Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 27 augustus 2017
Zondag 23 augustus 2020


De weg van de Messias

door Pieter Goedendorp

Wel de goede woorden weten te vinden, maar dan toch maar moeilijk in staat zijn het goede te doen. Daar lijkt de evangelielezing van deze zondag heen te wijzen.

In het voorafgaande werd Jezus na de spijziging van 4.000 man met zeven broden en een paar vissen opgewacht door Farizeeërs en Sadduceeërs die hem zuur vroegen om een teken uit de hemel. Maar niet alleen zij, ook de leerlingen leken maar moeilijk te bevatten wie Jezus is en wat hij uitdeelt. Petrus leek er nog het van te begrijpen, toen hij Jezus als de Messias beleed. Maar even snel geeft hij er blijk van dat toch nog niet te doen. Reden voor een klemmend beroep van de Heer aan zijn adres.

Vers 21 - ‘Vanaf toen’ (apo tote) markeert in het Mattheüsevangelie steeds een nieuwe fase in het levensverhaal van Jezus. Eerder in Mt. 4:17 was het het begin van de missie van Jezus. Uiteindelijk zal het in Mt. 26:16 het begin van de lijdensgeschiedenis aangeven. Op deze plek, aan het begin van deze perikoop, duidt het een nieuwe fase in Christus’ optreden aan: de weg van de Messias, de weg van het Koninkrijk van G’d, blijkt onontkoombaar door het lijden te moeten gaan. Lijden, dood en opstanding zijn onderdeel van de eschatologie. Dat besef heeft Jezus van Nazareth zich gaandeweg toegeëigend en zo rekende hij allengs met de onontkoombaarheid ervan. Daar duid het “moeten” (dei) in de tekst van Mattheüs op. Pas door het lijden heen is Jezus de Messias.

De gedachte van de opstanding “op de derde dag” na het einde van de wereld wordt op de basis van Hosea 6:2 door de rabbijnen verwoord in Pirqe Rabbi Eliëzer 51: “Alle bewoners van de aarde zullen de dood proeven (...) maar op de derde dag zal hij hen vernieuwen en doen herleven en hen voor zich stellen.” In Genesis Rabba 91 (57d) wordt erover gesproken hoe God rechtvaardigen nooit langer dan drie dagen in nood laat: “Dat leren we van Jozef (Genesis 42:17), Jona, Mordechai en David - en uit Hosea 6:2.”

Vers 22 - Petrus, die in het juist voorafgegane Jezus als de Messias beleed en daarmee als eerste een maatgevende geloofsbelijdenis uitsprak, toont evenwel nog niet te doorgronden wat zijn eigen woorden inhouden. Hij neemt Jezus ter zijde en begint hem te bestraffen: “Hileoos soi, kurie...” Hoe die verzen te vertalen? De Septuagint gebruikt hetzelfde hileoos in 2 Samuël 20:20, 23:17 en 1 Kronieken 11:19: “G’d beware je” - te weten: door ervoor te zorgen dat dat niet gebeurt.”

Vers 23 - De reactie van Jezus op Petrus is scherp. De dienst aan het Koninkrijk der hemelen betekent het afzien van eigen aspiraties en vraagt niets anders dan je scharen achter de Heer. “Je hebt niet in de zin wat van God is, maar wat van de mens is.”

Vers 24 - Het incident wordt -in Mattheüs- de opmaat voor een uitleg aan de leerlingen over het patroon van het leven in navolging van Christus. Wie “achter Jezus” wil gaan heeft een innerlijke bereidheid nodig om zichzelf desnoods op het spel te zetten en eigen doelen en zekerheden in het uiterste los te durven laten. “Kruis dragen” is niet zozeer ‘berusting’ als wel het risico te durven lopen, dat verbonden is met het volgen van Jezus - desnoods tot in de dood. Van de navolging kan het martelaarschap de consequentie zijn.

Over het volgen van Jezus: in de Joodse context beduidt het allereerst het volgen van de lessen van de rabbi en hem dienen. In vers 24 krijgt het ook nog een andere invulling: het lot van de volgelingen van de meester, wordt ook door zijn lot bepaald.

Vers 25 - “Wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden.” “Vinden” moet hier gelezen worden in Joodse eschatologische betekenis. Midrash Qohelet 1,3 (5a) “De rabbijnen zeiden: “Welk nut hebben de rechtvaardigen ervan dat ze zich een schat verzamelen aan het vervullen van de geboden en goede werken? Het is genoeg voor hen dat ik eens hun aangezicht zal vernieuwen als de zonnestralen.” Het gaat om de paradox dat het vasthouden aan het leven, van zichzelf zoals men is, leidt tot verlies. En dat het verlies van zichzelf in het spoor van Christus niet een daad is van zelfvernietiging, maar als nieuwe gerichtheid, ommekeer, bekering, het nieuwe rijk van God openlegt.

Vers 26 - “Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven?” In de NBG vertaling van ‘51 wordt het in vers 25 en 26 gebruikt psuchè de eerste keer met ‘leven’ en de tweede maal met ‘ziel’ vertaald. Dat vat de NBV vertaling beter: het draait gaat om de hele menselijke existentie; er wordt geen onsterfelijke ziel tegenover een sterfelijk lichaam benadrukt. Merk op dat het hoe groot de waarde van het leven is in de rabbijnse traditie. Veel geciteerd is de uitspraak in Avoth de-Rabbi Nathan 31: “Eén mens is net zoveel waard als de hele schepping.” Jezus impliceert dat hem volgen als Messias ook de bereidheid inhoudt om desnoods het eigen lieve bestaan op het spel te zetten. Dat zijn voor veel gelovigen in het Westen droge woorden, maar kan in sommige gebieden op aarde voor christenen zómaar een bittere realiteit van het leven zijn. Door het lijden heen is Jezus de Messias en die weg kan ook voor zijn volgelingen de weg zijn die gegaan moet worden.