Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 24 januari 2021

Het begin van de werkzaamheid van Jezus op aarde en de roeping van de eerste discipelen

door Birke Rapp

Gods koningschap

Het grootste gedeelte van de verhaal uit Marcus gaat over de roeping en de navolging van de eerste discipelen van Jezus. Maar hieraan voorafgaand wordt in deze perikoop in een paar woorden vertelt, waar het bij in het in de werkzaamheden van Jezus om gaat. Jezus komt uit de woestijn in Galilea naar Judea – zo wordt er verteld – waar hij: het goede nieuws (Grieks: euaggelion) van God uitriep:
De tijd is vervuld, en het koninkrijk Gods is nabij gekomen;
bekeert u, en gelooft in het goede nieuws (Grieks: euaggelion)! (Marcus 1,14.15)
Het “goede nieuws” waar hij het over heeft gehad, heeft met het komen van het “koninkrijk Gods” te maken. Met dit begrip sluit Jezus aan bij de joodse verwachting uit zijn tijd en bij een belangrijk joods concept.

Het “koninkrijk van God” of “Gods koningschap” (Malchoet sjamajim) is een concept dat teruggaat op de Bijbel / de Tenach. Het komt voor in de profetische teksten (Dan 2,44; 7,14.27; Jes 9,6 zie ook Zach. 14,9), in de gebedstraditie, in het Sjema en in het Achttiengebed. Het was in de eeuw voor de gewone tijdrekening in ontwikkeling. Reeds vanaf de vroege rabbijnse traditie vinden wij vele overleveringen over het Malchoet sjamajim. In de joodse traditie duidt het “koninkrijk van God” de volmaakte geopenbaarde heerschappij Gods op aarde aan. Het is het openbaar worden van de koninklijke heerschappij van God over zijn gehele schepping – een heerschappij die weliswaar al sinds het ontstaan van de wereld in het verborgene bestaat, maar stap voor stap en op mysterieuze wijze, niet met geweld of in één klap de harten van de mensen verovert.

Het concept is geworteld in het besef dat de schepping een ingestelde orde is, een ordening die deels al gerealiseerd en deels nog potentieel is. En dat het de opdracht en bestemming van de mens is die ordening in de geschiedenis tot voltooiing te brengen. In de woorden van A. J. Heschel:
De schepping van de wereld is voltooid. Het grootste en zwaarste deel van het scheppingswerk is echter nog niet voltooid, is nog in de maak. Dat deel is de geschiedenis. Voor de realisering van Zijn grote plannen heeft God de hulp nodig van de mens. De mens is en heeft het instrument dat hij al dan niet kan gebruiken in overeenstemming met Gods plan. Het leven is klei en gerechtigheid de vorm waarin God de geschiedenis gegoten wil hebben. (The prophets, deel I, p.198)

Het realiseren van Gods koningschap komt tot stand uit de spanning tussen schepping en voltooiing. Het is de opdracht om de wereld te richten op Zijn koningschap, de wereld te ordenen tot Gods koninkrijk. Veel van de interpretaties rondom “Gods koningschap” gaan terug op de ervaring van de uittocht en de bevrijding uit de slavernij uit Egypte door God en op het eerste woord van de Tien Woorden: Ik ben de Heer je God, die als een proclamatie van Gods koningschap wordt begrepen.
Waarom beginnen de Tien Woorden met “Ik ben de Heer je God”(Exodus 20,2)?
Dat lijkt op een koning van vlees en bloed die een verafgelegen provincie van zijn rijk bezocht. Zijn dienaren zeiden tot hem: vaardig voor de inwoners verordeningen uit. Hij antwoordde hen: Nee. Wanneer ze mijn koningschap accepteren, zal ik verordeningen voor hen uitvaardigen, want als ze mijn koningschap niet accepteren, zullen ze ook mijn verordeningen niet accepteren.
Zo zei God [eerst – eerste woord] tot Israel: “Ik ben de Heer je God die je hebt uitgeleid uit het land Egypte” [en daarna – tweede woord] “Je zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben”. [D.w.z.] Hij zei tot hen: Ik ben het wiens koningschap jullie op je genomen hebt in Egypte. En zij antwoordden Hem: Ja. [Daarop zei Hij:] Zoals jullie Mijn koningschap op je genomen hebt, neem ook mijn verordeningen op je! (Mechilta de Rabbi Jisjmaël Jitro, masechta de Bachodesj parasha 6 – zie Geliefd is de mens, p.118)

