Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 30 augustus 2020

door Coen Constandse

Het verhaal van een genezing, een uitdrijving. Maar daar ligt niet de pointe. Waar wel? Dat is lastig puur exegetisch helemaal helder te krijgen. Hieronder een enigszins speculatieve essayistische bijdrage om het verhaal in zijn eigenaardigheden recht te doen.


Context
In hoofdstuk 16 – en de vraag van Jezus en de belijdenis van Petrus (16:13-20) - lijkt er sprake van een wending in het evangelie: hierna zijn er de lijdensaankondigingen, bij Matteüs zelfs vijfmaal (16:21; 17:12, 22v.; 20:18v.; 26:2). Deze hoofdstukken – de antwoorden op Jezus’ vragen (16:13, 15) en de ‘verheerlijking op de berg’ (17:1-8) – brengen ons diep in de Joodse belevingswereld, waarin men kennelijk leefde met de mogelijke terugkeer van gestalten uit het verleden, zoals m.n. Elia, en de komst van de Mensenzoon. Prompt verschijnen Mozes en Elia ook aan drie uitverkoren leerlingen. Jezus heeft eerder in het evangelie al trekken van Mozes en Elia (al wordt die in Matteüs expliciet geïdentificeerd met Johannes de Doper; 11:14; 17:13).
Op dit verhaal volgt een gesprek over Elia, als voorloper van de toekomst van de Eeuwige, zoals in Maleachi 4:4-6 wordt aangekondigd. In die profetie komen Mozes en Elia beiden voor, en wordt Elia’s missie in opmerkelijke bewoordingen omschreven: ‘het hart van de vaderen terugvoeren tot de kinderen, en het hart van de kinderen tot de vaderen’. In het evangelie wordt hier niet expliciet naar deze tekst verwezen, maar het is treffend dat in het onmiddellijke vervolg een vader en een zoon op het toneel verschijnen.

Breder verband
Er resoneert in hoofdstuk 17:1-20 van alles mee dat in eerdere verhalen in samenhang voorkomt (zonder dat betekenis meteen duidelijk is):
- Johannes de Doper, de stem uit de hemel bij de doop door Johannes,
- het water (waarmee Johannes doopt) en het vuur waarmee de na Johannes komende mee zal dopen (3:11),
- de confrontatie met duivel en demonen (4:1-11; 16:23; 17:18).
Het evangelieverhaal is uiteraard een weefsel, en kleuren en motieven keren hier terug. Het verleent de passages een onderlinge samenhang en ook een bijzondere intensiteit. Er wordt heel geconcentreerd onthult wie Jezus is.
Het verhaal begint op een berg (17:1) en eindigt met het door het geloof mogelijke verplaatsen van ‘deze berg’ (17:20). Jezus de Zoon straalt bovenop de berg als de zon, waarna de stem van de Vader klinkt (17:5), en de zoon beneden is, zo horen we in de biddende klacht van zijn vader ‘maanziek’. Dat alles lijkt me niet willekeurig zo verteld. De genezing lijkt een spiegelverhaal van de verheerlijking (zon-maan; Vader/Zoon). Maar wat de evangelist er dan mee wil vertellen is minder duidelijk. Ik doe hieronder een poging dit iets verder te verklaren.

Matteüs 17:14-20
Het is lonend om Matteüs’ versie van het verhaal te vergelijken met Markus en Lukas. Bij beiden volgt het verhaal ook op de verheerlijking van de berg. Matteüs en Markus hebben beiden het gesprek over Elia (17:10-13; Markus 9:11-13); waarin Matteüs Jezus laat zeggen dat Elia alles zal herstellen, en dat Elia al gekomen is. Alleen Matteüs heeft het ‘maanziek’ als ‘diagnose’.
In de versie van Matteüs komt een aspect in het bijzonder naar voren. Bij hem, meer nog dan bij Markus, is het bij uitstek een verhaal over geloof (en gebrek daaraan, oftewel kleingeloof, waardoor de leerlingen de zoon niet kunnen genezen, vs. 20). En er lijkt me een tweede accent te zijn dat daarmee samenhangt, en dat ligt dan op het (inter)generationele. Beide aspecten werk ik hieronder nog iets verder uit.

