Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 5 juli 2020

Inleiding
Met Zacharia 9 begint het tweede deel van dit profetische boek. In de verzen 1-8 lijkt de profeet de veldtocht van Alexander de Grote richting Egypte te beschrijven, nadat deze in 333 voor de gewone jaartelling de grote overwinning bij Issos op Darius, de koning der Perzen, had behaald. In vers 9 lijkt de tegenstelling aangegeven te worden tussen het glorieuze en gewelddadige binnentrekken van Alexander de Grote in steden die hij veroverde. (Hij verwoestte bijvoorbeeld de handelsstad Tyrus volledig. Zie vers 3-4). Een grote tegenstelling met het binnentrekken van Jeruzalems koning. Deze komt niet als heerser te paard, maar op een ezeltje. Geweld is iets wat wezensvreemd is aan deze koning.

Vertaling van Zacharia 9:9-10 in de NBV
Juich, Sion,
Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde!
Je koning is in aantocht,
bekleed met gerechtigheid en zege.
Nederig komt hij aanrijden op een ezel,
op een hengstveulen, het jong van een ezelin.
Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen
en de paarden uit Jeruzalem;
de bogen worden gebroken.
Hij zal vrede stichten tussen de volken.
Zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee,
van de Rivier tot de einden der aarde.

Commentaar bij de Hebreeuwse tekst en de vertaling van de NBV
Sion, Jeruzalem: Zij die Hebreeuws lezen zullen opmerken dat hier staat ‘dochter (van) Sion’ en ‘dochter (van) Jeruzalem’. Toch is de eenvoudige vertaling ‘Sion’, respectievelijk ‘Jeruzalem’ overeenkomstig met het Hebreeuwse taaleigen. De uitdrukking ‘dochter (van)’, kan namelijk betekenen ‘behorend tot’ (net als ‘zoon van’ ook kan betekenen ‘behorend tot’). Het zal hier dan ook gaan om de ínwoners van Sion = Jeruzalem. De vrouwelijke vorm ‘dochter’ zal vooral een collectieve betekenis hebben.
Je koning is in aantocht: De Hebreeuwse tekst geeft aan dat wat hier beschreven wordt verrassend is. De HSV heeft dan ook ‘Zie’. Verder staat er niet dat die koning in aantocht is, maar er staat dat die koning zal komen. En bovendien staat erbij ‘tot jou’!
Bekleed met gerechtigheid en zege: De NBV misvormt de oorspronkelijke tekst. Er is geen sprake van ‘bekleed zijn’. Er staat alleen ‘Hij is’. De NBV vertaalt het woord ‘tsadiek’ met ‘gerechtigheid’. Maar ‘tsadiek’ is een bijvoeglijk naamwoord, dat betekent ‘tot zijn recht laten komen’, en het woord ‘zege’ past hier niet.
Zege: Hier staat een participium Nif’al (passief!) ‘nosha`’ dat ‘geholpen’, ‘bevrijd’, betekent. Rashi, de Middeleeuwse Joodse commentator, verklaart hierbij dat deze koning bevrijd is door de Eeuwige. Ook Deden (BOT, 1956) en Van der Woude (POT 1984) sluiten zich hierbij aan. Velen willen de actieve vorm ‘bevrijdend’ vertalen (Buber-Rosenzweig, Oussoren). De HSV vertaalt zelfs ‘Heiland’.
De twee woorden ‘tsadiek’ en ‘nosha`’ doen denken aan de voorschriften uit de Tora: Omzien naar weduwen, wezen en vreemdelingen, en hen tot hun recht laten komen.
De drie dieren: ezel, hengstveulen, jong van een ezelin. Terecht laten de vertalers deze koning niet op twee ezels tegelijk rijden. Het gaat om één dier dat op drie verschillende manieren aangeduid wordt.