Gods koningschap is gebaseerd op bevrijding, o.a. de bevrijding uit Egypte. Op andere plekken vinden wij ook dat Gods koningschap te maken heeft met het instellen van een rechtvaardige maatschappij (zie b.v. de 11e beracha van het Achtiengebed en de uitvoeringen in Elke Morgen Nieuw). Het is aan de mens, om dit koningschap in de wereld gestalte te geven door aan de ene kant God als koning over de wereld te erkennen (“het juk van Gods koningschap op zich nemen”) en aan de andere kant zich te houden aan de verordeningen die door Hem als koning der wereld in de geboden zijn uitgevaardigd (“het juk van de geboden op zich nemen”). Daar waar de mens God als koning erkent en zich aan zijn voorschriften houdt en zijn geboden doet, wordt iets van Gods koningschap zichtbaar. En eens “zullen állen [alle volken] het juk van uw Koningschap op zich nemen, zodat Gods koningschap volledig gestalte zal krijgen in de wereld. Dan zal de Heer Koning zijn over de gehele aarde. Dan zal Gods eenheid afleesbaar zijn uit de eenheid van de mensen: Op die dag zal de Heer één zijn en Zijn naam één zijn (Zach 14,9).” (Geliefd is de mens, p.119 op basis van het Alenoegebed uit het gebedenboek)
Gods koningschap komt ook in de dagelijkse gebeden terug. Zoals in het Sjema, waarin verschillende verzen uit de Schrift verwerkt zijn. Daar neemt de bidder twee keer per dag, in de ochtend en in de avond, eerst het “juk van Gods koningschap” op zich – waarvan de kern gevormd wordt in Deut. 6,4-7. En daarna het “juk van zijn geboden” – in het uitspreken van Deut. 11,13-21 en Num 15,37-41. Zo wordt Gods koningschap in de wereld een voor ieder tastbare realiteit. In het Achttiengebed gebeurt iets soortgelijks. Daar komt Gods koningschap in het begrip “God van Abraham” voor. Abraham die het koningschap van God aan iedereen op aarde bekend heeft gemaakt (zie Sifre Deut. 313). In de zegenspreuken 10-15 van het Achttiengebed wordt Gods koningschap ook met verschillende facetten van de uiteindelijke verlossing van Israel en de voltooiing van de wereld verbonden. In deze zegenspreuken is ook de hoop op de masjiach ben David gevestigd, de “spruit van David” die als koninklijke figuur “recht en gerechtigheid” zal doen in het land (15e beracha). Interessant is daarbij dat het bij het komen van de messias niet om de figuur van de messias, maar om het ontspruiten van de verlossing en het zichtbaar worden van Gods koningschap gaat. Niet de messias draagt de verlossing, maar de verlossing draagt de messias. (zie Elke Morgen Nieuw, p.311)
In de rabbijnse traditie heeft de realisering van Gods koningschap in de wereld twee kanten: enerzijds is het een opdracht die de mensen moeten uitvoeren, anderzijds is het een gebeuren waarnaar we uitzien.
Alle genoemde aspecten van het koninkrijk Gods herkennen we in de uitspraken van Jezus. Jezus heeft volgens de evangeliën zijn eigen handelen en wonderdaden beleefd als het doorbreken en beginnend ontluiken van het “koninkrijk Gods” in het leven hier en nu. Hij benadrukt de presentie van het rijk. Het begin van het koninkrijk is reëel en toch onopvallend, omdat het zich manifesteert in de kwaliteit van het dagelijkse bestaan dat geleefd wordt volgens de ethiek van de Tora. Het rijk is er al, maar nog niet volledig.
Uit onze tekst lijkt het erop dat Jezus het koninkrijk op korte termijn verwachtte. Met velen van zijn tijdgenoten dacht hij dat het vastgestelde einde der tijden als het ware voor de deur stond. Het koninkrijk stond als een uitgebotte bloesemknop op openspringen. We vinden hier een presentie van het koninkrijk van God benadrukt: het rijk manifesteert zich al wel in het doen van Gods wil, als persoonlijke ervaring. Het is nog niet acute eschatologische verwachting. Maar Jezus herkende waarschijnlijk wel de eschatologische krachten die zich manifesteerden in hemzelf en in wat om hem heen gebeurde. Meer dan de meesten van zijn tijdgenoten meende hij de naderen van het godsrijk te herkennen. Het concept heeft in het NT een ongekende radicaliteit en acuutheid gekregen. Dat betekent een accentverschuiving met de joodse (latere) rabbijnse traditie, ook al kun je die ook terugvinden (zie hiervoor ook R. Akiba, die in Bar Kochba de messias meende te ontwaren, maar die daarvoor streng werd gekapitteld – jTaanit 68d.)