Geloof
Zoals vaker bij een genezing, speelt geloof een cruciale rol. Het opmerkelijke is hier dat het gaat om het geloof van de leerlingen, niet zoals vaker van de te genezen patiënt of andere betrokkenen (zoals in de versie van Markus, van de vader, Markus 9:23v.).
Dit past in het weefsel van hoofdstuk 16 en 17 samen. Daarin is het geloof of ongeloof – of begrip en onbegrip – van leerlingen een terugkerend thema. Dat zet in met het zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën, die met hun – in de weergave van het evangelie – afwachtende, ongelovige vraag naar een ‘teken uit de hemel’ representatief zijn voor een ‘boze en overspelige generatie’ (16:4; eerder in 12:38-45, daar eveneens in de context van bezetenheid en exorcisme, 12:22vv.). Ook in 17:14-20 komt de generatie onder kritiek, zij het in andere bewoordingen.
Vervolgens komt Petrus centraal te staan, met zijn belijdenis (16:16v.; begrip en geloof, van ‘hemelse’ herkomst zelfs) en zijn reprimande van Jezus (16:22v.; onbegrip, ongeloof dat zelfs satanisch is). Ook Petrus’ interventie bij de verheerlijking op de berg – een teken uit de hemel – is er een van onbegrip (17:4). Onbegrip: wellicht omdat hij visioen wil vastleggen, en Jezus met Mozes en Elia laten blijven op de berg; kan ook zijn dat hij het hemelse verschijningskarakter miskent. Beide duidingen blijven speculatief.
Onderaan de berg blijken de achtergebleven leerlingen te kleingelovig om de zoon van de vader te genezen van de bezetenheid. Dat gebrek aan geloof heeft ondertussen door de voorgaande verhalen profiel gekregen, en daarmee ook het geloof. Dat profiel omschrijf ik hieronder, na eerst op het andere aspect in te gaan.

Generatieconflict?
Zoals gezegd, de genezing lijkt een spiegelverhaal van de verheerlijking (zon-maan; Vader/Zoon). Zit het probleem dan wellicht in de verhouding van vader en zoon (als tegenstelling van de verhouding Vader-Zoon)? Is het een soort generatieconflict? Als de messiaanse missie van Elia hier meespeelt, is dat geen vreemde gedachte.
Maar Jezus klaagt – met een Mozes-citaat (Deut. 32:5) de hele generatie aan (een woord dat bij de vader-zoon-verhalen bijzonder treft). De generatie is ‘ongelovig en verkeerd’ (17:17). Staat de hele generatie, alle mensenkinderen – inclusief leerlingen, vader en zoon – niet in een rechte verhouding tot de Vader? Of zijn de verhoudingen onderling verstoord, te weinig vertrouwensrelaties? Jezus’ woede lijkt er toch op gericht dat intermenselijk geen genezing is gebeurd.
Een opmerkelijk gegeven is – en alleen Matteüs vertelt het zo, in afwijking van Markus en waarschijnlijk dus bewust afwijkend van de bron – dat Jezus de zoon lijkt te vermanen of bestraffen (epitimao): ‘breng hem bij mij. En Jezus bestrafte hem, en uit hem weg ging de demon’. Met het eerste ‘hem’ kan ook de later genoemde demon bedoeld zijn, dat ligt uiteraard het meest voor de hand. Maar als voorgelezen tekst is het minstens dubbelzinnig. En als Jezus klaagt over de generatie, is die zoon misschien wel de belichaming van die generatie. Een zoon die plaatsbekledend gestraft wordt.
Een merkwaardige demon is het wel: zoekt die het vuur en het water op? Hoeveel vuur en water is er om in te vallen? De zoon is een gevaar voor zichzelf, hij kan niet op eigen benen staan. Is onvolwassen, onvolgroeid. Dat is toch ook de klacht van Jezus: ik kan er toch niet altijd bij blijven! Jullie moeten het met elkaar ook kunnen. Dat geldt allereerst voor de leerlingen. Maar uit andere verhalen weten dat ook geloof van omstanders genezend kan werken en voor genezing nodig is. (Je kunt je het gebeuren voorstellen: de vader komt met zijn zoon en zegt: ‘Is Jezus er niet?’ En dan teleurgesteld: ‘Kunnen jullie hem helpen?’. En dat de leerlingen op die stem van de vader, net zo angstig reageren als de leerlingen boven op de berg op de stem van de Vader’).

Terug naar geloof en ongeloof
Het gebrek aan geloof manifesteert zich tegenover de demonen. Herhaaldelijk hebben de demonen een helder begrip van wie Jezus is. Omgekeerd zijn omstanders, toeschouwers bij Jezus’ uitdrijvingen vaak niet overtuigd. Zij blijven bevangen, blijven naar hemelse tekens vragen.
Dat is ook de leerlingen gebeurd. Aangrijpend is hun vraag: waarom konden wij het niet? Hebben ze het geprobeerd? Wel de formules uitgesproken? Of hebben ze niet durven beginnen?
Van de leerlingen weten we dat ze – onbegrijpend, ongelovig - met aardse zaken bezig bleven (‘wie is de grootste?’). Dat is ook het verwijt naar Petrus: gericht op mensendingen, niet op de zaak van God (16:23). Dat is ook: niet willen weten van lijden, onderaan de berg. Daarboven willen blijven, op de berg, zonder het te begrijpen. Zonder te begrijpen en er volledig op te vertrouwen dat het koningschap van de hemel effectief is, in Jezus. En, zo blijkt, in Jezus alleen (17:8).
Geloof houdt dat allemaal in: lijden en meelijden, zelfverloochening, afdalen. Dat ogenschijnlijk machteloze blijkt ongekende macht in zich te dragen. Maar krijg je dat geloof? En hoe draag je dat over? Zelfs Jezus lukt dat niet zomaar.