Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 17 oktober 2021

Een nieuwe toekomst


door Adri van der Wal

Israëls profeten spraken allereerst over de eigentijdse situatie en hielden mensen een spiegel voor, maar trokken daarnaast ook lijnen naar de toekomst. In Jes. 28 en 29 vinden we beide. Enerzijds is de profeet Jesaja in deze hoofdstukken zeer kritisch op zijn hoorders. Hij zingt, getuige het “wee” in Jes. 28:1 en 29:1.15, een doodsklacht. Tevens horen we op meerdere plaatsen in Jes. 28 en 29 perspectieven naar de toekomst. Zo gebeurt dat onder meer in Jes. 28:5-6, in een passage die met “Op die dag” begint. Die woorden klinken ook in Jes. 29:18 in de context van de beloftewoorden van Jes. 29:17-24. Direct daarna laat de profeet in Jes. 30:1vv opnieuw het “wee” klinken.

De woorden van Jes. 29:17-24 volgen op aanklachten over verblinding (29:9-12), uiterlijke eredienst (29:13-14) en gedrag dat voor JHWH verborgen wordt gehouden (29:15-16). In Jes. 29:17-24 klinkt dan een lied over een binnen korte tijd (vers 17) aanbrekende heilstijd, waarin natuur en mensen zullen worden veranderd. Op verschillende manieren wordt de in Jes. 29:17-24 aangekondigde heilstoekomst gecontrasteerd met de in Jes. 28-29 geschetste situatie. Vergelijk daarmee hoe de hoopvolle woorden van Jes. 8:23b-9:6 op de donkere woorden van Jes. 8:19-23a volgen en de beloftes van Jes. 11:1-10 op de onheilswoorden van Jes. 10:33-34. De bestaande situatie wordt omgekeerd.

Er zijn de volgende verbanden van Jes. 29:17-24 met het voorafgaande:
- In Jes. 29:20-21 wordt een oordeel uitgesproken over meerdere groepen van mensen. Waaronder “spotters” (לץ). Dat verwijst terug naar Jes. 28:14, waar sprake is van “mensen van spot/gezwets” (אנשי לצון), een uitdrukking die in 28:14 betrekking heeft op leidslieden van het volk. Zij worden in 28:22 opgeroepen daarmee op te houden (ליץ met negatie).
- Tegenover de verblinding van Jes. 29:9-12 wordt in 29:18 gesproken over doven die kunnen horen en blinden die kunnen zien. In 29:11 en 29:18 komt dezelfde combinatie “woorden van het boek” (דברי ספר) voor.
- Waar in Jes. 29:13 ontzag voor de Eeuwige een aangeleerd iets is, is dat in 29:23 een welgemeende houding na het zien van Gods daden. De in 29:13 (יראה) en 29:23 (ערץ) gebruikte begrippen worden onder meer in Jes. 8:13 parallel gebruikt.
- In de aanklacht Jes. 29:15 en het heilswoord Jes. 29:18 komt het woord “duisternis” voor (חשך).
- Het gebrek aan inzicht uit Jes. 29:16 (לא הבין) staat in contrast met het inzicht dat er wel is in 29:24 (בינה).
Het is JHWH die zijn volk bevrijdt, vrijkoopt (פדה, 29:22), de “bevrijder pur sang” (Aad van Egmond), en de aarde (de Libanon) verandert in een boomgaard die doorgroeit naar een bos. De hele schepping -mens en natuur- mag delen in Gods heil, zoals dat ook het geval is in Jes. 11:1-10. Jes. 29:17 lijkt sterk op Jes. 32:15. De Libanon wordt ook genoemd in Jes. 35:2.

In Gods heilstijd zullen doven horen en blinden zien. Daarvan is ook in Jes. 35:5 sprake. Vergelijk ook Jes. 42:16.18. Mensen zijn niet langer afgesloten. De blinden zijn verlost van hun duisternis. Het gebruik van de term “duisternis” doet denken aan het gebruik in Jes. 9:1.
Deze nieuwe werkelijkheid kan ontstaan, doordat de Eeuwige de verdrukkers terzijde zet. Het is met hen gedaan. Een rechtvaardige zal niet meer om niemendal (תהו, hetzelfde woord als in Gen. 1:2) opzij gezet worden. Dan kunnen, zingt vers 19, de “kleinen in den lande” hun vreugde weer hebben in de Eeuwige en de armen zich weer verheugen in Hem die in het boek Jesaja veelvuldig de “Heilige van Israël” wordt genoemd. Hij is het die vanuit verbondenheid met zijn volk het roept tot heiligheid. Later in deze passage wordt deze God de “Heilige van Jakob” en de “God van Israël” genoemd (vers 23).

De Eeuwige bevrijdde Abraham, zingt vers 22. Deze uitdrukking is bijzonder. Men kan het niet zozeer met de bekende Abraham-verhalen verbinden. Maar gaat het hier niet om Abraham als voorvader van Israël, Israël als zijn nakomeling, zoals het ook in Jes. 41:8 wordt uitgesproken? Dan kan men denken aan het “huis” van Abraham, zoals een oudere exegeet heeft voorgesteld, en daarbij denken aan alle keren dat God zijn volk bevrijdde.
Men kan zien wat de Eeuwige onder zijn volk doet. Dat doet mensen voor Hem kiezen, Hem als enige God dienen, zijn naam eren. Men zal Hem, de Heilige van Israël, heiligen in toewijding aan Hem alleen, wederzijds verbonden. Vers 24 onderstreept dat allen aan de eredienst aan de Eeuwige deelnemen. Ook mensen die eerder terzijde bleven, sluiten zich aan.


Adri van der Wal
26 augustus 2021