Uit de wolk klinkt een stem: “Deze is mijn Zoon, de geliefde. Luistert naar Hem!” Dat is het tweede teken van aanwezigheid van God in dit verhaal. Als de stem geklonken heeft, is de scene voorbij, Mozes en Elia zijn er niet meer. Tijdens de afdaling draagt Jezus zijn drie leerlingen op deze ervaring voor zich te houden tot na zijn opstanding. Zij vragen zich echter af wat het is: opstaan uit de dood.

Zoals vele Bijbelverhalen is ook dit verhaal gelaagd. Vanuit dit centraal geplaatste verhaal zijn vele verbindingen te leggen met andere delen van het evangelie en met oudtestamentische thema’s. Eerst kijken we naar enkele verbindingen binnen het Marcus-evangelie.
De tijdsaanduiding aan het begin van Marcus 9:2 is van belang, omdat die aanduiding de lezer duidelijk maakt dat Jezus de berg opgaat met de dood voor ogen. Jezus is op een cruciaal punt aangekomen in zijn leven. Had de evangelist de lezer al in Marcus 3:6 verteld dat mensen Jezus van het leven wilden beroven, in Marcus 8:31 spreekt Jezus zelf voor het eerst over de zekerheid van zijn dood door mensenhanden. Jezus zal daar later opnieuw over spreken (Marcus 9:31; 10:32-34). Steeds spreekt Hij daarbij over zijn opstanding na drie dagen.
Jezus neemt drie leerlingen mee de berg op: Petrus, Jacobus en Johannes. Het zijn dezelfde drie mensen die Hij later meeneemt in Getsemane (Marcus 14:33).
Het wit worden van Jezus’ kleding zet dit verhaal binnen het evangelie in verband met het opstandingsverhaal dat vertelt over de witte kleding van de jongeman in het graf na Jezus’ opstanding (Marcus 16:5). In het gebeuren op de berg ontvangt Jezus al een glimp van hemelse heerlijkheid, vooruitwijzend naar en voorteken van zijn opstanding. Bemoedigend voor Jezus. Zijn verwachting wordt niet beschaamd.
Nog twee keer klinkt de aanspreektitel ‘rabbi’ voor Jezus in het Marcus-evangelie, door Petrus (Marcus 11:21) en Judas (Marcus 14:45).
De stem die uit de wolk klinkt (Marcus 9:7), zegt woorden die sterk lijken op de woorden, waarmee Jezus in Marcus 1:11 bij zijn doop wordt omschreven, woorden over zoonschap en geliefd zijn. Ze zijn in Marcus 1:11 tot Jezus gericht, ter bevestiging van zijn in zijn doop gemaakte keuze. In Marcus 9:7 worden de woorden tot de leerlingen gesproken. Opnieuw kiest God bij het gebeuren op de berg voor deze zoon. Opnieuw klinkt diepe verbondenheid in het “mijn zoon”. Later zal door de centurio bij het kruis gezegd worden: “Deze mens was werkelijk Gods zoon.” (Marcus 15:39). Ook daar wijst dit verhaal naar vooruit. Zo vormt dit thema “zoonschap” een rode draad door het evangelie.
De woorden van de stem uit de wolk gaan vergezeld van een oproep naar deze Jezus te luisteren, vergelijkbaar met Jezus’ oproep in Marcus 7:14: “Luister allemaal naar mij.”
Letten we dan op duidelijke verwijzingen naar het Oude Testament. Jezus wordt voor de ogen van drie leerlingen veranderd. Zodoende is er een betrouwbaar getuigenis over (vergelijk Deuteronomium 17:6; 19:15, en ook Paulus’ uitspraak in 2 Korintiërs 13:1).
Dan de verschijning van Elia en Mozes, frappant door de evangelist in Marcus 9:4 in deze volgorde genoemd. Petrus hanteert de volgorde Mozes – Elia (Marcus 9:5). Deze twee figuren representeren wet en profeten. Buiten dat kunnen we in deze gebeurtenis op de berg gebeurtenissen uit hun beider leven herkennen. Te denken is aan Mozes’ spreken met God op de berg Sinaï (Exodus 19; 24), zijn vooruitzien van Israëls toekomstige land vanaf de berg Nebo (Deuteronomium 32:52; 34:1-4). Ook Mozes en Elia moesten bemoedigd worden (Exodus 3; 6; 1 Koningen 19).
Een verwijzing naar het Oude Testament is vervolgens de wolk. Exodus biedt meerdere voorbeelden van Gods verborgen aanwezigheid in een wolk. Exodus 13:21 vertelt dat God het volk in de woestijn overdag voorgaat in een wolkkolom, die ’s nachts verandert in een vuurkolom. In Exodus 19:16 wordt verteld over de dreigende wolk op de berg Sinaï. Vanuit die wolk sluit God een verbond met zijn volk. Het slot van Exodus 40 vertelt over de wolk die de Tent van de Samenkomst bedekte en teken was van Gods aanwezigheid in dat door mensen gemaakte bouwwerk.
Het zoonschap dat door de hemelse stem uit de wolk wordt genoemd, herinnert eraan hoe God in het Oude Testament die term meermalen hanteert voor Israël (Exodus 4:22-23; Hosea 11:1), Salomo (2 Samuël 7:14), Efraïm (Jeremia 31:20), de koning (Psalm 2:7).
Met de uitdrukking “de geliefde” wordt het verhaal van Abraham en Isaäk uit Genesis 22 opgeroepen.
Relevant is ook dat in 2 Petrus 1:17-18 de woorden van de hemelse stem zijn geciteerd.
Vanuit deze vele verbindingen kan het verhaal van de metamorfose op tal van manieren worden benaderd, met telkens andere accentueringen.