Joods-Christelijke Dialoog

 Zondag 4 juli 2021

door Adri van der Wal

Opgestaan, aangesproken, gezonden

In onze hedendaagse wereld waarin autonomie bij velen hoog in het vaandel staat, staat een roeping als die van Ezechiël haaks op het levensgevoel. Daar klinkt een stem van buiten die oproept om een taak te verrichten in de wereld. Daarmee krijgt het leven van de priester Ezechiël (Ez. 1:3) een nieuwe richting. De Eeuwige bepaalt zijn toekomst, in Ezechiëls woorden: Hij wordt door de hand van de HEER gegrepen (Ez. 1:3; 3:14).
Ezechiëls roeping wordt verteld in Ez. 1-3. In deze hoofdstukken wisselen passages over zien en horen elkaar af, waarbij in Ez. 1:1.4-23.26-28; 2:9-10 visuele ervaringen worden verteld en in Ez. 1:2-3.24-25.28slot; 2:1-8; 3:1-13 auditieve. In Ez. 3:14-15 wordt duidelijk hoe alles de profeet heeft beroerd.
In Ez. 2:1vv wordt de auditieve kant meermalen aangeduid. De profeet wordt aangesproken, nadat hij voorover was gevallen (Ez. 1:28), onder de indruk van alles wat hem overkwam. De Geest deed hem weer opstaan (Ez. 2:2: “op de voeten staan”; dezelfde uitdrukking in Ez. 37:10). Staande luistert Ezechiël naar zijn G’d.
Dan wordt hij op weg gestuurd als Godsgezant Met twee begrippen wordt dat uitgedrukt: “zenden” (NBV-2004: sturen; Ez. 2:3.4; 3:5.6) en “gaan” (Ez. 3:1.4.11). Beide begrippen worden elders in het Oude Testament ook in roepingsberichten gebruikt. De combinatie van “zenden” en “gaan” die we hier bij Ezechiël aantreffen, vinden we ook in de woorden waarmee G’d Mozes roept (Ex. 3:10) en in de roepingsberichten van Jesaja (Jes. 6:8) en Jeremia (Jer. 1:7). Bij Jeremia wordt iemands gezonden-zijn criterium voor diens geloofwaardigheid (Jer. 23:21; 27:15; 28:15). Het “ga” vinden we in Gen. 12:1 bij de roeping van Abram, in Amos 7:15, waar Amos terugkijkt op zijn roeping, in Jona 1:2, waar verteld wordt dat de Eeuwige Jona naar Nineve stuurt. Op deze manier worden profeten gelegitimeerd als ware profeten. Ook in het evangelie van Johannes klinkt het woord “zenden” bij herhaling (onder meer Joh. 5:23.24.30.36.37.38; 6:29.38.39.44.57). Ook daar houdt dat een legitimatie in. G’d zendt mensen de wereld in om een appel op mensen te doen. Omdat Hij in mensen gelooft en met mensen verder wil.
Bij zijn roeping wordt Ezechiël aangesproken als “mensenkind” (Ez. 2:1.3.6, in totaal 7x in Ez. 1-3, ook in: 2:8; 3:4.10.17), een aanduiding die kenmerkend is voor het boek Ezechiël. Hij is deel van het menselijk geslacht. Hij wordt gezonden naar zijn volksgenoten. Hij krijgt een zware opdracht. Hij moet hen scherp aanspreken. Bij herhaling wordt het woord מרי gebruikt, “opstandigheid” (Ez. 2:5.6.7; 3:9.26.27). In Ez. 2:3 wordt de term פשע gebruikt, “(van G’d) afvallen”. Men is niet bereid te luisteren, zij, hun voorouders en de kinderen (Ez. 2:3-4). Generaties lang dus. Het in Ez. 2-3 gemaakte verwijt van weerspannigheid wordt in Jes. 30:9 ingevuld als: “niet willen luisteren naar de Tora van de HEER”. Ezechiël moet de uitzondering zijn: “niet opstandig” (Ez. 2:8). Een levende verkondiging, getuige van tegenspraak.
Ezechiël moet zijn volksgenoten laten weten wat G’d te zeggen heeft (Ez. 2:7), zeggen “Dit zegt Adonaj, de HEER” (Ez. 2:4), als intermediair tussen G’d en volk. Men zal weten dat er in hun midden een spreker-namens-G’d is geweest (Ez. 2:5; zie ook Ez. 33:33). Daarbij laat de Eeuwige mensen hun vrijheid en verantwoordelijkheid: “of ze horen willen of niet” (Ez. 2:5.7; 3:11). Dat doorbreekt G’d niet. Mensen leven in vrijheid en verantwoordelijkheid.
In Ez. 2:6 wordt de profeet opgeroepen om niet bang te zijn, ook al zal men het hem zeer lastig maken. Drie keer klinkt in Ez. 2:6 de oproep “Wees niet bang!” Dezelfde oproep “Wees niet bang voor hen” klinkt ook bij Jeremia’s roeping (Jer. 1:8). De oproep niet bang te zijn klinkt ook op plaatsen als Gen. 15:1; Joz. 10:8; Jes. 41:10; 51:7; Jer. 30:10. Impliciet of expliciet belooft de Eeuwige zijn bijstand.


Adri van der Wal
6 juni 2021