De roeping

In de overlevering van Marcus 1 (en ook in Matteüs 4,18-22) volgt de roeping van de discipelen meteen na de proclamatie van Gods naderend koningschap. Het is een strak geschreven verhaal met een duidelijke opbouw, dat uit twee dezelfde delen bestaat, de verzen 16-18 en 19-20:
Jezus             ziet Simon en Andreas – hoe ze hun netten uitwerpen – en
                     zegt tegen hen: volg mij na.
       Zij                verlaten hun netten en volgen hem.

       Jezus            ziet Jakobus en Johannes – hoe ze de netten herstellen – en
                           roept hen
       Zij                verlaten hun vader en volgen hem.

Vooral de woorden, die na elke roeping weer terugkomt: ze verlieten … en volgden hem na herinnert sterk aan een ander roepingsverhaal uit 1 Koningen 19,19-21: de roeping van Elisa door Elia. Marcus (en Matteüs) laten hun verhaal rijmen op dit verhaal:

        Elia             vindt Elisa die met anderen aan het ploegen is, hij
                          gaat op hem af en gooit zijn mantel over hem heen.
        Elisa           verlaat meteen zijn ossen en rent achter Elia aan.
        Elisa           zegt dat hij eerst afscheid wil nemen van zijn ouders
                          Daarna neemt hij ook afscheid van zijn werk (slachten, braden, delen)

Elisa geeft zijn beroep en zijn familie op en volgt Elia
Ook Simon en Andreas en Jakobus en Johannes geven hun werk en broodwinning aan de ene kant en hun familie aan de andere kant op en volgen hem. Uit de parallelle opbouw kun je ook de reden afleiden, waarom zij alles achter zich laten en hem meteen navolgen. Er overkomt hen iets. Jezus’ optreden herinnert volgens de schrijver aan de dagen van Elia. De discipelen worden direct van God geroepen, daarom zijn ze ook meteen gehoorzaam. Ze voelen zich dicht bij Gods koningschap, sterk en vrij. En daarom kunnen zij afstand doen. Net zo als Elisa van zijn werk en van zijn ouderlijk huis.

Ook in hun roeping kun je een parallel tot andere roepingen uit de Schrift vinden: Volg mij na en ik zal maken dat jullie vissers van mensen zullen worden (Marcus 1,17). De vissers Simon en Andreas en Jakobus en Johannes worden tot mensenvissers, net zo als de akkerbouwer Elisa de akker van Israel moet bewerken en de herder Mozes het volk uit Egypte moet leiden. De roeping sluit aan bij de beroepen van de geroepenen. Ze veranderen niet, maar worden omgevormd en toegepast op het reddende of bevrijdende werken aan en met mensen.