Ezel: Ezels waren bij uitstek lastdieren, hoewel ze ook wel als rijdieren gebruikt werden. (De ezelin was bij uitstek een rijdier, omdat haar tred gelijkmatiger was dan die van de (mannelijke) ezel. In het Hebreeuws zijn ‘ezel’ en ‘ezelin’ ook volkomen verschillende woorden. De aanduiding ‘ezel’ (chamor) heeft te maken met de kleur van de ezel, en de aanduiding ‘ezelin’ (aton) heeft te maken met haar gelijkmatige tred).
Er is in de hele Bijbel geen verhaal waarin een koning op een ezel rijdt . Op een paard trouwens ook niet. In later tijd stond streed hij wel in een strijdwagen. Zie bijvoorbeeld Achab in 1 Koningen 22. Trouwens, mannen zitten gewoonlijk niet op een rijdier. De profeet Bileam reed op een ezelin, maar die was dan ook slecht ter been en de ezelin fungeerde meer als rolstoel met geluid (Numeri 22:28). Een beetje man lóópt, en zit niet op een rijdier. Als koning David Jeruzalem binnenkomt huppelt hij op zijn eigen benen (2 Samuel 6:14), en de knecht van Abraham laat in Genesis 24 de vrouwen op kamelen zitten en zelf loopt hij ernaast. Ook Jakob zet zijn vrouwen en kinderen op kamelen (Genesis 31:17). Mozes laat zijn vrouw met kind op een ezel zitten (Exodus 4:20). De broers van Jozef en vele anderen laden van alles op ezels, maar zelf lopen ze ernaast. (Opmerkelijk is nog dat Jakob zich, net als de vrouwen en kinderen, op wagens liet vervoeren, maar dat zal te maken hebben met zijn gebrekkige conditie. Zie Genesis 46:5 en 47:8).
In tegenstelling met mannen berijden vrouwen wel ezels (Richteren 1:14, 1 Samuel 25:20), of ezelinnen (2 Koningen 4:24).
In de annalen van Thutmozes III, een belangrijke farao uit de 15e eeuw voor de jaartelling, staat dat hij overwonnen vorsten naar huis liet gaan, rijdend op ezels. Dit als teken van vernedering en onderwerping.
Zo was het ook in het beleven van de bijbelschrijvers een teken van zwakte of vernedering om als man op een ezel te zitten. Vandaar ook dat het woord ‘nederig’ hier goed op zijn plaats is.
Hengstveulen: Het woord ‘’ayir’ wordt vaak vertaald met ‘hengstveulen’, en het is afgeleid van een werkwoord dat ‘snel voortgaan’ betekent. Het komt verder alleen voor in Richteren 10:4 en 12:14, waar jonge mensen erop rijden. Jonge, onstuimige ezels zullen bedoeld zijn.
Jong van een ezelin: Mogelijk dat door deze nadere aanduiding van dit jonge ezeltje benadrukt wordt dat het echt om een ezel gaat en niet om een muildier. Muildieren, een kruising van een paardenmerrie met een ezelhengst, waren rijdieren die bereden werden door mannen die aspiraties hadden om de macht over te nemen. Prinsen zoals Absalom, Salomo en andere zoons van David lieten, door hierop te rijden, zien dat zij koninklijke aspiraties hadden. Zie 2 Samuel 13:29, 18:9, 1 Koningen 1:33).
Strijdwagens, paarden, bogen: In drievoud wordt symbolisch gesproken van oorlogstuig. Opvallend is dat Zacharia deze berijder van een ezel zelf aan het woord laat: Ik… . Daarna neemt de profeet het weer over en gebruikt de derde persoon: Hij … .

Mattheüs 21:5
De schrijver van het Mattheüsevangelie citeert de woorden van de profeet Zacharia zo: Zeg tegen Sion: ‘Kijk, je koning is in aantocht, hij is zachtmoedig en rijdt op een ezelin en op een veulen, het jong van een lastdier (NBV-vertaling).

De conclusie moet dan ook zijn dat de profeet Zacharia de komst van de koning aankondigt, maar van een koning die arm en vernederd is en niets triomfantelijks heeft, die het tegenbeeld is van een aardse koning.