Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 25 april 2021

door Adri van der Wal

In zijn boek Een gebroken wereld heel maken. Verantwoordelijk leven in tijden van crisis (Vught 2016) houdt rabbijn Jonathan Sacks (1948-2020) een intens pleidooi voor een ethiek van verantwoordelijkheid en goedheid. Hij begint zijn boek met de woorden: “Een van de meest kenmerkende en uitdagende ideeën van het jodendom is zijn ethiek van verantwoordelijkheid, de gedachte dat God ons mensen uitnodigt om – zoals de rabbijnen het uitdrukken – zijn ‘partners in het scheppingswerk’ te zijn. De God die de wereld met liefde geschapen heeft, roept ons op om met liefde te scheppen. De God die ons het geschenk van de vrijheid heeft gegeven, vraagt ons daar zo gebruik van te maken dat de vrijheid van anderen erdoor wordt geëerbiedigd en versterkt.” (p. 10) Later gebruikt hij ook het woord “goedheid” en omschrijft dat als “het zegen brengen over andere levens dan het eigen”. (p. 20) “Het leven dat we leiden wordt afgemeten aan het goede dat we doen.” (p. 25)
Hoe schril steekt het handelen van de mensen waarover Ezechiël in deze passage spreekt, daartegen af. Het gaat over mensen die in hun leiderschap, hun herderschap falen. Ezechiël zal daarbij de elite van Juda en Jeruzalem op het oog hebben gehad, inclusief de koning. Ezechiël kan dit hebben gezegd over de leiders kort vóór de val van Jeruzalem in 586 v.Chr. Hij kan dit ook na de val van Jeruzalem hebben uitgesproken, als aanklacht achteraf. Drie keer wordt in deze verzen uitgesproken dat deze mensen zichzelf weidden (vs. 2.8.10). Ze zorgden goed voor zichzelf, maar lieten de schapen, de volksgenoten, aan hun lot over (vers 8). Die werden uitgebuit; men heerste hard en gewelddadig (vers 4).
De leiders worden aangeduid als “herders” (vers 2.7.9). Het Oude Testament kent tal van (vee)herders, zoals Abel (Gen. 4:2), Jakobs zonen (Gen. 46:32.34), Mozes (Ex. 3:1), David (1 Sam. 16:11). Bij hen draaide het leven om hun dieren, waar zij de zorg voor hadden. Een mooi plaatje van wat de herder te doen had is te zien in Ez. 34: zorgen voor weidegrond (vers 13-14), zwakke dieren laten aansterken, zieke dieren genezen, gewonde dieren verbinden, verjaagde dieren terughalen, verdwaalde dieren zoeken (vers 4.16). Zo herdert ook de Eeuwige. Herhaaldelijk tekent het Oude Testament Hem als herder: Gen. 49:24, Ps. 23; 77:21; 80:2, en elders. In zijn zorgzaamheid en herbergzaamheid gedijt het leven. Hij maakt mensen wegwijs in de wereld.
Herderschap wordt ook gevraagd van de leiders van Israël. Het wordt David met zoveel woorden gezegd bij zijn zalving tot koning van Israël: “Jij zult mijn volk, Israël, weiden; jij zult vorst over Israël zijn.” (2 Sam. 5:2) De echo daarvan klinkt in Ps. 78:70-71. Koningschap is herderschap. Hij of zij moet het volk dienen en bijstand verlenen aan hen die dat nodig hebben. Ook de Perzische koning Cyrus wordt in het Oude Testament ‘herder’ genoemd (Jes. 44:28). Herderschap is niet alleen in Israël, maar in het oude oosten breed een beeld voor leiderschap geweest.
Juda’s leiders falen in hun herderschap, verweet Ezechiël ze namens de Eeuwige. Feitelijk zijn er geen herders (vers 5.8). Het gevolg van de verwaarlozing van de kudde is dat die verstrooid is geraakt en een prooi voor andere dieren is geworden (vers 5.8). Niemand vraagt naar hen, niemand zoekt ze op (vers 6).
Waarschijnlijk heeft wat de leiders verweten werd niet alleen betrekking op het intermenselijke vlak, maar ook op het religieuze. In vers 3 is er een vertaalprobleem. Leest men hier “kaas” (NBV-2004) of “vet” (NBG-1951; Willibrordvertaling 1995)? Wanneer de vertaling “vet” wordt gelezen, dan komt in beeld dat op meerdere plaatsen in het Oude Testament het eten van het vet bij het offermaal wordt verboden (o.a. Lev. 3:17). Dan overtreden de aangesprokenen ook godsdienstige geboden.
De aanklacht tegen de leiders wordt in vers 2 ingeleid door het woordje “wee”. Dat is in het Oude Testament de dodenklacht.
Nu eist de Eeuwige de schapen terug van deze herders (vers 10). Zes keer spreekt de Eeuwige in deze passage over de schapen als “mijn schapen” (twee keer in vers 6, twee keer in vers 8, twee keer in vers 10). NBV-2004 vertaalt in vers 6 “raken ze verstrooid”, waar in het Hebreeuws staat: “raken mijn schapen verstrooid”. Nu maakt G’d een einde aan hun herderschap. Hij redt zijn schapen uit hun bek; ze worden dus voorgesteld als verscheurende dieren. De Ene gaat zelf voor zijn schapen zorgen (vers 11). Hij ziet wel naar hen om (vers 11). Hij doet (vers 16) wat de menselijke herders niet deden (vers 4).

15.3.2021