De geleerde en zijn leerlingen

Jezus was geen eenling. Hij heeft zich omgeven met 12 discipelen die hem overal naartoe zijn gevolgd en nauw met hem hebben samengeleefd. Zo raken zij niet alleen maar vertrouwd met zijn leer maar ook met zijn gedrag en zijn houding ten opzichte van de mensen die Jezus ontmoet. Deze algemene beschrijving van een kring van leerlingen heeft veel overeenkomsten met andere joodse groepen en scholen uit die tijd en ook met filosofische scholen uit de hellenistische wereld. De geleerde omgeeft zich met volgelingen en leerlingen. Het was de gangbare manier om de leer en levenshouding door te geven. Men leerde van de leraar en van en met elkaar (zie b.v. Babylonische Talmoed Taanit 7a: Veel heb ik van mijn leraren geleerd, meer nog dan van mijn leraren heb ik van mijn collega’s geleerd, maar het allermeeste heb ik van mijn leerlingen geleerd). Het was een hele “leer-cultuur” en werd in de rabbijnse traditie een van der belangrijkste concepten, het Talmoed Tora. Zo ontstaan er bekende scholen (zoals de scholen van Hillel en Shammai) en elke grote geleerde, zoals b.v. R. Akiba, heeft een aantal leerlingen. Maar er wordt in de rabbijnse traditie ook over spanningen gesproken, die de intensieve betrokkenheid bij Talmoed Tora met zich meebrengt. Leerlingen zijn vaak maandenlang van huis en zijn alleen maar aan het leren. In de traditie zijn discussies te vinden over hoe lang mensen van huis mogen blijven zonder aan hun verplichtingen t.o.v. hun vrouw en gezin te voldoen. (zie hiervoor Boyarin, 134-166) Een ander onderwerp in de traditie betreft de vraag of de studie samen kan gaan met een beroep en werk. Dit wordt verscheiden gediscussieerd. Soms wordt een leven in armoede geprefereerd als er maar tijd is voor de studie (Mishna Avot 1,14v; 2,5v; 4,9v en zie ook de dankwoorden van de rabbijnen aan de inwoners van Usha, die voor hen hebben gezorgd in Hooglied Rabba 2,5par) En soms wordt er ook aangeraden om naast de studie ook nog een beroep te hebben. (zie hiervoor in de Mishna Kidoesjien 4,11 en Avot 2,2 en zie Rabbinische Liebe, pp 35vv)
Wat wel interessant is dat er in deze hechte gemeenschap van Jezus en zijn discipelen weinig of niets over het gemeenschappelijke studie van de Tora wordt overgeleverd, zoals het b.v. in de gemeenschap van Qumran het geval was en men het ook voor de Farizeeën kan aannemen en later bij de rabbijnen. Mogelijk dat dat komt, omdat de discipelen geen scholing hadden en op latere leeftijd leerlingen van Jezus werden. Volgens de overleveringen in de vier evangeliën leert Jezus zijn leerlingen in gelijkenissen, parabels en wijze spreuken, allemaal vormen die ook door ongeletterde mensen kunnen worden begrepen. Bovendien valt op dat de uitspraken van Jezus sterk ethisch zijn getint. Samen met zijn openheid ten opzichten voor de behoeften van mensen en de vele wonder- en genezingsverhalen zou dat een aanwijzing kunnen zijn, dat Jezus tot de kringen rondom de chassidiem gerekend zou kunnen worden. Zij verkiezen het ethische gedrag boven de uitleg van de Tora. Ze zijn een randgroep in de wereld van de rabbijnen. Inzet voor de behoeftigen, vaak gepaard met bovennatuurlijk krachten en wonderverhalen, en gebed zijn de belangrijkste vormen om zich te uiten. En toch speelt ook in der verhalen over Jezus de interpretatie van de Tora een belangrijke rol – zeker in de discussies met de Farizeeën en Sadduceeën.

Literatuur:
Over “Gods koningschap”
- Y. Aschkenasy e.a., Geliefd is de mens, Folkertsma Stichting Hilversum 1982 – met name het artikel: De messiaanse verwachtingen in het Jodendom, van Y. Aschkenasy en D.J. van Uden, pp.116-130.
- D.J. van der Sluis e.a., Elke Morgen Nieuw, Folkertsma Stichting Hilversum 1978.
- M. Loopik, Balk en splinter, Pardes Amsterdam 2011 – met name het 2e hoofdstuk: Het koninkrijk der hemelen, pp.33-41.
Over “De geleerde en zijn leerlingen”
- D. Boyarin, Carnal Israel, Berkeley 1993 – met name zijn artikel: Lusting After Learning: The Torah as “the Other Woman”, pp.107-133.
- B. Rapp, Rabbinische Liebe, Untersuchungen zur Deutung der Liebe des Hohenliedes auf das Studium der Tora in Midrasch Shir haShirim Rabba, dissertatie 2003 – met name het tweede hoofdstuk: Das Torastudium als rabbinisches Konzept: Bedeutung, geschichtliche und soziologische Hintergründe sowie die Praktizierung, pp. 35-61.